Een schatkist aan nieuwe feiten over Genet

Jean Genet groeide op bij pleegouders en in tuchthuizen. Kiki Coumans stuitte tijdens de vertaling van Dagboek van een dief op brieven van zijn moeder, die Genet nooit heeft gekend.

Jean Genet in 1957

Op 21 juni 1950 stuurt Gerard Reve een kaartje uit Parijs naar W.F. Hermans. Met diens vrouw Hanny Michaelis is hij daar begraafplaatsen aan het bezoeken. ‘We kopen Sartre en lezen zonder woordenboek’, schrijft hij. ‘Er is ook pas een heerlijk flikkerboek uitgekomen, Journal du voleur van Jean Genet. Sartre zou er een voorwoord bij schrijven, dat ten slotte een nieuwe Sartre werd van 600 bladzijden.’ Twintig jaar later noemt Reve Jean Genet nog steeds een van de schrijvers die zijn stijl het meest hebben beïnvloed, samen met Flaubert, Céline en Toergenjev.

Dagboek van een dief, zoals de onlangs verschenen nieuwe vertaling van mijn hand heet, is behalve dat ‘heerlijke flikkerboek’ een verslag van het zwervende leven van Genet door Europa in de jaren dertig, geschreven in rauwe en poëtische taal. Stelend, bedelend en hoererend slaat de hoofdpersoon zich door het leven. Hij slaapt in groezelige kamertjes bij mannen met wie hij vaak niet-wederkerige liefdesrelaties heeft. ‘Luizen’ noemt hij zijn huisvrienden: ‘Ze gaven onze kleren een zekere levendigheid, een uitstraling, en als ze weg waren, hadden onze kleren iets zielloos.’ In het boek demonstreert Genet zijn persoonlijke, omgekeerde waardensysteem: hij verheerlijkt misdaad en misdadigers, en verraad is voor hem de hoogste deugd.

Een vaste woonplaats heeft Genet sinds zijn dertiende niet meer gehad: internaten, legerkampen, gevangenissen en hotels waren zijn habitat. Hij werd op 19 december 1910 in Parijs geboren en werd enkele maanden later door zijn alleenstaande moeder afgestaan. Zoals destijds gebruikelijk was, belandde hij in een pleeggezin in de Morvan, waar de ‘pleegkindvergoeding’ voor de boerengezinnen een welkome aanvulling op het gezinsinkomen was en een stel extra handen het werk op de boerderij verlichtte. Genet had het geluk dat hij in een timmermansgezin werd geplaatst, met een pleegmoeder die dol op hem was. Hij hoefde alleen maar af en toe een koe naar een weiland te brengen. Hij was een rustig jongetje dat graag las en het goed deed op school, maar vanaf zijn tiende ook regelmatig stal.

Nadat zijn pleegmoeder overleed en hij op zijn dertiende het gezin moest verlaten voor een opleiding, volgde een leven van weglopen en tuchthuizen – en vervolgens het Vreemdelingenlegioen. Weer terug in Frankrijk begon hij te stelen om in zijn onderhoud te voorzien (een politierapport beschreef hem als een ‘specialist in boeken en speciale edities’) en maakte zich schuldig aan vervalsing van identiteitspapieren, ‘vagabondage’ en illegaal wapenbezit, waardoor hij zestien maal in de gevangenis belandde.

In 1942 begon hij in de gevangenis te schrijven en publiceerde hij ‘Le Condamné à mort’, een lang gedicht over een jonge, onthoofde gevangene, Maurice Pilorge, dat de aandacht van Jean Cocteau trok. Samen met kunstenaars als Sartre, Gide en Picasso wist Cocteau hem uit de gevangenis te krijgen, met een brief aan de president, waarna hij zich geheel op het schrijven kon richten. Vanaf 1944 publiceerde Genet in hoog tempo romans en toneelstukken (Les Bonnes is het bekendste, dat in 2018 nog werd opgevoerd door Toneelgroep Amsterdam), waarvan de eerste clandestien verschenen vanwege de censuur. Na 1961 stopte hij abrupt met zijn literaire werk, en ging hij zich inzetten voor militante organisaties als de Black Panthers en de plo.

Genet begon in 1945 te schrijven aan Dagboek van een dief. In 1946 verscheen een voorpublicatie in Sartre’s toen net opgerichte tijdschrift Les temps modernes, die W.F. Hermans verbaasd deed constateren ‘dat een inbreker zo goed schrijven kan’. In 1948 werd het boek, net als twee eerdere romans, anoniem in Zwitserland gedrukt in een oplage van 410 exemplaren. Gaston Gallimard toonde interesse voor een uitgave, maar drong aan op ingrijpen in de expliciete (homo)seksuele passages. Genet paste het boek aan en het verscheen in 1949.

Tijdens het vertalen van dit boek kwam ik tot de ontdekking dat de Engelse vertaling – in tegenstelling tot wat erin vermeld staat – niet op de uitgave van Gallimard was gebaseerd, maar op de ongekuiste versie. Bij het ontwarren van de vaak ingewikkelde zinsconstructies (Proust was een voorbeeld voor Genet) raadpleegde ik regelmatig de vertaling van Genets vriend en agent Bernard Frechtman, en tot mijn verbazing stuitte ik op een flink aantal passages die in het origineel ontbraken. De eerste keer betrof het de beschrijving van een beduimeld tubetje vaseline dat door de Spaanse politie bij Genet in beslag was genomen en in een politiebureau op tafel lag. Door het voorwerpje zou hij zich vernederd en beschaamd kunnen hebben gevoeld, maar Genet beschrijft het als een relikwie op een altaar. In de Franse versie zegt hij over het tubetje: ‘waarvan u wel weet waarvoor hij dient’. In de Engelse vertaling was de beschrijving veel specifieker: ‘the tube of vaseline, which was intended to grease my prick and those of my lovers’. Aanvankelijk dacht ik dat de vertaler deze ‘uitleggend’ vertaald had, maar toen ik op steeds meer verschillen stuitte, werd duidelijk dat de basis van deze vertaling de ongekuiste versie was.

Tot op de dag van vandaag lezen Fransen dus een kuisere versie dan de Amerikanen en Engelsen, zonder dat beide lezersgroepen zich daarvan bewust zijn. De eerste Engelse vertaling verscheen in 1954 in Parijs bij Olympia Press, met een expliciet verbod op verkoop in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Pas in 1964 kwam het boek in de VS en het VK op de markt. Aangezien Genet naast expliciete scènes ook enkele niet-erotische passages heeft gewijzigd, kun je zeggen dat hij de tweede versie als de definitieve tekst beschouwde. Toch blijft dan de vraag waarom hij in 1954 de eerste versie aan zijn vertaler heeft gegeven. Hij heeft er namelijk wel de voetnoten van de Gallimard-editie aan toegevoegd. Van Gallimard kreeg ik helaas geen toestemming de eerdere versie te vertalen.

Het patroon van weglopen, liefst naar een havenstad, zou Genet vaak herhalen

Tijdens het vertalen van Dagboek van een dief – en De koorddanser, een poëtische tekst over een geliefde van Genet – stuitte ik op Matricule 192.102, een soort biografie van Albert Dichy over Genet in de tijd vóórdat hij schrijver was, gebaseerd op een dossier van Genet in het Parijse gemeentearchief. Aangezien Genet als kind was afgestaan, had de Armenzorg een dossier over hem bijgehouden tot zijn meerderjarigheid (21 jaar). Tot mijn verrassing kon ik dit dossier in Parijs gewoon opvragen, ondanks privacygevoelige informatie als medische en psychologische rapporten. Nadat ik aanvankelijk werd afgescheept met een kist vol gekopieerde A4’tjes kreeg ik een kloek kilo papierwerk in handen, wat een schatkist van feiten over Genets woelige jeugd bleek te zijn.

Ik stuitte al meteen op een paar schrijnende gegevens over zijn vroegste jeugd. In het dossier zitten namelijk ook brieven van zijn moeder, waarvan Genet het bestaan nooit heeft geweten. Ironisch genoeg kreeg ik, een buitenstaander, zo toegang tot documenten die voor hemzelf niet toegankelijk waren.

Jean Genet in 1920

Op zijn dertigste richtte Genet zich tot de Armenzorg om meer te weten te komen over zijn ouders, waarop hij een ‘verklaring van herkomst’ ontving. Hierop is de ruimte voor de naam van de vader leeg, en bij zijn moeder staat: ‘Camille Gabrielle Genet’. Een verzoek om meer gegevens, een jaar later, werd afgewezen: volgens de wet mochten alleen ouders contact zoeken met hun kind, niet andersom. Wel wist hij een geboorteakte in handen te krijgen waarop naast de naam van zijn moeder ook het adres stond waar hij ter wereld kwam. De enige twee feiten die hij had, staan vervormd in Dagboek van een dief: het huisnummer van de kraamkliniek was 89, Rue d’Assas (en niet 22), en de eerste naam van zijn moeder: Camille en niet Gabrielle (dat was haar tweede naam).

Jaren later kwam er een brief van de gemeente voor Genet bij zijn uitgeverij: hij zou toch het dossier mogen inzien. Genet verscheurde de brief: ‘C’est trop tard.’ De brieven van zijn moeder die mij zonder belemmering werden overhandigd, heeft hij dus nooit gelezen.

Wat er allereerst uit duidelijk wordt, is dat zij haar kind met pijn in het hart heeft moeten afstaan en dat ze geprobeerd heeft dat te voorkomen. Toen Genet twee maanden oud was, vroeg Camille Genet financiële steun aan de gemeente omdat ze ‘plotseling in de steek was gelaten’ door haar ‘vriend’ en zichzelf nauwelijks in leven kon houden als wasmeisje. Ze had haar kind ondergebracht bij een oppas buiten Parijs, die ze niet kon betalen van de tweeënhalve franc die ze per dag verdiende. Ze kon hem niet eens bezoeken. De steun van de gemeente was niet afdoende, en nadat ze hem enkele maanden later ‘met pijn in het hart’ had afgestaan, bleef ze naar haar kind informeren, steeds in keurig geschreven en correct gespelde brieven, waarin ze haar leed uitvoerig beschreef: ‘Heb medelijden met mij en mon pauvre petit Jean’ en ‘Ik hoop dat hij zijn arme moeder later zal vergeven’. In het dossier is ook de naam van de vader terug te vinden: Frédéric Blanc, geboren in Bretagne. Genet heeft zijn naam waarschijnlijk nooit geweten.

Zijn moeder heeft nooit contact met hem kunnen zoeken omdat ze al op haar dertigste blijkt te zijn overleden. De kleine Jean was toen acht. Op 13 februari 1919 werd ze vanwege ‘grippe’ opgenomen in het ziekenhuis, een dag later heeft ze nog om informatie gevraagd. Dat was tien dagen voor haar dood: op 24 februari is ze overleden, vermoedelijk aan de Spaanse griep die het land toen teisterde.

Een ander opmerkelijk feit is dat in de brieven die ze kort voor haar dood aan de Armenzorg schreef, niet alleen naar Jean informeert, maar ook naar een tweede kind, Frédéric, die drie jaar later was geboren. ‘Mijn huidige toestand stelt me niet in staat ze terug te nemen maar ik zou graag willen weten hoe het met ze is’, schrijft ze in de zomer van 1913, een paar maanden nadat ze ook dit kind had afgestaan. Het kan haast niet anders of hij was van dezelfde vader, aangezien hij diens voornaam droeg: Frédéric. De Armenzorg kon dit jongetje toen niet meer terugvinden in de registers, wat er waarschijnlijk op wijst dat hij was overleden. Opmerkelijk is verder dat ze in deze brief over Jean, haar eerstgeborene, zegt dat ze had gehoopt hem terug te nemen, maar dat dit niet meer kon toen ‘het andere kleintje is gekomen’.

Genets graf is het enige graf zonder kruis op een christelijk, Spaans kerkhof in Marokko

Het archief geeft een fascinerend beeld van de woelige tienerjaren van Genet. Toen hij dertien jaar was, moest hij zijn pleeggezin in de Morvan verlaten. Zijn pleegmoeder was overleden, waardoor hij op zijn tiende voor de tweede maal een moeder had verloren. Doorgaans werden kinderen van de Armenzorg dan als knecht op een boerderij tewerkgesteld, maar de jonge Genet achtte men daar niet geschikt voor aangezien hij zich ‘in het geheel niet aangetrokken voelde tot werk in het veld’, zoals in een verslag staat. Hij werd beschreven als een ‘jongen met een zeer zachtaardig karakter en een voorbeeldig gedrag’. Omdat hij op de lagere school bovengemiddeld had gepresteerd, kreeg hij de kans op een betere toekomst dan de meeste afgestane kinderen, hij mocht namelijk een opleiding volgen tot typograaf.

Het was een school met een aanmoedigend, weinig repressief klimaat, maar toch was Genet na tien dagen verdwenen. Bestemming: Nice. In de krant verscheen een advertentie, ‘Disparition d’enfant’, waarin hij werd beschreven als een jongen met ‘donkerbruin, kortgeschoren haar, blauwgrijze ogen, vrij groot voor zijn leeftijd’, gekleed in een ‘korte broek, een lange cape met capuchon en een alpinopet’.

Hij was te voet naar Parijs gegaan en had daar – zonder kaartje – de trein naar Marseille genomen. Van daaruit was hij ’s avonds doorgereisd naar Nice, waar hij rond middernacht was aangekomen. Dit patroon van weglopen, liefst naar een havenstad, zou hij nog vele malen herhalen, blijkt uit de vele telegrammen in het archief, met varianten op de mededeling ‘pupille Genet enfui’ (leerling Genet weggelopen), en uit de politierapporten als hij weer eens uit een trein was geplukt zonder geldig kaartje.

Krap een maand na zijn eerste ontsnapping wist hij, nog maar dertien jaar oud, uit het politiebureau van Grasse te ontsnappen. Hij klopte tijdens zijn vlucht gelukkigerwijs aan bij een boerderij waar twee begripvolle Engelse vrouwen hem onderdak gaven. Een van de twee, Camilla Treadwell, schreef een brief aan de politie en vertelde dat ze zich aan de jongen had gehecht en hem ‘oprecht, van goede wil, beleefd en dapper’ vond. Bij deze dames mocht hij zijn veertiende verjaardag en de Kerst van 1924 doorbrengen. De directeur van de school waar hij was weggelopen wijdde intussen een brief van vier kantjes aan de ontsnapping en benadrukte dat de jongen absoluut niets te klagen had gehad op de school. Hij merkte op dat Genet een ‘verwijfd’ en ‘ietwat artistiek’ voorkomen had en verklaarde de vlucht uit de ‘intensieve lectuur van avonturenromans’. Voor zijn ontsnapping had Genet volgens hem blijk gegeven van de wens om naar de Verenigde Staten of Egypte te gaan en daar ‘in de film’ te gaan werken.

Hierna werd Genet te werk gesteld als assistent van een blinde componist, René de Buxeuil. Na een halfjaar moest deze de jongen terugsturen naar het weeshuis van de Armenzorg, onder meer omdat er geld was verdwenen. In het verslagje hiervan staat dat de jonge Genet volgens de componist ‘tekenen van geestelijke gestoordheid’ vertoonde, en zich regelmatig overgaf aan ‘onbegrijpelijke uitingen’. Hierop werd hij in een ziekenhuis door een zenuwarts onderzocht, die vaststelde dat er inderdaad sprake was van ‘een zekere mate van zwakzinnigheid en geestelijke instabiliteit’ en dat speciaal toezicht vereist was, waarop hij werd opgenomen in een psychiatrische kliniek, het Institut neuropsychiatrique du patronage Rollet. Ook hier liep hij vrijwel direct weg, waarna hij opnieuw afreisde naar Marseille. Hij was inmiddels vijftien jaar oud. Weer volgde een aaneenschakeling van arrestaties wegens reizen zonder vervoerbewijs en ontsnappingen.

Om aan dit vluchtgedrag een halt toe te roepen, werd besloten hem in de ‘agrarische strafkolonie’ van Mettray te plaatsen, in feite een jeugdgevangenis, waar hij tot zijn meerderjarigheid (21 jaar) moest blijven. Ironisch genoeg was dit tuchthuis volgens Genet niet omringd door muren, maar door bloemen. Als een pupil ontsnapte, ging er een bel af, haalden de boerinnen in de omgeving de was binnen en gingen de boeren op zoek naar de wegloper. In deze bikkelharde, mannelijke wereld van tucht en dwangarbeid (Genet maakte dertien uur per dag borstels) ontlook zowel zijn homoseksualiteit als zijn liefde voor de Renaissance-dichter Ronsard, van wie de invloed in de zinnen van Dagboek van een dief duidelijk te zien is. Om vervroegd uit Mettray weg te komen, ging Genet op zijn achttiende in dienst en maakte hij in de jaren dertig deel uit van wisselende legers die hem in Marokko, Syrië en Libanon brachten.

Zo tekent zich aan de hand van al deze documenten een leven af van een permanente vlucht. Genet heeft zijn hele leven geen thuishaven gehad; hij was aan niets of niemand gebonden. De twee mensen die dicht bij hem stonden, pleegden zelfmoord: zowel Genets vriend en vertaler Bernard Frechtman als zijn geliefde Abdallah, die wordt bezongen in De koorddanser. Beiden voelden zich door hem verraden.

Genet heeft nooit een vast woonadres gehad en voelde zich niet verbonden met zijn geboorteland Frankrijk. Hij overleed in een Parijs hotel, op 15 april 1986, een dag na zijn vriendin Simone de Beauvoir (Dagboek van een dief is aan haar en Sartre opgedragen) en is op eigen verzoek begraven in Marokko. Zijn graf is het enige graf zonder kruis op een christelijk, Spaans kerkhof in Larache.

Het kerkhof ligt heel toepasselijk tussen een gevangenis en een bordeel en Genets graf kijkt uit op de zee. In het roerende filmpje Three Stones for Jean Genet (te vinden op YouTube) is te zien hoe Patti Smith, die een bezield voorwoord schreef bij de nieuwste uitgave van A Thief’s Journal, dit graf bezoekt om de drie steentjes neer te leggen die ze in 1981 uit een door Genet bezongen strafkolonie in Frans-Guyana voor hem had meegenomen.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.