Een scherm voor ogen

Teksten van een tv-scherm zingen, hoe valser hoe beter: zo kennen we karaoke. Maar karaoke is meer. Karaoke staat voor het geprefabriceerde leven, voor de onstuitbare opkomst van de monitormens
‘IK ZAL HET nog een keer uitleggen.’ Vanaf het podium in de hoek sprak een jongeman in een feestelijk kostuum de cafebezoekers toe. Hij hield een bundel A4-tjes omhoog. ‘Dit zijn de lijsten. Die liggen overal in het cafe. Uw keuze kunt u hier komen doorgeven. En daarna wacht u gewoon tot uw naam wordt afgeroepen. Dan komt u hier op het podium staan, krijgt u deze microfoon, en ziet u daar op de monitor de tekst van het liedje verschijnen.’

Het klonk alsof het dringen was voor de karaoke, maar in werkelijkheid had zich nog niemand gemeld. Het was dan ook de eerste keer dat er karaoke was in het cafe van De Balie in Amsterdam. De primeur vond plaats in het kader van Live Magazine, het levende tijdschrift van De Balie, dat zich afgelopen vrijdag presenteerde met een ‘party-issue’.
Om de afwachtende cafebezoekers over de streep te trekken, gaf de organisatie van Live Magazine het goede voorbeeld. Of liever gezegd: het slechte voorbeeld. De feestelijke jongeman, te herkennen als Balie- medewerker Pieter Hilhorst, bleek even enthousiast als a-muzikaal. En de charmante vrouwelijke collega die samen met hem het eerste lied van de avond door het cafe liet galmen, vertoonde dezelfde combinatie van eigenschappen. Gruwelijk vals klonk hun duet. Soms haperden de zangers even, of ze sloegen ineens een paar woorden over omdat ze het tempo niet konden bijhouden. Maar de muziek ging onverdroten voort, want dat is karaoke. En het duo op het podium bleef stralen en keek elkaar zo nu en dan smachtend in de ogen. Ze speelden dat ze samen een Nederlandse smartlap zongen, in de schijnwerpers van een overvol cafe. Dat was gedeeltelijk nog waar ook, want dat is karaoke. En de toeschouwers klapten en joelden. Ze speelden een geweldig enthousiast publiek. Maar ze dachten ook: dat kan ik beter.
DE KARAOKE in Live Magazine was aangekondigd als iets exclusiefs. Onder de 250 Nederlandse levensliederen waaruit de eventuele kandidaten konden kiezen, zouden zich 'wonderlijke vertalingen van Engelse evergreens’ bevinden, en 'venijnige variaties op bekende Nederlandse liedjes’. De suggestie werd gewekt dat er een subtiele draai was gegeven aan het verschijnsel karaoke. 'Zing onbekommerd smakeloos je favoriete hits.’
Toch leek de vertoning in het Balie-cafe verdacht veel op het spektakel dat de rusteloze zapper op vrijdagavond kan tegenkomen op RTL4. Karaoke op 4 is de titel van dit onbekommerd smakeloze tv-programma. Opgenomen op een plein in pakweg Amersfoort, waar een enorm podium is neergezet met een evenredige geluidsinstallatie. Hier wordt onder de enthousiaste en zeer muzikale leiding van Gerard Joling de ene popklassieker na de andere erdoor gedraaid. Hetzelfde geldt voor een grote hoeveelheid kandidaten. Die staan rijendik opgesteld achter op het podium, met een nummertje op hun borst geprikt. Schijnbaar willekeurig worden ze uit de massa geplukt en naar voren geduwd, waar ze een paar zinnen mogen meebleren aan de zijde van een bekende vaderlandse artiest. In die paar verschrikte seconden moeten ze hun zangtalent bewijzen. De beste shockzangers gaan door naar de razendsnelle tweede ronde en de winnaar maakt morgen zijn of haar debuut op de nationale radio.
Karaoke wordt bij RTL4 een weg naar de Nederlandse top. Een kans om je te presenteren aan producenten en andere talentenjagers, zoals dat ook gebeurt bij de Playbackshow en de Soundmixshow. Maar het tv-programma gaat daarmee voorbij aan het meest wezenlijke aan het van oorsprong Japanse fenomeen. Karaoken - zoals we het optreden in een karaoke-set voor het gemak maar even zullen noemen - is per definitie winnen. Voor de duur van de song sta je aan de top, zingende held in je eigen videoclip. Die hele RTL4-ploeg, die producenten en scouts zijn totaal overbodig. Als je optreedt in een echte karaoke-set ben je al op televisie. Voor je gevoel tenminste.
Dat gevoel wordt veroorzaakt door de televisiebeelden waarin de karaoke-zanger wordt ondergedompeld. De televisie is een essentieel onderdeel van de karaoke-set. Die staat op ooghoogte opgesteld voor de zanger op het podium, en ook in de rest van het cafe zijn verschillende monitoren aangebracht, zodat het publiek kan meekijken en meezingen. Op die televisie verschijnt de tekst in beeld van het lied dat op verzoek van de optredende kandidaat ten gehore wordt gebracht. Uit de muziek is de zangpartij verwijderd, en om die te volgen moet de karaoke-zanger voortdurend naar dat beeldscherm turen. Om het beeld te vullen en de zanger te inspireren wordt de tekst geillustreerd met een filmpje. De beelden blijven dicht bij de tekst; geen poetisch of kunstzinnig gedoe. Dit zijn wel de allerslapste videoclips die je ooit hebt gezien, de filmpjes die speciaal voor karaoke-sets worden gemaakt. Het is muzak voor het oog. Het beweegt, het heeft sfeer, maar het vertelt zo min mogelijk een eigen verhaal.
De tekst op de karaoke-monitoren is voorzien van timing. Met kleuraccenten of met een verspringend bolletje wordt op de monitoren nauwkeurig het ritme aangegeven waarmee de woorden in de muziek moeten worden gemikt. Volg netjes de aanwijzingen en er kan nauwelijks iets misgaan, is de uitnodigende boodschap aan het cafevolk. Op deze manier kan iedereen zingen. Het is heel wat anders dan play-backen: dat vereist oefening. Daarvoor moet je de tekst uit je hoofd hebben geleerd, en precies weten welke adempauzes de nagebootste zanger(es) zich gunt. Voor karaoke hoef je niks te weten. Laat de muziek je oren sturen en de televisie je ogen. Dan komt er bij je mond iets uit, dat gebeurt bijna buiten je wil. Een 'karaoke-machine’, zo wordt zo'n opstelling met microfoon, muziekinstallatie en monitoren ook wel genoemd.
DAT IS HET tegenstrijdige karakter van karaoke. Eenmaal op het podium moet je zelf je stem gebruiken, en daarmee lijkt je rol actief, heldhaftig en kwetsbaar. Maar de muziekinstallatie achter je en de monitor voor je creeren een stijf corset met dwingende voorschriften die weinig ruimte overlaten voor je eigen, creatieve inbreng. Je bent live en toch prefab.
Deze tegenstrijdigheid inspireerde de Engelse schrijver Dennis Potter bij het schrijven van zijn dramaserie Karaoke. (Deze vierdelige serie werd onlangs uitgezonden bij de BBC, en is het komende seizoen bij de VPRO te zien.) Potter ziet karaoke als een metafoor voor de menselijke toestand: we proberen uit alle macht ieder ons eigen leven vorm te geven, terwijl er van alles vastligt waar je geen invloed op hebt. 'The music’s written and performed by someone else, and there’s this piddling little space left for you to sing yourself, but only to their lyrics, their timing.’
Potters Karaoke is net als zijn vorige televisiescripts een veelgelaagde vertelling waarin fantasie en werkelijkheid geraffineerd in elkaar overlopen. Net als The Singing Detective is de hoofdpersoon een schrijver van middelbare leeftijd, een man die opvallende overeenkomsten vertoont met de schrijver zelf. Opnieuw is het een ziekte die de hoofdpersoon voortjaagt. Niet de huidaandoening waar Potters personage in The Singing Detective aan leed. Die was ook in Potters eigen leven op de achtergrond gedreven door een nieuwe ziekte die veel gevaarlijker was. Toen hij Karaoke schreef, wist Potter dat hij binnenkort zou sterven aan de kanker die zijn alvleesklier en zijn lever had aangetast.
In die fatale omstandigheden heeft hij ook zijn hoofdpersoon gebracht. De geestelijke verwarring waarin Daniel Feeld verstrikt raakt, is diep. Er onstaat een verstoring in de manier waarop hij de werkelijkheid waarneemt. In The Singing Detective gaf Potter vorm aan die verstoring door de personages rondom de zieke Michael Gambon in de meest vreemdsoortige playback- acts uit te laten barsten. De zusters en doctoren werden personages in de detective die Gambon aan het schrijven was. Iets dergelijks gebeurt ook in Karaoke. Daniel Feeld komt op straat personages tegen uit zijn eigen script. Hij hoort ze zinnen zeggen die hij geschreven heeft en ziet ze dingen doen die hij achter zijn schrijftafel heeft bedacht. Maar het lukt hem niet om deze zelfbewuste en autonoom functionerende personages ervan te overtuigen dat ze optreden in zijn karaoke-machine. 'I’m a writer’, zegt Feeld tegen een van hen. 'I put words into other people’s mouths. And at the moment it’s all coming true in front of me.’
DENNIS POTTER is niet de enige die het spanningsveld tussen live en prefab in het verschijnsel karaoke herkent. Bij Nederlandse theatermakers zie je een vergelijkbare fascinatie. Zij hebben, nog directer dan televisiemakers als Potter, te maken met de paradox van een vastgelegde, voorgeschreven tekst die door spelers iedere avond 'spontaan’ tot leven moeten worden gebracht. Er waren tijden dat de acteur zoveel mogelijk moest verhullen dat hij de woorden die hij sprak niet ter plekke zelf bedacht. Aan die dwang heeft Maatschappij Discordia een einde gemaakt. Die hebben het karaoke-theater eigenlijk al geintroduceerd toen nog niemand van karaoke had gehoord. Sinds Discordia mag een toneelspeler best laten zien dat er zoiets als een toneeltekst of een script aan zijn optreden ten grondslag ligt. Het kunststukje van het uit het hoofd leren van hele lappen tekst, waarmee acteurs hun publiek makkelijk kunnen imponeren, heeft met het script bij de hand nog nauwelijks waarde. Met als resultaat dat alle aandacht van speler en publiek kan gaan naar de manier waarop de acteur omspringt met 'this piddling little space left for you to sing yourself’. Bovendien is het reuze handig voor acteurs die moeizaam teksten leren.
Maar de meer letterlijke vormen van karaoke-theater verschenen pas de afgelopen tijd op het toneel. Een intrigerend voorbeeld was de voorstelling Animo van Ton Kas en Willem de Wolf. Karaoke als een vorm van publieksparticipatie: vooraan op de tribune was een kleine monitor aangebracht. Halverwege de voorstelling haalden twee handlangers van de spelers toeschouwers over om een van de publieksrollen op zich te nemen. Ze gebruikten dezelfde zachte dwang waarmee de organisatie van Live Magazine ervoor zorgde dat de karaoke-set in het cafe voortdurend was bezet. Als je bijna aan de beurt was, werd je naar voren geduwd, met de opdracht om 'PU3’ te doen, of 'PU7’. Samen met een of twee andere slachtoffers stond je vervolgens verschrikt naar de monitor te turen om haastig alle woorden voor te lezen die voor jouw rol waren geschreven.
Vanaf de tribune zag deze publieksparticipatie er wonderbaarlijk overtuigend uit.
De kleine monitor verdween uit het zicht vanwege de toeschouwers die er voor stonden. Het was alsof ze stonden te wachten voor een interruptiemicrofoon om zich in een verhit debat te mengen. Nog vreemder was de gewaarwording als je zelf achter die monitor PU-nummer-zoveel stond te vertolken. De tekst van de toeschouwers bestond voornamelijk uit scheldwoorden die gericht waren tot de twee acteurs/theatermakers - een soort omkering van Peter Handkes Publikumsbeschimpfung. Kas & De Wolf hadden in het eerste deel van Animo wat halfslachtige pogingen gedaan om ons een theatrale illusie voor te schotelen en waren daar weer voortijdig mee opgehouden. Omdat ze er niet in geloofden. Omdat ze bij zichzelf niet voldoende animo konden bespeuren. Die halfslachtigheid werd door de toeschouwers van scherp commentaar voorzien. En zo stond je dan wijsneuzerig theatermakers uit te schelden. Met scheldwoorden die ze zelf hadden opgeschreven.
De twee acteurs op het toneel deden alsof ze zich aan de hele Beschimpfung onttrokken. Alsof het hen niet aanging, alsof ze erboven stonden (wat in werkelijkheid natuurlijk ook zo was). Sommige toeschouwers deden dat ook tijdens het voorlezen van de teksten, het waren immers hun eigen woorden niet die ze daar uitspraken. Maar ondanks het feit dat niemand ze meende en dat er niemand naar wilde luisteren, werd er een hele reeks scheldwoorden gezegd. Want de tekstband draaide immers door, het was alsof niemand aan die machine kon ontkomen. En als je weer terugliep naar je plaats, had je een vaag schuldgevoel omdat je toch had meegedaan, dat je mond had gesproken zonder dat je hersens er iets bij dachten.
Een jaar daavoor maakten Marien Jongewaard en Rob de Graaf bij Nieuw-West de voorstelling Donald. Een monoloog van een Indiaan op zoek naar authenticiteit. In het eerste deel van de voorstelling bevond deze Indiaan zich nog in de resten van een natuurlijke omgeving. In het derde deel van Donald maakte hij een comeback in de heldengalerij als tv-presentator. De tekst van dit laatste gedeelte werd door Marien Jongewaard opgelezen vanaf een grote monitor die midden tussen de toeschouwers was gezet. Zelf stond Jongewaard op het toneel. Hij leek zich tot het publiek in de zaal te richten en dat suggereerden zijn woorden ook. Maar hij zag niemand. Er was letterlijk een scherm voor zijn ogen. Hij was verblind en gehypnotiseerd door de tv, een mot in het licht, schreeuwend alsof hij in doodsnood was.
Het was een vreemd beeld. Een man die woorden van een beeldscherm haalde, ze daar weer tegen teruggooide en bijna in die woorden stikte. Eenzelfde closed circuit als het gesloten systeem waar Potters Karaoke- personage in terecht komt. 'Ik ben op het verkeerde dieet geweest’, concludeert Daniel Freed als hij terugkijkt op de periode waarin de verwarring het ergste was. 'Eating and drinking my own thoughts.’ Toch is dit beeld ook heel herkenbaar als uitvergroting van een van de ikonen van deze tijd: het beeld van de mens die aan de monitor gekluisterd zit. Of het nou gaat om het beeldscherm van een computer of om een televisie; tekenend voor de mens-achter-de-monitor is z'n gedeeltelijke afwezigheid. Het bewustzijn van de monitormens is elders, in televisieland of in cyberspace, menselijke constructen die hij kan doorzien en waarin hij kan vertoeven zonder verantwoordelijkheid te dragen.
Afwezigheid kenmerkt ook de karaoke- zanger. Die zit met het hoofd in de wolken, ter hoogte van de tekstmonitoren. Zijn of haar lichaam doet zwakjes mee - wat telt is de droom van de zanger, die fantaseert zich wel een bijpassende dans. De toeschouwers aan zijn of haar voeten gaan mee in die droom. Het zijn schimmen, figuranten in een videoclip. De Japanse karaoke-zangers in het script van Potter merken er dan ook niets van als Freed een paar meter van hen vandaan in elkaar zakt. Ze zingen feestelijk door.
DE THEATERMAKERS van Mug met de Gouden Tand noemden hun nieuwe voorstelling Co-Stars aanvankelijk een 'karaoke-soap’. De groep is net als Dennis Potter gefascineerd door de verschillende verhalen die je met het playbacken van liedjes kunt vertellen. Maar ook het beeld van de monitormens staat in meerdere voorstellingen van de Mug op het podium. In Video/Games, de voorstudie van Onder controle, werden er spelers vlak voor een beeldscherm neergeplant met de opdracht om alle bewegingen na te doen van een broodmagere vrouw die op tv over haar eetstoornissen vertelde. Ook in Co-Stars zie je acteurs die een fysieke verbintenis zoeken met televisiebeelden, alsof ze proberen de informatie uit die beelden op een dieper niveau te verwerken. Zo doet Arnoud Holleman een hilarische dans die volledig bestaat uit bewegingen die hij schijnbaar afwezig nadoet van de samenvatting van een biljartkampioenschap op de BBC.
Marcel Musters speelt in dezelfde voorstelling de Nederpop-ster Max. De enige monoloog van Max bestaat uit een interview met de popster dat in de krant is verschenen. Hij leest dit interview voor, zijn eigen woorden, die dus door iemand anders zijn opgeschreven. Tijdens het voorlezen geeft Max commentaar op de tekst. Daarbij zegt hij 'spontaan’ zinnen die iets verderop letterlijk in het interview blijken te staan: zijn clichematige woordenschat is niet groot en zit vol herhalingen. Ook de personages in Dennis Potters Karaoke lijden aan herhaling. De animeermeisjes in de karaoke-bar hebben voor iedere bezoeker precies hetzelfde ontvangstpraatje, dat Daniel Freed nu eens niet herkent uit zijn eigen script. Die herhaling, die letterlijk dodelijk is, dat is het spook wat Freed eigenlijk bevecht. Hij snakt naar new lines, probeert in paniek het eind van zijn script te veranderen - Change the script, is de nieuwe slogan van Pepsi. Maar uiteindelijk legt hij zich neer bij zijn clichematige verliefdheid op een jong hoertje wiens leven hij niet blijvend kan veranderen. En bij het onvermijdelijke einde van zijn leven, dat al vast lag in zijn DNA en wie weet waar nog meer.