Een schitterend meisje

WANDA REISEL
DIE ZOMER
Querido, 214 blz., € 18,95

In deze roman leven we mee met het meisje Dana, zestien jaar, die toeschouwer is en dat niet wil zijn. Ze wil deelnemen maar voelt zich toch altijd buitenstaander. ‘Dana keek door een soort bubbel naar de mensen, alsof ze er zelf buiten stond.’ En iets verderop staat het zo: ‘Je zo vrij mogelijk bewegen, zonder ballast van wat dan ook, dat moet je streven zijn. Draag het licht, niet dat getob van jou, zeggen ze.’ Wanda Reisels personage is uiteraard sterk verwant met andere literaire helden of antihelden die aan een te grote zelfreflectie lijden. Frits van Egters uit De avonden van Reve bij ons bijvoorbeeld, of Holden Caulfield van J.D. Salinger.
De schrijfster geeft ons een inkijkje in hart en ziel van dit uitermate sensitieve meisje dat aan alles ‘meedoet’ wat er zoal in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan meedoen in Amsterdam te beleven was. Wiet roken, schuinsmarcheren, naar Parijs gaan, met leraren in bed belanden, deelnemen aan vage muzikale happenings die alles zouden veranderen wat er maar te veranderen was. Mooi is het begin van de roman. ‘Weet jij wat liefde is’, vraagt haar onbetekenende vriendje Arthur die boven op haar ligt. ‘Zijn gezicht zweefde bewegingloos vlak boven het hare, zijn adem scherp van sigarettenrook. Nee, zij wist niet wat liefde was. Ze verdwaalde liever in die warme mond van hem met daarin het natte dier dat haar tong omslingerde als een wild geworden aapje. Ze moest zich goed op haar ademhaling concentreren.’
Je ziet het voor je, een stel jongeren aan het tongzoenen en tegelijkertijd aan het denken of ze wel góed aan het tongzoenen zijn. Slagen we erin te voldoen aan datgene wat men verwacht van de tongzoen in kringen waarin wij verkeren? Voldoen we aan wat we van onszelf verwachten? Zijn we wel bevrijd genoeg? Zijn de feestjes die we bezoeken wel correct anarchistisch genoeg? Deugen we wel in het algemeen?
Reisel slaagt erin deze dubbelzinnigheid van het kijken en bekeken worden haar hele roman door overeind te houden. Ze geeft daarbij niet toe aan de grote sentimenten die Dana beroeren en van haar zo’n ongemeen schitterend meisje maken. Ze maakt van haar een aarzelend meisje, eentje dat alles doorziet, dat daaraan lijdt, maar tegelijkertijd nog altijd een meisje wil blijven, misschien het liefste voor altijd en eeuwig. Je moet wel gek zijn niet van haar te houden, compleet met haar dwarskoppigheid, meeloopgedrag en dwaze verwarringen. We zien ze nu ook wel lopen of fietsen, kijk maar om je heen. Stoere meiden op krakkemikkige fietsen, in de juiste jasjes en broeken, schetterend en schaterend met elkaar, ondertussen alles in zich opzuigend en kijkend, luisterend, proevend van wat er allemaal te zien is. Ben ik goed? Voldoe ik, ja, aan ik weet niet wat? Ga ik er iets van maken? Ben ik gelukkig? Of dan toch maar ongelukkig?
Reisel maakt van Dana een meisje dat al haar zintuigen inzet om de wereld te verkennen en te bevatten. Het gaat te ver in dit klein bestek de uitvoerige zintuiglijke metaforiek van deze roman in kaart te brengen, zie bijvoorbeeld de beschrijving van de tongzoen hierboven waarbinnen direct verschillende zintuigen op scherp worden gezet: voelen, proeven en ruiken. Dana zet al haar zintuigen in om de wereld te veroveren en Reisel laat het ons voortdurend zien en voelen, mooi geformuleerd in de volgende kernachtige zin die er tegen het einde ineens staat: ‘Wat je met je ogen zag was maar de helft van wat er gebeurde.’ Misschien formuleert deze zin op het scherp van de snede wat het schrijverschap van Reisel zo belangwekkend maakt: graven naar wat je niet kunt zien en vervolgens dat zintuiglijk in beeld brengen.
Reisel zorgt ervoor de nodige afstand tot haar personage te bewaren, ook al houdt ze van Dana, en hoe, misschien is of was ze ooit voor een deel Dana (zijn we niet altijd voor een deel onze personages?). Ze kruipt dus liefdevol in haar hoofd, maar af en toe laat ze haar ook los. Dan kijkt ze van grotere afstand naar haar en krijgt haar roman bijna documentaire trekjes waarbij een tamelijk afstandelijke verteller ons in een paar brede, panoramische schetsen ‘de’ vroege jaren zeventig voorzet. Ik ben het met deze scènes niet eens. Ze geven te veel een algemeen beeld van wat de media ons de laatste decennia keer op keer proberen voor te houden wanneer het over deze tijd gaat. Schrijvers moeten daar niet aan meedoen.
De figuur Dana is opgebouwd uit mooie details, uit precies schrijven, uit de metaforiek van het niet willen weten. Zonder schema’s en invullingen. Bij haar speelt het onbekende de hoofdrol, zoals dat uiteraard moet in goede literatuur. In de meer ‘historische’ schetsen sluit Reisel te veel aan op het bekende, dan zijn er te veel beelden en zinswendingen die alleen brede en al lang bekende en geziene stemmingen in scène zetten. ‘Een warme golf overspoelde alles, een kalme revolutie, alles doorzichtig, gooi open de instituties, de verhoudingen, de huwelijken, de deuren, de ramen en de geslachten, weg met alle knellende banden, de bh’s, de grenzen, weg met religieuze duisternis en bedompte achterkamers, weg met hypocrisie en burgermansangst, maak deel uit van een utopische leefgemeenschap, iedereen mag er zijn, iedereen kunstenaar van zijn eigen leven, iedereen beroemd!’ Ironie natuurlijk, ja, dat ook, maar toch staan hier weer de bekende zinswendingen, zonder afdoende tegenwicht.
Genoeg gezeurd, Wanda Reisel schiep een prachtig meisje waar ik me voortdurend mee wilde bemoeien. Doe het niet Dana, hoorde ik me vaak genoeg denken (en roepen), die Tessa is een trut, dat je dat niet ziet, en die biologieleraar moeten ze opknopen aan de hoogste boom in het Vondelpark. Zo’n boek is dit.