Een schrijfster om bang voor te zijn

Ook in haar nieuwe boek zet Rachel Cusk zichzelf weer op scherp. Het lukt haar om over vrouwen te schrijven alsof het mensen zijn. En te onderzoeken hoe een geschreven leven kan samengaan met een geleefd leven.

Rachel Cusk introduceerde ‘vrouwelijke’ onderwerpen in de literatuur voordat het bon ton was © Laura Pannack / Camera Press

Dat was nieuw, de onverbloemdheid waarmee Rachel Cusk na de publicatie van haar essaybundel Coventry twee jaar geleden in een interview liet weten in haar nieuwe roman ‘vrouwelijkheid’ te willen onderzoeken en daar niet langer meer voor weg te willen lopen. Ze beschouwde het zelfs als een opdracht erachter te komen wat vrouwelijkheid is, juist als vrouwen ouder worden en hun taak er in feite op zit. Wat zijn de mogelijkheden nog voor hen om in het leven te staan, anders dan in verwarring of in ontkenning verder te gaan?

Was Cusk niet juist de schrijver die weliswaar schreef over vrouwen versus mannen, maar dit liever niet benoemd zag als iets vrouwelijks, of feministisch? ‘Ik ben een van zelfhaat vervulde travestiet’, schreef ze in Coventry, in het essay Nasleep (niet te verwarren met de gelijknamige roman, al gaan ze beide over de nasleep van haar echtscheiding). Wat ze van feminisme in de praktijk had gebracht, lichtte ze toe, waren de mannelijke dan wel vrouwonvriendelijke waarden die haar ouders op haar hadden overgedragen. Het moederschap bijvoorbeeld, om maar iets te noemen, zou met de bijkomende sentimentaliteit en het onvermijdelijke narcisme de ‘objectieve’ schrijver die ze wilde zijn alleen maar in de weg zitten.

Een grappige uitspraak uit de mond van Cusk, want als iemand over het moederschap schreef, en schrijft, dan was zij het wel, zij het anders dan het vóór haar was gedaan. In navolging van Simone de Beauvoir zag Cusk het als de grootste valkuil voor de vrouwelijke schrijver het schrijven te gebruiken als een vorm van escapisme, confrontaties uit de weg te gaan en in de vrouwelijke behaagmodus te blijven hangen. De onafhankelijke vrouwelijke schrijver, zo betoogde ze in Coventry, in het essay De zussen van Shakespeare, zou moeten durven waarop Virginia Woolf al zinspeelde in A Room of One’s Own: de romankunst afbreken – de zinnen, hun volgorde, de romanvorm zelf – om haar eigen literatuur te maken, ook als dat zou betekenen iets verschrikkelijk langdradigs te produceren. Het zou een ‘boek van de herhaling’ moeten zijn, net zo langdradig als het huishouden, het moederschap, het gezinsleven. Dat ze daarmee zou riskeren nooit in aanmerking te komen voor de Man Booker Prize, soit. Opnieuw ironisch, want met haar meest recente roman, Second Place, dit voorjaar in vertaling verschenen als De tweede plaats, belandde ze op de longlist van deze prijs, en staat ze wellicht inmiddels op de shortlist.

Zowel lezers als critici moesten wennen aan een schrijfster die ogenschijnlijk openhartig is over haar eigen leven, nabij geworstel tot in detail beschrijft, maar dat op een abstracte manier doet, koud, neerbuigend soms, en inderdaad per se níet behaagziek. Schrijven is het tegenovergestelde van leven, zo betoogde ze in het essay Hoe je er komt. De kunst is ‘een gevoel van werkelijkheid’ te scheppen. ‘Een schrijver die een subjectieve inhoud in een objectieve vorm kan gieten, kan zo vergezocht schrijven als ze wil.’ En dus kan een vrouw bij haar in de spiegel kijken en een kakkerlak in haar haren ontdekken, een ondraaglijk weerzinwekkend beest dat zich heeft vastgezet in haar hoofdhuid, zoals in Arlington Park. Of op zomaar een zonnige dag in de trein stappen en aldaar de duivel zien zitten, pafferig en zwetend, met gemene gele ogen, zoals in haar meest recente roman.

Wie Cusks oeuvre tot nog toe overziet, ziet een schrijfster die in toenemende mate het persoonlijke aan het kunstzinnige paart, en telkens een meer uitgebeende vorm vindt om haar levenservaring te boekstaven. Ik bedoel letterlijk ‘levenservaring’, dat wat ze ervaart in het leven, wat ze meemaakt, wie ze ontmoet, hoe ze denkt, en wát. In feite vormen al Cusks ongelijksoortige boeken – memoirs, romans, essays – een levende autobiografie, een parallel geschreven leven naast het geleefde leven. Het is niet heel ingewikkeld om haar uiterlijke verschijning – al mag je daar officieel gezien als literair criticus niet al te veel gedachten aan wijden – en de dingen die ze in interviews over zichzelf vertelt, terug te vinden in haar werk, sterker nog: die geven haar werk zijn geladenheid, of om het wat naïever te zeggen: zijn echtheid.

In het geleefde leven nam ze na een ‘liefdeloze en repressieve jeugd’, grotendeels doorgebracht op een kloosterlijke kostschool in Cambridge, afstand van haar ouders. Het zegt veel over haar milieu dat het feitelijke breekpunt was dat haar vader zich kleinerend over Hilary Mantel dacht te kunnen uitlaten. Ze ontmoette haar eerste man toen ze in Oxford studeerde. Na de geboorte van hun beide dochters verlieten ze Londen voor Brighton en zei hij zijn baan als jurist op. Terwijl zij zich aan haar boeken wijdde, nam hij de zorg op zich voor de kinderen en het huishouden. De constructie hield dertien jaar stand, inclusief een driemaandelijks verblijf in Italië met het gezin waarover ze Het laatste avondmaal (2009) schreef.

De onafhankelijke schrijfster zou volgens Rachel Cusk haar eigen literatuur moeten maken

In het geschreven leven kon ze de verbijstering verwoorden over de schaduwwereld waarin vrouwen terechtkomen als ze moeder worden – In het land van moeders (2001) – of als ze ’s ochtends wakker worden naast degene die gisteren nog hun geliefde was en vandaag een vreemde – Arlington Park (2006). Haar verbijstering lijkt met de jaren ontzetting te worden, boosheid, over de frictie tussen huwelijk en vrijheid – De Bradshaw variaties (2009) – en het leven na de scheiding – Nasleep (2012). Let wel: Cusk introduceerde ‘vrouwelijke’ onderwerpen als moederschap, huwelijk en scheiding in het literaire domein voordat dat enigszins bon ton was én schreef over deze kwesties als gezegd niet bepaald zoet maar naargeestig. Ze werd er een tijdlang om gewantrouwd zo niet gehaat, en dan vooral natuurlijk door vrouwelijke publicisten die zich persoonlijk aangetast voelden in hun bestaanszekerheid.

Na de scheiding leidde Cusk aanvankelijk een meer nomadisch bestaan, met een gruizig appartement in Londen voor haar en haar dochters, en een writer-on-tour-leven. Met haar nieuwe liefde, de kunstenaar Siemon Scamell-Katz, ‘een tedere, viriele man’, vader van een jongvolwassen zoon en bezig aan zijn vierde huwelijk, bouwde ze een huis in het Britse Stiffkey, uitkijkend op de Noordzee. Een waanzinnig huis, opgetrokken uit metaal en glas, waaraan eenieder zich op de Engelse Funda (vraagprijs boven de twee miljoen) kon vergapen, want inmiddels is het verkocht en wonen ze afwisselend in Parijs en Londen.

De vele schrijversuitstapjes, congressen en festivals, maar ook het zichzelf herpakken na het einde van een huwelijk, vonden hun weerslag in Contouren (2014), waarmee ze literair gezien weer een nieuwe weg insloeg. Het werd de opmaat voor een opzienbarende trilogie, gecompleteerd met Transit (2016) en Kudos (2018). Zijn het romans of koorzangen, memoirs of litanieën? De vertelster is in deze drie boeken slechts aanwezig op een getrapte manier, namelijk via de verhalen die anderen haar vertellen. Het is even wennen, deze lange monologen, nietsontziend en zonder instant empathie nauwlettend opgetekend door een scherpe regisseur. De gelijkschakeling van trivialiteiten en gedachten brengt iets in beeld, pijnlijk en soms ook grappig, waarvan we al een vermoeden hadden maar dat we nog niet in deze uitgeklede vorm hadden gezien: mensen zijn voortdurend bezig zichzelf met woorden overeind te houden. De tijd dat we elkaar verhalen vertelden om ons leven betekenis te geven (‘We tell ourselves stories to live’ – was getekend, Joan Didion) ligt achter ons. Dat is te warm, te positief geformuleerd. We vertellen verhalen om niet te hoeven luisteren – was getekend, Rachel Cusk.

Met de Contouren-trilogie brak ze definitief internationaal door. ‘Filosofie op haar best’, oordeelde Lorrie Moore in de New York Review of Books, ‘steely, searching, brisk’. Én, vroeg ze zich af: waarom heeft niemand eerder bedacht om zo te schrijven? In het grote ‘The Art of Fiction’-interview in The Paris Review, vorig jaar, reflecteert Cusk cynisch op de positieve ontvangst van de Contouren-trilogie. ‘Ik dacht het al’, zegt ze tegen Sheila Heti, ‘een afwezige verteller wordt meer gewaardeerd dan een vrouwelijke.’ In de trilogie lukte het haar naar eigen zeggen iets te vertellen zonder dat haar eigen ‘ik’ in de weg zat. De verhalen van anderen gaven haar een idee van haar eigen omtrekken. ‘Ik heb iets gemaakt dat volkomen los van mezelf stond, en de morele helderheid die dat teweegbracht was extreem bevredigend.’ Dat ze daartoe in staat was, had alles te maken met ouder worden, zo realiseerde ze zich. Het bereiken van de middelbare leeftijd stond voor haar gelijk met het verliezen van de greep op het leven. ‘Het hele idee dat je je leven hebt verdaan met dienstbaarheid aan iets dat niet echt bestond. Dat je in gevangenschap leefde, terwijl de deur open stond. En jij zat daar maar. Veel van wat ik in deze boeken heb beschreven, had daarmee te maken.’ Gevraagd of ze verwantschap voelde met een schrijver als Houellebecq luidt het antwoord echter ontkennend. ‘Ik ben geen nihilist’, zegt ze. ‘Ik probeer de dingen mooi te maken.’

In The New Yorker verscheen een groot profiel van haar, waarin haar uitspraak aan de vooravond van haar vijftigste verjaardag werd geciteerd: ‘I don’t feel I am getting older; I feel I am getting closer.’ Het is een parafrase van een uitspraak van D.H. Lawrence, een schrijver die ze beschouwt als haar mentor. Die net als zij een instinctieve afkeer van ‘fatsoen’ heeft, en die in zijn ‘provocerende’ romans zich durft af te vragen hoe de relatie tussen man en vrouw eruit zal zien als vrouwen zich bevrijd hebben. ‘Je bent niet alleen maar een klein individu, dat een klein individueel leven leidt’, haalt ze een brief van hem aan in haar voorwoord bij de heruitgave van diens roman The Rainbow. ‘Je bent in jezelf de hele mensheid, en jouw lot is het lot van de hele mensheid.’

Op een indirecte manier blijkt dezelfde Lawrence van betekenis te zijn in De tweede plaats. Met hem heeft ze opnieuw een staketsel gevonden om het verhaal van een vrouw in crisis te vertellen. In een bijterige monoloog richt deze aanvankelijk naamloze vrouw zich tot ene Jeffers. Ze vertelt hem over haar fascinatie voor een kunstenaar die ontaardt in een obsessie als blijkt dat ze hem niet kan vatten. In het naschrift achter in het boek verklaart Cusk zich schatplichtig aan de memoires van Mabel Dodge Luhan die een tijdlang de schrijver D.H. Lawrence over de vloer had, waaraan kennelijk ook deze Jeffers is ontleend.

Het lijkt bijna een spirituele zoektocht, zoals Cusk op zoek blijft naar het ‘ware’ schrijven

In de openingsscène van de roman blikt ze terug op de ontmoeting met de duivel toen ze als jonge moeder in de trein zat die haar van Parijs terug naar haar gezin in Engeland moest brengen. Het is de opmaat naar een verhaal waarin de geest niet meer terug de fles in te krijgen is. De vrouw beseft iets onrustbarends over zichzelf te hebben afgeroepen, met alle gevolgen van dien voor zichzelf en haar omgeving. Tot haar eigen ontzetting laat ze zich zomaar tot op het bot vernederen, ze is immers ‘maar een vrouw’. Mannen hebben het geluk niet in een vrouwenlichaam geboren te worden, en dus geen idee te hebben van een vrijheid die hun ‘in de basis’ ontzegd zou kunnen worden.

Cusks gemaniëreerde vertelwijze is tergend, alsof de schrijver haar lezer wil laten voelen waar haar verhaal zich afspeelt, namelijk in het moeras. Pas tegen het einde wordt duidelijk dat we te maken hebben met een schrijfster, slechts aangeduid als M, die een pas op de plaats maakt. Die in feite niets doet, met wie het een tijdlang heel slecht is gegaan als gevolg van een scheiding, en die rust probeert te vinden bij een nieuwe man, Tony, in een nieuwe omgeving, in een prachtig zelf gebouwd huis aan de kust, in een moerasachtige omgeving dus, uitkijkend op zee. Als ze aldaar bezoek krijgt van haar volwassen dochter met haar vriend is dat bijna een vorm van huisvredebreuk.

Een nog grotere onrust roept ze over zichzelf af als ze de kunstenaar L uitnodigt om te komen resideren in het huis dat ze naast hun eigen huis hebben gebouwd, hun ‘tweede plek’. Ze zag een overzichtstentoonstelling van zijn werk die keer in Parijs toen ze daags erna de duivel in persoon zag zitten in de trein, een jong, halfbloot meisje op schoot. De ontmoeting ontwrichtte haar leven, bracht angst met zich mee en zette veranderingen in gang, ‘en om die te overleven moest ik al mijn kracht, mijn incasseringsvermogen en mijn geloof in het goede aanwenden, tot ik er bijna aan onderdoor ging’. Pas met de komst van Tony, en het vredige leven dat hij haar gaf, kwam ze hieruit. Tot ze de boel zelf ‘zo nodig’ weer in beroering moet brengen door L uit te nodigen.

Cusk tuigt duidelijk een bouwwerk op om de confrontatie tussen de mannelijke kunstenaar L en de vrouwelijke schrijver M zo min mogelijk anekdotisch, en zo veel mogelijk cerebraal te maken. ‘Je bouwt een roman’, zei ze in het interview in The Paris Review. ‘Je moet hem bouwen zoals je een gebouw bouwt, zodat het blijft staan ook zonder jou.’ Ik weet niet goed hoeveel ze ontleent aan de memoires van de eerder genoemde Mabel Dodge Luhan – de initialen van L en M lijken in ieder geval te verwijzen naar Lawrence en Mabel – maar af en toe zijn hun gesprekken lastig te volgen, lijken vraag en antwoord niet echt bij elkaar te horen. Het feit dat Jeffers geregeld wordt aangeroepen, en dat de tekst nogal wat uitroeptekens bevat, geeft de roman iets archaïsch, en artificieels. Op het gevaar af de schrijfster te kort te doen door een kunstwerk af te willen pellen tot je iets herkenbaars tegenkomt, is het wel precies die kern, de stem van Cusk zoals je die kent uit eerder werk, die het boek levendig en interessant maakt. Hoe ze over een huis kan schrijven dat toevluchtsoord en nachtmerrie ineen is, en over een landschap kan uitweiden dat zowel de verzinnebeelding van vrijheid is als van gevangenschap. En wat ze over vrouwen schrijft, en over mannen, en jawel, weer over moederschap dat zich beweegt tussen kracht en uitputting, en over de vraag hoe creativiteit zich verhoudt tot het gebonden leven.

Nieuw zijn de verkenningen van het vrouwelijk lichaam dat ouder wordt en in een sjabloon moet blijven passen. ‘Waarom speel je dat je een vrouw bent?’ vraagt L haar. Ze vindt het niet erg dat hij de vraag stelt, ze is het namelijk met hem eens dat ze dat doet. Wat ze wél erg vindt, is dat hij haar erom uitlacht. Ervóór heeft ze al confrontaties met zijn beeldschone, en natuurlijk veel jongere, vriendin moeten verduren. Dat haar haren droog zouden zijn, en grijs, en haar kleren vormloos. ‘Ik was opgegroeid met afkeer van mijn lichaam’, schrijft ze, ‘en de mening dat vrouwelijkheid een middel was – net als het korset – om de weerzinwekkende feiten aan het zicht te onttrekken.’

Cusk heeft zich ontpopt als een schrijfster om bang voor te zijn. Naarmate ze ouder wordt, ze is nu 54, zet ze de literatuur en zichzelf op scherp. ‘Schrijven houdt in de essentie van onze kennis uit de schaduw te halen van wat we weten,’ haalt ze Karl Ove Knausgard aan in het essay Hoe je er komt. ‘Daar draait het om bij het schrijven. Niet om wat daar gebeurt, niet om wat voor handelingen zich daar ontvouwen, maar om het dáár op zich. Daar, dat is het terrein en het doel van schrijven. Maar hoe kom je er?’ Het lijkt bijna een spirituele zoektocht, zoals zij op zoek blijft naar het ‘ware’ schrijven.

Met De tweede plaats is het haar opnieuw gelukt om vrouwelijkheid af te schrapen, over vrouwen te schrijven alsof het mensen zijn. Mensen die – niet altijd even begrijpelijk – nadenken over wat vrijheid betekent, waarheid. Die erachter proberen te komen wat kunstenaars onderscheidt van ‘gewone mensen’, en ondertussen als een gewoon mens moeder worden, echtgenote, weer alleen zijn, ouder worden, ergens willen komen. Die in tegenstelling tot mannen niet hetzelfde blijven, en een ‘einde van het verhaal’ onder ogen moeten komen, wat dat ook moge zijn.