Profiel: J.L. Heldring

Een sceptische conservatief

Met de trots van een intellectuele patriciër heeft mr. J.L. Heldring, in een bijdrage aan het maandblad Tirade, eens zijn «geleende geheugen» aan de orde gesteld. Hij is in 1917 geboren, zodat zijn eigen geheugen inmiddels ruim tachtig jaar oud is. Zijn geleende geheugen, schrijft hij, reikt echter tot de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, die zijn vader nog met behulp van tinnen soldaatjes heeft nagespeeld, inclusief de belegering van Plevna en de slag om de Shipkapas.

Of gaat zijn geleende geheugen nóg verder terug? Want zijn vader herinnerde zich op zijn beurt zijn «tante Borski», een onduidelijk familielid dat regelmatig bij de familie over de vloer kwam. Deze tante Borski was omstreeks 1814 geboren. Haar vader, een internationaal financier, nam zijn kleine meid vaak mee op buitenlandse reizen. In Londen was zij, vertelde zij aan Heldring sr., getuige van een kaartavondje waaraan ook de Franse diplomaat Charles Maurice Talleyrand deelnam, bij welke gelegenheid zij met kinderlijke verbazing constateerde dat de gevierde staatsman zich wis en waarachtig aan het vals spelen bezondigde.

Waarna Heldring sr. dit weer aan Heldring jr. doorvertelde. «Mijn geleende geheugen gaat dus terug tot het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw, want Talleyrand was ambassadeur in Londen van 1830 tot 1834.»

J.L. Heldring, ex-hoofdredacteur van NRC Handelsblad en sinds jaar en dag auteur van de rubriek Dezer Dagen, is (naar eigen zeggen) meer een man «van de petit histoire dan van de grote trekken». Daarom is hij er tot zijn spijt nooit toe gekomen «het magnum opus te schrijven dat alle gebeurtenissen van de laatste halve eeuw samenvat en verklaart in het licht van één conceptie, één sluitend wereldbeeld».

Waarom zou hij daar spijt van hebben? Zo'n conceptueel wereldbeeld, weet Heldring, bestaat niet. Het is een reeds lang bij het asvat gezet laat-negentiende-eeuws denkpatroon dat inmiddels geen supporters meer heeft, behalve wellicht Harry Mulisch, de analyticus van De compositie van de wereld, het fatale product van het feit dat de auteur (de constatering is van H.J.A. Hofland) als kleuter een meccanodoos ten geschenke heeft gekregen.

Het is trouwens niet duidelijk waarom Heldring zichzelf zo bescheiden voordoet. Zijn specialiteit is de buitenlandse politiek, een terrein dat toch niet van belang ontbloot is, al is hij de laatste jaren inderdaad geneigd af en toe een triviaal ogend zijpad te betreden. Hoe zat het precies met dat lied uit zijn Leidse studententijd? Luidde de tekst: «Generaal Van Everdingen zit op de wc te zingen: Sixma baron van Heemstra…» of is de correcte versie: «Boer Braat uit Hekelingen zit op de wc te zingen: Bloemkool, geef mij maar bloemkool…»? Waarbij moge worden aangetekend dat het lied op muziek van Franz Liszt is gezet en het woord «bloemkool» op en rondom het Rapenburg veelal als «blâmkool» werd uitgesproken.

Vraag het J.L. Heldring. Hij schrijft een stukje over deze brandende kwestie, wacht in alle rust en kalmte op de tien reacties van leeftijd– en studiegenoten en schrijft er dan een tweede stukje over.

Toen Heldring in 1993, zijn bescheiden oeuvre ten spijt, tot de waardigheid van eredoctor werd geroepen, publiceerde De Journalist een karikatuur van de jonge, maar politiek niet onomstreden geleerde. Hij staat achter het katheder en commentarieert met opgeheven wijsvinger een paar frases uit de protestpamfletten tegen zijn benoeming. «Voorts geef ik achter de qualificatie ‹breeddenker› de voorkeur aan een verbindingsstreepje… na ‹winnaar koude oorlog› hoort geen komma maar puntkomma te staan… en ‹mierenneuker› tenslotte is met een enkele n.» Zijn toehoorders liggen ondertussen allang in de slaapstand en ronken dat de ruiten van de senaatszaal er van rinkelen.

Heldring: «Een kommaneuker. Zo word ik wel eens genoemd — meestal door lieden die zelf te lui zijn om de moeite te nemen gebruik te maken van, of zelfs na te denken over, de mogelijkheden die dit leesteken biedt.»

Eens in de maand krijgen zij het op hun brood, de specialisten in slordig proza, kromme redeneringen, primitieve interpunctie, taal-, stijl- en denkfouten. Een verkeerd geplaatste komma, luidt Heldrings theorie, kan wereldoorlogen en bijbehorende bloedbaden veroorzaken. Men beluistert de echo van de Weense taalpurist Karl Kraus, een hooggetalenteerde querulant uit de eerste decennia van de vorige eeuw, die trouwens in alle andere opzichten de tegenvoeter van de overbedachtzame J.L. Heldring is geweest. Zoals Kraus de komma verantwoordelijk maakte voor het Japanse bombardement op Sjanghai (1932), geeft Heldring de komma, althans de komma in de tweede Paulusbrief aan de Thessalonicenzen, de schuld van het christelijk antisemitisme, «het verschil tussen leven en dood — soms zelfs voor miljoenen». Want dankzij een, door de Middeleeuwen het manuscript in gesmokkelde komma krijgen niet individuele joden, maar de joden de schuld van Christus’ kruisdood, constateert hij.

Zou het? Of is hier sprake van een soort taalpuriteinse overgevoeligheid? Me dunkt, de Japanners hadden ook zonder komma Sjanghai gebombardeerd en Hitler heeft zich vast niet door het gebruik of misbruik van een komma ervan laten weerhouden de joden naar de Poolse crematoria te deporteren.

Heldrings theorieën over de nietigste aller leestekens moeten dus niet al te serieus worden genomen, behalve voor diegenen die in Heldrings «kommafobie» (de term is van René Zwaap) een metafoor herkennen voor de gerechtvaardigde afkeer van slecht formuleren en drabbig denken.

In deze verheerlijking van taal en teken zit een onmiskenbare ondertoon van school mees terij, die het feit negeert dat er inmiddels een dramatisch verschil tussen schrijven en spellen bestaat. Er is door de taalkundigen via de diverse taalhervormingen zo aan het geschreven woord geprutst dat geen mens meer weet waar hij aan toe is. Onderwerp een alom erkend stilist aan de beproevingen van het Groot Dictee van de Nederlandse Taal en hij of zij maakt gegarandeerd minimaal 35 fouten. «Le style est l'homme même» — niet dat ene, verdwaalde letterteken of die andere verkeerde meervoudsvorm.

Valt er ook uit de stijl van J.L. Heldring een conclusie te trekken over zijn denkwereld en persoonlijkheid?

Jan Blokker heeft in 1973 een poging gedaan deze vraag te beantwoorden. Zijn conclusies waren zo vernietigend dat zelfs een beroepsstoïcijn als Heldring de ochtendkoffie in de keel moet zijn blijven steken. Kort samengevat noemde de Volkskrant-columnist zijn NRC-collega «een ongelofelijke lamzak», «lui of laf», waarschijnlijk allebei, een levenslange specialist in de «ontsnappingmarge», gedoemd tot zijn dood «de kwispelstaartende poedel te blijven van deftige ondernemingen als Bonaventura», want het hebben van een echt oordeel — «dat is in de ogen van onze liberaal ongeveer het engste dat een mens kan overkomen».

De reactie van Heldring, in een ingezonden stuk, was tamelijk superieur: de heer Blokker vergiste zich, hij, Heldring, was niet liberaal, maar conservatief.

Niettemin had Blokker geen ongelijk. De rubriek Dezer Dagen was destijds zelden van dien aard dat de NRC-lezers elkander op de hoek van Hofplein en Coolsingel verhit staande hielden met de vraag: «Heb je vandaag de nieuwe Heldring al gelezen?»

Ja, hij noemde zich jarenlang, zo ongeveer als enige in Nederland, conservatief. Niet uit nostalgie naar de tijd dat de arbeiders hun plaats nog kenden, maar uit ongeloof aan de veronderstelde veranderbaarheid van de samenleving.

«Het conservatisme deelt het optimistische geloof in de mens van liberalisme en socialisme beide niet», constateert J.L. Heldring. Hij is overtuigd van de beperktheid van de mens — zowel de individuele als de collectieve mens. Hier spreekt geen idealist, maar een scepticus. Als scepticus is Heldring, bijna per definitie, geen verheerlijker van het verleden. Juist uit dat verleden, met zijn ontelbare menselijke mislukkingen, put hij zijn scepsis ten aanzien van het slagen van radicale hervormingsplannen. Maar dat verleden heeft hem er ook van bewust gemaakt dat alles aan verandering onderhevig is. «De conservatief is dus geen behoudzuchtige, maar iemand die de stroom des tijds in goede banen wil leiden, met zoveel mogelijk behoud van het goede.»

In 1965 verliet Heldring de VVD, een haast revolutionaire stap voor een aanstaande hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdammer, dezelfde krant waarin hij twee dagen later las dat hij de partij «om principiële redenen» de rug had toegekeerd. «Potverdorie», zei Hel dring tegen André Spoor, zijn opvolger, «en dat terwijl ik er alleen maar ben uitgegaan omdat ze wéér de contributie hebben verhoogd.» Sindsdien is hij een typische, zorgvuldig zijn politieke keuze overwegende, zwevende kiezer. Hij bleef op de liberalen stemmen totdat DS'70, de partij van Willem Drees jr., zich aandiende. In 1977, vier jaar na het eerste en enige kabinet-Den Uyl, koos hij zonder geestdrift voor D'66, want «de PvdA moet geremd worden». Was het dan niet verstandiger om rechtstreeks op het CDA te stemmen? «Maar die kwamen met Van Agt en dat stond me niet aan», legde Heldring uit, die nooit een bewonderaar van het politiserend christendom is geweest. «Van Agt is toch een kind in de zonde? Die kun je straks bij een Europese top niet om een boodschap sturen. Bleef over D'66.»

Hij staat centraal in menige, tot op de dag van heden op de redactie van zijn krant circulerende anekdote. Bijvoorbeeld deze: toen Heldring (in 1954) bij zijn krant commentator werd, veroverde hij een eigen kamertje om ongestoord zijn dagelijkse dozijn kranten te kunnen lezen. Om de communicatie met de redactie buitenland te vergemakkelijken, liet hij tot veler ongenoegen een speciaal luikje vervaardigen, met veel hinderlijk getimmer en gezaag. Toen dit luikje op het punt stond in gebruik te worden genomen, werd dit plotseling geopend, aan de verkeerde kant, en staar de Heldring in het gezicht van zijn collega Van As, de eindredacteur van de weekeditie. En die sprak de woorden: «Eén croquette, alstublieft.»

Vanzelfsprekend was Heldring geen man voor een centrale redactie, te midden van mannen en vrouwen met hun Tupperware-trommeltje met de dagelijkse broodjes zweetkaas. Hij heeft, behalve een hekel aan christenen, idealisten, en ideologische zwevers, ook een hekel aan collectieven. Zijn leermeesteres Carry van Bruggen onderwees hem in de leer der heilzame tegenstellingen, de these versus de antithese, Jupiter versus Prometheus, het individu versus het collectief, twijfel versus het groepsgewijze denken, rooms versus protestant.

«De dingen bestaan door hun verschil met andere dingen», schreef zij, «zodat de mensen, in hun geestelijke en stoffelijke bestaan, bestaan door hun verschil met anderen.»

Het verschil met anderen — het zou de titel worden van een boekje waarin Heldring een aantal van zijn beschouwingen bundelde, waaronder een stuk waarin de «lof van het conservatisme» werd gezongen. Het boekje is ongedateerd, maar stamt duidelijk uit de periode waarin Heldring zich nog het liefst achter andermans rug verschool. De rug van P.J. Oud, bijvoorbeeld: «Er zijn er die misschien nog liever beschuldigd zouden worden van brandstichting dan te zijn conservatief.» En de rug van J. Huizinga, auteur van de woorden: «Het waren te wenschen geweest, dat een groep van politiek geschoolden den moed hadde bezeten, zich conservatief te blijven noemen in den waardigen zin van het goede te willen behouden en de traditie niet roekeloos te willen prijsgeven voor de mode van den dag.»

Deze verzuchtingen passen naadloos in de denkwereld van mr. J.L. Heldring. Illustratief is bijvoorbeeld zijn visie op het christendom, waarmee hij met grote regelmaat de recht gelovigen onder zijn lezers op de kast weet te krijgen. Hij noemt zichzelf «een niet-gelovig christen», zoals eigenlijk alle ingezetenen ener van oorsprong christelijke natie. Waarom, vraagt Heldring zich af, zouden roomsen en protestanten eigenlijk bij elkaar onder één deken schuiven? Het zijn toch religies met een heel andere achtergrond? «Ik ben geen belijdend christen», zegt hij, «maar als ik het woord oecumene hoor, begin ik al een beetje stekels op te zetten. Ik vind het een verdoezeling van vaak reële, honorabele tegenstellingen.»

Iedereen, vrijwel iedereen, maakte zich vrolijk over kardinaal A.L. Simonis, toen deze schande sprak over de gezamenlijke eucharistieviering bij prins Maurits (prot.) en Marilène van den Broek (r.k.). Waren wij weer in de late Middeleeuwen teruggekeerd? Maar Simonis had volkomen gelijk, constateerde Heldring. Als de verantwoordelijke pastores Oostvogel (r.k.) en Ter Linden (prot.) het verschil tussen de beide religies zo klein en onbetekenend vinden, konden zij hun respectieve ondernemingen beter liquideren. Heldring beschouwt het tegen elkander aan schurken van de beide religies als «gesjoemel». Het moge zo zijn dat 62 procent van de roomsen deze vertoning acceptabel vond, maar dat is geen argument. «De rooms-katholieke kerk is geen democratische instelling en pretendeert dat ook niet te zijn. Als vrijwel enige overgebleven instelling beantwoordt de kerk, elke kerk, niet aan de grillen van de markt, althans behoort zij dit niet te doen. Je hoeft zelf niet te geloven in de geloofswaarheden die hij verdedigt om van mening te zijn dat het kardinaal Simonis tot eer strekt dat hij ze verdedigt en niet meedoet met de sentimentaliteit van het ogenblik.»

Aldus J.L. Heldring. Want de jaren dat hij, al kwispelstaartend, alles deed om een oordeel uit de weg te gaan, liggen inmiddels achter ons.

Heldring is Atlanticus, geen Europeaan, hij voelt zich veilig onder de paraplu van de Ver enigde Staten en ziet eigenlijk niets in het Verenigde Europa. «Ik geloofde niet (en geloof nog niet) dat er ooit één politiek Europa tot stand zal komen», zegt hij nog steeds, zelfs op het moment dat dit monsterverbond in de steigers staat. Buitenlandse politiek is nu eenmaal in de eerste plaats, weet Heldring, een kwestie van eigenbelang, hoeveel zalvende praatjes er ook in Brussel en Straatsburg mogen worden verkocht.

Andermaal kijkt Carry van Bruggen, de theoretica van de leer der tegenstellingen, over zijn schouder mee.

Een politicus moet in de eerste plaats een realist zijn. Dat geldt impliciet ook voor de politieke commentator. Daarom was Heldring reeds in 1945 een voorstander van de overdracht van Indonesië aan Soekarno en de zijnen, zoals hij er vijftien jaar later voor pleitte onze laatste Aziatische kolonie, Nieuw-Guinea, te verlaten. «Voor mij was het argument doorslaggevend dat Nieuw-Guinea voor Nederland op den duur niet houdbaar was, omdat wij niet genoeg internationale steun voor onze positie zouden krijgen. We zouden het daarom vroeg of laat moeten opgeven. Dan liever vroeg.»

Dat was toen geen voor de hand liggende manier van denken, laat staan in de kringen («Indië verloren, rampspoed geboren») van Heldrings VVD. Ondanks zijn principiële voorzichtigheid ging Heldring dus, op de momenten dat het écht nodig was, een controversieel standpunt niet uit de weg.

In de jaren zeventig en tachtig specialiseerde hij zich in de Koude Oorlog, die door hem «zonder verontwaardiging maar met genoegen» werd gevoerd. Het waren de dagen dat velen, vaak uit de keurigste motieven, elk contact met de communisten weigerden. Hel dring bleef erop hameren, dat dit hoogst onver standig was. Het was niet alleen bela che lijk om in elke communistische geleerde een spion of een propagandist te zien, bovendien prefereerde hij een politiek van «vreedzame inmenging» en «interne uitholling». Verbroedering, desnoods schijnverbroedering was wijzer. Er moest worden gedebatteerd en er moesten zoveel mogelijk wederzijdse goodwill-bezoeken worden afgelegd. A.E. Kersten in het Jaarboek 1996 Buitenlandse Zaken: «Culturele en wetenschappelijke uitwisseling, deelneming aan manifestaties als het jeugdfestival, amusementsmuziek en dansen als manifestatie van de westerse leefwijze en alles wat ertoe kon bijdragen ‹het zaad van de twijfel te zaaien in de harten en breinen der communisten›.»

Dat was, strategisch gezien, niet slecht gedacht. Lang hebben de communisten kunnen volhouden dat hun stelsel verreweg superieur aan het westerse was. Het kijken naar de westerse televisiezenders was dan ook verboden, zowel in Moskou als in Berlijn, hoofdstad der DDR. Westerse films werden niet geïmporteerd. Het bezoeken van westerse naties was slechts aan de partijgetrouwen voorbehouden. Totdat het een en ander redelijkerwijze niet meer vol te houden was en het Oostblok zo innerlijk bleek te zijn uitgehold dat zelfs de partijgetrouwen niet meer in hun eigen leugens geloofden en het communisme van de ene dag op de andere moest worden opgeheven.

J.L. Heldring had gelijk gekregen. Andermaal bleek de koele analyse doeltreffender dan nationalistische of sentimentele verhalen. Ondertussen bleek zijn grensoverschrijdende visie zich tot veler verrassing zelfs tot de internationale voetbalvelden uit te strekken. Hel dring heeft, schreef hij, in 1974 deelgenomen aan een weddenschap, waarbij het zaak was de uitslag van de WK-voetbalwedstrijd West-Duitsland-Nederland te voorspellen. Een typische egg head als hij weet natuurlijk geen bal van het bruine monster. Maar Heldring redeneerde: Nederland was even goed als Duitsland, misschien wel beter. Echter, Duitsland speelde op eigen terrein, zodat een gelijkspel in de lijn der verwachtingen lag. Men voege daarbij het heimelijk ontzag dat Nederland heeft voor de Duitse discipline en het Duitse organisatievermogen en telle daarbij onze vaderlandse minderwaardigheids gevoelens op.

Dus gokte Heldring op 2-1. En hij constateerde, niet zonder tevredenheid: «Hoe dan ook, sinds ik in 1974 met mijn voorspelling de pot won, geld ik als deskundige op voetbal gebied, al was het alleen maar bij mezelf.» Men ziet, de oude baas dreigt in de herfsttijd van zijn leven nog geestig te worden ook.

Van het buitenland heeft hij werkelijk verstand, dat zal geen zinnig mens meer ontkennen, een verstand dat steunt op een brede kennis van de geschiedenis, die zich inderdaad zelden herhaalt, maar waarvan nochtans veel te leren valt. Hij is inmiddels, na het overlijden van zijn collega mr. G.B.J. Hiltermann, op afstand ’s lands langst schrijvende politieke commentator en heeft verscheidene generaties geïnteresseerden wat wijzer gemaakt. Zou zijn rubriek, die inmiddels tot één keer per week is teruggebracht, het jaar 2004 halen? Dan heeft hij die precies een halve eeuw volgehouden, bij mijn weten een unicum in de vaderlandse persgeschiedenis. Maar reeds thans zou met zijn verzamelde krantenknipsels de as Parijs-Bonn geplaveid kunnen worden — en dat zijn magnum opus er nooit is gekomen, een mierenneuker die dit hem zal wagen te verwijten.