Waar kinderen slapen

Een schaap met witte voetjes

Een kinderslaapkamer laat zien wat het kind heeft en wie het is, aldus de Britse fotograaf James Mollison. Maar volgens Unicef leeft de helft van alle kinderen in armoede en zal voor hen de ‘eigen slaapkamer’ een onbekend fenomeen zijn.

Medium amerika

DE FOTOGRAAF James Mollison heeft naam gemaakt met zijn boeken James and Other Apes (2004), The Memory of Pablo Escobar (2007) en The Disciples (2008). De eerstgenoemde serie toont zijn expressieve en ontroerende portretten van mensapen. Zijn tweede boek bevat het fascinerende verhaal van het leven van de legendarische Escobar, ‘de rijkste en meest gewelddadige gangster uit de geschiedenis’, aan de hand van honderden door Mollison verzamelde foto’s. The Disciples is zijn schrandere weergave van fans van rockbands. De serie toont de sociale en culturele transformaties die plaatsvinden als concertbezoekers zo ver gaan in de adoratie van hun idolen dat zij het uiterlijk van de artiesten en daarmee hun identiteit proberen over te nemen. Mollison toonde hier de worsteling van het individu tussen de eigen identiteit en die van het idool.
Identiteit is een rode draad in Mollisons werk. Zijn nieuwste serie, Where Children Sleep, eind vorig jaar verschenen als boek en nu deels te zien bij Flatland Gallery in Utrecht, omvat 56 portretten van kinderen en hun slaapplaatsen, gemaakt in zestien landen, zoals de Verenigde Staten, Nepal, Brazilië, Senegal, Italië, Schotland, China en Israël. Bij elk portret hoort een korte tekst over het leven van het kind, opgeschreven in een opzettelijk eenvoudige zinsstructuur, bedoeld voor kinderen van negen tot dertien jaar oud. Het boek richt zich echter niet uitsluitend op een jong publiek. Volwassenen zullen er een breed en boeiend visueel essay in vinden dat culturele zenuwen blootlegt en vragen stelt over wereldwijde ongelijkheid.
Het doel van Mollison was om gelukkige kinderen – zoals hij er zelf ooit een was – die opgroeien terwijl het hen aan niets ontbreekt, te laten waarderen wat ze hebben en te laten nadenken over ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en landen. En ze hopelijk aan het denken te zetten over hoe kinderen daar binnen hun eigen leven op reageren. Dat lijkt misschien wat veel gevraagd. De serie is echter een uitstekend startpunt voor docenten en ouders om kinderen de verschillen tussen de haves en have-nots in de wereld te laten zien en dit onderwerp met ze te bespreken.
Neem Prena: ‘Prena woon in Kathmandu, Nepal. Haar kamer is een kleine, cel-achtige ruimte boven in het huis waar ze werkt als huishoudster. Haar menu bestaat voornamelijk uit rijst en groenten. Ze is veertien jaar oud en een van de duizenden kinderen die in Nepal als huishoudster werken. (…) Prena bezoekt haar ouders tweemaal per jaar. Ze gaat drie keer per week naar school, het lichtpuntje in haar bestaan. Ze bewondert haar leraar, wiens missie het is kinderen zoals Prena te onderwijzen. Ze zou graag dokter worden als ze ouder is.’
Mollison zocht naar een manier om de complexe situatie van arm en rijk en andere sociale kwesties van kinderen aan de kaak te stellen. Hij vond dat hij dat het best kon doen door te kijken naar de slaapkamers van kinderen die leven onder allerlei verschillende omstandigheden. Al snel bedacht hij dat er onnoemelijk veel kinderen zijn voor wie het begrip ‘slaapkamer’ een niet bestaand gegeven is. Door naast de foto van de slaapplek van het kind een sober kinderportret te maken tegen een neutrale achtergrond wilde Mollison de kinderen laten zien als individuen, los van hun eigendommen, voor zover ze die hebben, en los van hun culturele omstandigheden. Maar ook in zijn portretten geeft Mollison regelmatig aanwijzingen over de sociale achtergrond van het kind, via kleding of door hen gereedschap of andere attributen vast te laten houden.

HET IDEE om een verhaal te vertellen door een interieur te fotograferen is op zichzelf een platgetreden pad. Ook series kinderslaapkamers zijn vaker gedaan, met als opmerkelijkste voorbeeld The Pink and Blue Project (2007) van de Zuid-Koreaanse JeongMee Yoon, die de bezittingen van jongens en meisjes uitstalde in hun respectievelijke slaapkamers. Zo ontstond een reeks foto’s waaruit bleek dat de voorkeuren van ouders en kinderen uit zowel de Verenigde Staten als Azië gelijk zijn: jongenskamers waren compleet blauw gekleurd en meisjeskamers bleken een wolk van roze, ongeacht de etniciteit of sociale achtergrond van de kinderen. Yoons serie liet de kijker zien hoe kinderen en hun ouders bewust of onbewust gestuurd worden door culturele invloeden en de macht van de commercie.
Ook in Mollisons serie zijn daarvan voorbeelden te over te vinden. De kamer van een vierjarig meisje uit Tokio is door haar moeder getransformeerd tot een poppenheiligdom. Het meisje zelf is dankzij haarstukjes en de jurken die haar moeder voor haar maakt de personificatie van Hello Kitty-snoezigheid.
Mollison koos voor extremen als de New Yorkse Jaime, wiens slaapkamer er op het eerste gezicht niet buitensporig luxe uitziet, ware het niet dat de kamer zich bevindt, zo lezen we, op de duurste verdieping van een appartementengebouw op Fifth Avenue in New York. De cello naast zijn bed had de vermoedelijke status van zijn ouders al verraden, maar de tekst leert ons dat deze negenjarige jongen in zijn vrije tijd zijn geldzaken bestudeert op de Citibank-website en net als zijn vader advocaat wil worden. Een pak met stropdas draagt hij al.
Aan de andere kant van het spectrum werd een jongen gefotografeerd van ongeveer dezelfde leeftijd, alleen had deze de pech geboren te zijn in Phnom Penh, Cambodja. Hij woont in een geïmproviseerde tent die is vergeven van de vliegen, omdat-ie op een enorme afvalberg staat. Zijn matras bestaat uit twee autobanden, gevonden tussen het vuilnis. De vloer is zacht – een verkeerde stap en er komt een giftige zwarte vloeistof naar boven. Zijn familie moet huur betalen om hier te wonen. Hij krijgt één maaltijd per dag, ontbijt van een liefdadigheidsinstelling. Dan gaat hij aan het werk, blik en plastic zoeken tussen het vuilnis.
Door dergelijke extremen te tonen zou men kunnen zeggen dat Mollison aan stereotypering doet. Het lijkt wellicht wat gemakkelijk een jongetje te fotograferen dat in een herenhuis woont met bewakers bij het hek, en ook een bang kijkend weesmeisje wier bezittingen in een kleine plastic doos passen. En ja, de slaapplaats van een Aziatisch meisje dat haar geld verdient met bedelen zal er anders uitzien dan die van de zoon van een New Yorkse interieurontwerpster. Mollison zoekt en vindt echter ook de nuance.
Het contrast tussen arme en rijke kinderen beperkt zich immers niet tot derdewereldlanden versus westerse landen. Ook in ons land leven alleen al in het armste stadsdeel van Rotterdam, Feijenoord, ruim zesduizend kinderen – één op de drie – in armoede, zo bleek onlangs uit een onderzoek van de Dienst Sociale Zaken van de gemeente. Dat er in westerse landen geen armoede zou zijn, is dus eveneens een stereotypering. In Amerika fotografeerde Mollison Alyssa, wier slaapkamerdak door verwaarlozing en vocht vervaarlijk naar beneden helt. Haar ouders zouden in plaats van hun krot graag een caravan kopen om in te wonen, maar het salaris dat de moeder verdient bij McDonald’s staat dat niet toe. Ook het stereotiepe beeld dat we hebben van derdewereldkinderen blijken we te moeten bijstellen: ook sommige meisjes uit Nepal doen mee aan schoonheidsverkiezingen.

DOOR ZIJN GELAAGDHEID is Mollisons boek op verschillende niveaus te ‘lezen’. Zo is het een verdienste dat hij zijn jonge doelgroep en volwassenen via kinderen met een naam en een gezicht laat kennismaken met conflicten tussen Birma en Thailand en tussen Israëliërs en Palestijnen. Kinderen kunnen zien hoe leeftijdgenoten aan de andere kant van de wereld leven, en waarom. Ze lezen over het Chinese meisje dat nooit een broertje of zusje zal krijgen vanwege China’s éénkindpolitiek; over het stille Senegalese meisje van acht dat door het bijgeloof van haar stam nu al weet dat ze ongehuwd zal blijven en verstoten zal worden; over het negenjarige voormalige kindsoldaatje dat was ingezet in de oorlog in Liberia; over het jongetje uit Tibet dat vanwege de Chinese bezetting niet in zijn eigen land bij de monniken de Tibetaanse cultuur kan bestuderen.
Een volwassen lezer is tot in het kleinste detail getuige van soms mensonterende leefomstandigheden en zal zich soms een voyeur voelen of wellicht zelfs medeplichtig. Mollisons serie komt des te harder aan omdat we op een zakelijk registrerende toon de toekomstdromen van de kinderen lezen. Zoals die van het zevenjarige Nepalese meisje dat danseres wil worden. Wat vooral opvalt aan haar portret zijn haar robuuste werkhanden, doordat ze al sinds haar derde jaar graniet hakt.
Ondanks hun dromen en de veerkracht die de meeste van deze kinderen hebben, stemmen de verhalen in het boek niet vrolijk. En dat geldt zeker niet minder voor de verhalen over kinderen die in overdaad leven.
Jasmine, een zwaar opgemaakt Amerikaans meisje van vier jaar, heeft al aan meer dan honderd schoonheidswedstrijden meegedaan. Haar kamer is gevuld met tientallen kroontjes en trofeeën. Het meisje uit Kentucky vult al haar weekenden met child pageants (vrijdag heen, zondag de prijsuitreiking en weer naar huis). Poseren is haar dan ook niet vreemd. Op Mollisons portret kijkt ze met haar donkere lippenstift en met bruiningsmiddelen behandelde huid professioneel lachend de camera in, haar mond in een geoefende grijns. Haar slaapkamer, badend in zonlicht dat door roze vitrages naar binnen valt, is geïnspireerd op Disney-prinsessen, met Cinderella’s dansend op de kroonluchter en een met sjerpen behangen bed dat doet denken aan de koets waarmee deze sprookjesfiguur naar het bal werd gereden.
De metalen spijlen van het bed roepen associaties op met de slaapplaats van een echte Assepoester, de Nepalese Prena, het meisje dat voor een schamel loon het huis van een rijke familie moet vegen en poetsen. Prena slaapt achter een spijlenhek, als een gevangene, wat ze feitelijk ook is: een gevangene van haar afkomst en sociale klasse. De spijlen waarbinnen het Amerikaanse schoonheidskoninginnetje slaapt kunnen echter ook worden gezien als een kooi die haar omsluit, een symbool van het omknellende schoonheidsideaal dat haar gevangen houdt en waaraan ze van haar moeder al sinds haar babytijd moet voldoen.

James Mollison, Where Children Sleep, t/m 30 april in Flatland Gallery, Utrecht. www.flatlandgallery.com. Boek uitgegeven door Chris Boot, Londen