Javier Marías, De verliefden

Een sceptische verteller

Wie aan De verliefden begint, de meest recente roman (2011) van Javier Marías, weet wat hem te wachten staat. Fictie van ‘een uniek talent’, van ‘een van de beste hedendaagse Europese schrijvers’, van een schrijver ‘die de Nobelprijs moet krijgen’, want Marías is de auteur van ‘veruit het beste moderne Spaanse proza’.

Javier Marías, De verliefden, € 21,95
e-book, € 12,99

Medium de verliefden

Was getekend: J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, Roberto Bolaño en Jonathan Franzen. Uitgeverij Meulenhoff heeft alles uit de kast gehaald om van De verliefden een Nederlands kassucces te maken. Waarschijnlijk heeft ze zich niet gerealiseerd dat er ook lezers kunnen zijn op wie dit bombardement van intimiderende superlatieven een averechts effect heeft. Enfin, we zullen zien.

Van meet af aan is duidelijk dat er een verteller, María Dolz, aan het woord is die in mijmerende zinnen en met veel omhaal van woorden terugblikt op een ingrijpende gebeurtenis in haar leven, een ‘macabere gebeurtenis’ zelfs, al is de feitelijke toedracht daarvan haar, en dus ook de lezer, vooralsnog volkomen duister. Het hele boek, bijna vierhonderd bladzijden lang, bestaat uit een stapsgewijze onthulling van die toedracht. Wat het boek principieel onderscheidt van een ordinaire whodunit zijn de zeer uitgebreide, filosofisch getinte, altijd hypothetische en uiterst redelijke overwegingen over alle mogelijke meer algemene zaken waaraan de verteller zich overgeeft.

Die overwegingen zijn soms interessant, soms te voor de hand liggend, soms, vooral als de verteller haar neiging namens de hele mensheid te spreken niet kan onderdrukken, ronduit irritant. En soms ondermijnen ze, ik neem aan onbedoeld, haar eigen geloofwaardigheid. Dat heeft ten dele te maken met haar (dus ook Marías’) verteltechniek. De lang uitgesponnen dialogen in de directe rede die ze in haar herinneringen opneemt, zijn in feite altijd ononderbroken monologen, en ook altijd, ongeacht wie aan het woord is, geschreven in die gelijkblijvende, gedistantieerde en omslachtige boekentaal.

Erger voor haar geloofwaardigheid zijn de passages, in het begin van het boek, waarin María, die redacteur is bij een literaire uitgeverij, uitweidt over de auteurs met wie ze qualitate qua te maken heeft. Het zijn allemaal minkukels, lastposten, ijdeltuiten en warhoofden, bovendien maken ze zich schuldig aan een dusdanig absurd vedettegedrag uit het ancien régime van de literatuur dat je het gevoel krijgt dat María hier namens Marías oude rekeningen vereffent, waar de lezer, in elk geval de niet-Spaanse lezer, geen boodschap aan heeft. Deze fragmenten lenen zich voor een satire, maar zijn moeilijk te rijmen met de altijd zo genuanceerde en beschaafde toon van de verteller.

Voor iemand met zoveel kritiek op het literaire bedrijf waarin ze werkt toont María zich ook opmerkelijk weinig allergisch voor clichés uit de sector romantische pulp. Het paar dat ze in een Madrileens café onopvallend maar met de nieuwsgierigheid van een bakvis observeert – het uitgangspunt van het boek – is meteen ‘het perfecte paar’. De man, Miguel, is elegant gekleed, ‘een tikkeltje ouderwets, maar zeker niet belachelijk of anachronistisch’, hij was ‘klassiek’ maar ook ‘ongekunsteld’, was ‘onmiskenbaar hartelijk en vrolijk’ van karakter, ‘maar niet joviaal’, zijn blik ‘was kalm en toch levendig en vrolijk, met een sprankje naïviteit of kinderlijkheid als hij luisterde, de blik van iemand die het leven gewoonlijk amusant vindt, of die niet bereid is het te laten verstrijken zonder te genieten van de duizend grappige aspecten die het behelst, zelfs te midden van moeilijkheden en tegenspoed’. En dan had hij ook nog een kuiltje in zijn ‘altijd heel goed geschoren’ kin, waardoor hij haar aan Cary Grant of Kirk Douglas doet denken. De man blijft kortom geen cliché bespaard.

Maar uitgerekend Miguel, deze hoogst aantrekkelijke filmster – hij blijkt een rijke filmdistributeur te zijn – wordt op beestachtige wijze en zo te zien zonder enige aanleiding vermoord door een woeste parkeerwacht. Dan komt María in contact met Luisa, de vrouw van Miguel, en is ze getuige van het bezoek van twee mannen. Een van beiden, een karikaturaal wereldvreemde literatuurhistoricus die opvalt door zijn onuitstaanbare corpsballen­gewauwel, kent ze van de uitgeverij, de ander is een van Miguels beste vrienden, maar voor María een onbekende. Hij zal in de geschiedenis van de moord een cruciale, zij het tot het eind toe onzekere rol spelen. Hij heet Javier Díaz-Varela en ook hij heeft alles van een ouderwetse Hollywood-ster. Hij is ‘mannelijk, kalm en knap’, ‘zorgvuldig geschoren’, in het bezit van ‘een energieke kin’, ‘verfijnde trekken’, onweerstaanbare lippen, ‘amandelvormige ogen’ met een dromerige uitdrukking, en nog zoveel meer verleidelijks dat het geen moment kan verbazen dat María op slag verliefd wordt op deze man. Het probleem, en naar zal blijken een deel van de oplossing van het raadsel van de mysterieuze moord, is dat Díaz-Varela het op Luisa heeft gemunt, waardoor María onvermijdelijk in de wachtkamer belandt.

Enfin, ik ga niet het hele kluwen van relationele sores uit de doeken doen, al beslaat dat, compact verteld, hoogstens een paar A4’tjes. Maar toch, alle kanttekeningen ten spijt, moet ik constateren dat ik het boek tot en met de laatste bladzijde met een zeker genoegen heb gelezen. Dat moet wel komen door het vernuft waarmee Marías ‘de macabere gebeurtenis’ beetje bij beetje onthult en tegelijkertijd voortdurend de mogelijkheid openhoudt dat het allemaal heel anders in elkaar steekt. Javier Marías is een conservatieve scepticus, een levensfilosofie die hem ertoe brengt alle gebeurtenissen, hoe bizar en ongeloofwaardig ook, op rustige en aanvaardende toon te overdenken. Dat heeft ook een geruststellend effect op de lezer. Uiteindelijk komt het allemaal wel goed, zullen we al het leed vergeten en passen we ons aan aan de nieuwe omstandigheden, alsof het nooit anders is geweest.


Javier Marías
De verliefden
Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon, Meulenhoff, 368 blz., € 21,95