FILM Che: Part One Che: Part Two

Een schim in de jungle

De gedempte toon in Steven Soderberghs epos over het leven van Ernesto Che Guevara herinnert aan een soortgelijke benadering in zijn film Solaris uit 2002, waarin de afstandelijke camera op wonderbaarlijke wijze erin slaagt de kijker te laten doordringen tot de psychologie van de personages. Dat werkt te meer in Che, omdat het onderwerp zo beladen is. Iedereen kent Che, niemand kent Che. Het symbool Che is niets meer, leeg, juist omdat het tot in oneindigheid hergebruikt en gereproduceerd is waardoor iedereen zijn eigen Che kan fabriceren. En maak daar maar een film van, sterker, twee films die samen meer dan vier uur duren en die de kern van ‘Che’ blootleggen zonder gebruik te maken van clichés.
Soderbergh is het gelukt. Hij is een regisseur met lef en dat maakt hem interessant. Zijn grootste waagstuk is nog altijd zijn grootste triomf: de remake van Solaris (1972), het poëtische meesterwerk van Andrei Tarkovsky. Met zijn Solaris weet Soderbergh het mystificerende karakter van Tarkovsky’s film te reproduceren met zacht geluid, reflectieve close-ups en trage tracking shots in het ruimteschip. Dat creëert een sfeer van beklemming en introspectie, meditatie, in een setting waarin openheid (de onmetelijke ruimte) overheersend lijkt te zijn.
Precies dezelfde visuele stijl, met uitzondering van de close-ups, kenmerkt Che. Het epos, vooral Part Two, speelt zich vrijwel volledig af in de jungle waar Soderbergh zijn Che (Benicio Del Toro) nog geen twee minuten lang aan het woord laat. Maar zo krijgen de spaarzame momenten waarin hij wel wat zegt, juist extra kracht. Bijvoorbeeld: ‘Als een volksopstand niet wordt gesteund door een gewapende strijd, maakt hij geen schijn van kans.’ En: ‘Hier (jungle, Bolivia – gk) moet je leven alsof je reeds dood bent.’
Che is eigenlijk geen personage, hij is een beeld, een idee. In Part One wordt Che geïnterviewd door een Amerikaanse journaliste. Maar zij praat. En prachtig: zo wordt duidelijk hoe het symbool Che als een zandloper leegloopt, hoe de massamedia het beeld scheppen en vervolgens de kracht van hetzelfde beeld vernietigen door reproductie. Dus: Che luistert – en vertrekt vervolgens naar de jungle. Daar krijgt de echte Che vorm, het idee Che, de onzichtbare, gevaarlijke Che. Dat gebeurt ironisch genoeg zonder media, behalve Soderberghs camera, die dan ook nog op afstand blijft. In de jungle sterft de mens en wordt de mythe geboren, ongezien.
Beelden, dát was Che, en dat zijn deze films. Stille beelden, want de vijand nadert. En onharmonische muziek, want het leven van een guerrillero is een chaos. In de verte, wazig, krijgt hij gestalte: Che, de mens, Che de vechter, die op z’n gelukkigst is in het bos tussen zijn mannen, waar hij vecht of leest of brieven schrijft aan Sartre of Russell, of teken verwijdert uit het oog van een boerenzoon of met een tang de ontstoken tand van een oma trekt. Zelfs hier, in Bolivia, staat Soderbergh de kijker niet toe dicht bij Che te komen. Sommige van zijn eigen mannen weten niet eens wie Che echt is. Hij gebruikt schuilnamen; hij is ‘niemand’, een schim.
Che: Part One is nu te zien; Part Two: 2 april