Een schelfhoutje tegen de winterkou

‘Andreas Schelfhout en zijn tekeningen’, 27 augustus tot en met 13 november, Teylers Museum, Haarlem
Andreas Schelfhout (1787-1870) was geen geletterd man. Nogal onbeschaafd eigenlijk, zeker in een tijd waarin zijn even beroemde collega Barend Koekkoek zijn toornige verbazing uitsprak over ogenschijnlijk zeer nette, naar de laatste mode geklede kunstenaars die nota bene met een schetsboek overstraat gingen. Schelfhout woonde zijn hele leven in Den Haag, en dat liet hij merken ook, volgens een pijnlijk getroffen criticus, die uit zijn mond optekende:‘Ja, vin je dat nou nogal niet een net blaauw jassie, da'k hier an hip, ja da kosj me ook f15,-.’

De meeste van zijn tijdgenoten konden zich echter, net als mevrouw Bosboom-Toussaint, wel verzoenen met het ‘minbeschaafde zijner vormen'vanwege'zijn gevoeligheid voor de natuur, zijn begrijpen van haar eenvoudig schoonwaar anderen het niet zien’. Nu nog, of beter gezegd: weer, behoren de landschapsschilderijen van Schelfhout en Koekkoek tot de meest gezochte en duurst betaalde kunstwerken op de markt: hedendaags blauw bloed - de offshore-baronnen en vleeskoningen - telt grif tachtigduizend gulden neer voor een zomerlandschap of een 'Schelfhoutje’, zoals een nostalgisch ijsgezicht is gaan heten sinds de schilder er zijn specialiteit van maakte.
In de jaren twintig van de vorige eeuw waren de winters buitengewoon streng,met alle leed van dien. Zo niet voor Schelfhout. die maakte er uiterst genoeglijke landschappen van, gedompeld in onwerkelijk warm gekleurd en regelmatig vallend licht. 'Alleen zoals Schelfhout het winterlandschap schildert kunnen wij er genoegen in scheppen’, noteerde een tijdgenoot.
In het nooit volprezen Teylers Museum in Haarlem huist Neerlands belangrijkste collectie tekeningen van Schelfhout. Het album met 83 gekleurde platen dat het museum vier jaar na zijn dood aankocht, vormt de kern van een tentoonstellingvan tekeningen en schilderijen van Schelfhout, aangevuld met doeken van tijdgenoten als Koekkoek en Wijnand Nuyen.
Niets dat het werk van de Nederlandse romantici zo doordesemde als de schilderkunst van de Gouden Eeuw. In een moderne tijd die werd ervaren als een opleving op allerlei terrein na een lange periode van teloorgang, trachtten kunstenaars door evenaren, ja zelfs overtreffen van de zeventiende-eeuwse volmaaktheid de moderne tijd te legitimeren en glans te geven. De vele verschillende genres werden dan ook met verve beoefend en het landschap torende daar als nationaal genre bovenuit.
Schelfhout werd gezien als degene die de nationale schilderkunst zou kunnen redden, en met een orientatie op zowel de technieken als de onderwerpskeuzeen compositie van de zeventiende eeuw kweet hij zich bekwaam van die taak. Weliswaar vermeed hij dode bomen en andere onwelvoeglijkheden waar Ruysdael zijn hand niet voor omdraaide, maar uit kleurgebruik en compositie blijkt de directe invloed van het bewonderde erfgoed.
Evenals in de Gouden Eeuw gebruikelijk was, liet Schelfhout de figuren op zijn doeken penselen door gespecialiseerde figuren- en veeschilders. Hoewel deze stoffering vaak eigentijds gekleed ging en Nederland er nog grotendeels bijlag als twee eeuwen daarvoor, ademen de romantische landschappen een weemoedige hang naar een rustige, overzichtelijke en tegelijkertijd heroische samenleving. Dat is wat de landschapsschilderijen van de eerste helft van de vorige eeuw uiteindelijk duidelijk doet verschillen van hun grote voorbeelden:door hun bezeten natuurgetrouwheid, hun parmantig gladde, transparante schilderoppervlak en hun bedachte 'toevalligheid’ sloten ze even goed aan bijde voorkeur van het burgerlijke publiek als Avercamp, Cuyp en Van Goyen dat deden in wat korte tijd geleden nog onbezwaard een 'vroeg-kapitalistischemaatschappij’ heette.
De zweem van heimwee naar een voorgoed voorbije tijd, gekoppeld aan het streven naar een 'echter dan echte’ weergave dat ongeveer tegelijkertijd de ontwikkeling van de fotografie voortjoeg, maken de werken van Schelfhout en de zijnen tot onmiskenbare produkten van de burgerlijke negentiende eeuw.Schelfhouts enorme produktie en zijn gemakzucht in het kiezen van onderwerpen en compositie leidden al vroeg tot verwijten van 'industrie’: fantasieloze, mechanische herhaling. Het kunstwerk was aangeland in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid.