Een schrijver als journalist vermomd

Eindelijk erkenning voor de auteur A. Alberts. Op 22 mei kreeg hij de P. C. Hooftprijs uitgereikt. Yves van Kempen over de reiziger en literator, Wouter Gortzak over de collega en journalist.

EINDELIJK GERECHTIGHEID. De P. C. Hooftprijs is toegekend aan A. Alberts. Hij moest er wel oud voor worden. ‘De beste schrijver in naoorlogs Nederland’, zo heette hij al in 1964. Schrijver? Weekbladredacteur was hij toen, bij De Groene Amsterdammer. Behalve meest ongesigneerde artikelen - toentertijd gebruikelijk - heeft hij betrekkelijk weinig gepubliceerd. De beste naoorlogse schrijver? Voor zo'n oordeel heb ik te veel andere auteurs gemist. Maar ik vind zijn boeken prachtig en ben er trots op zijn collega te zijn.
Het begint voor mij op een donderdagmiddag in 1963. De Groene-vergaderzaal. De jonge jenever op de kale tafel; de beugelflessen in kratten, een beetje lauw; de wijn ontkurkt; de sherry, goedkoop uiteraard, bij de hand. De redacteuren zitten er en de vaste medewerkers. Het gaat er luidruchtig toe. Ook ik zit er bij, voor ’t eerst. Geimponeerd, voornamelijk zwijgend. Een stapje dichter bij het redacteurschap. Op de stoel bij het raam Rients Dijkstra, de hoofdredacteur. Daarnaast Bert Alberts. Hij is uitbundig. Zo maar of door de jenever? Hij drinkt sneller dan gezond lijkt. Alberts buigt zich naar me over, samenzweerderig. 'Beste kerel’, zegt hij, en wrijft zich de handen. 'Rients weet er nog niet van, hij mag het nog niet weten, niets tegen hem zeggen.’ Hij kijkt schichtig opzij, 'Ja mijnheer’, zeg ik, en luister. 'Ik heb een plan. Je moet redacteur worden.’ Ik weet niet wat ik hoor - nog maar drie stukken gepubliceerd, niet eens onder naam.
We maken een afspraak voor de volgende morgen. Op slag beneveld ga ik naar huis om de volgende ochtend fris te zijn. Overbodig, blijkt later, ook Dijkstra vindt het te gehaast. Vrijdagmorgen belt Rita, de secretaresse toen. 'U heeft een afspraak met de heer Alberts? Die gaat niet door.’ Verbaasd ben ik niet, wel teleurgesteld.
Alberts vindt mij dus geschikt voor de Groene-redactie. Later legt hij uit waarom. Als redacteur Sem Davids op stap is, neemt Alberts zijn werk over: schrijven over het communisme, de Sovjetunie en Oost-Europa. Maar daar heeft hij geen verwantschap mee. 'Ik vind ’t stom-vervelend, ben eigenlijk eerder liberaal. En ’t is nog slecht voor de krant ook.’ Dat begrijp ik niet. 'Ik probeer ’t net zo te doen als Sem’, zegt Alberts, want hij is een loyale collega. Maar hij kan dat niet echt en dat kost de krant abonnees. Door het cryptocommunisme, dat Davids wordt verweten maar pas bij Alberts uit de regels springt. 'Als jij er bij komt, ben ik eindelijk van dat verdomde communisme af.’
ALBERTS ALS Groene-redacteur is schrijver onder journalisten. Is hij ook krantenman onder literatoren? De buitenwereld lijkt de journalist Alberts niet interessant te vinden. De auteurs van de Inleiding tot de kennis van A. Alberts (1986) prijzen hem uitbundig maar negeren zijn redacteurschap. Het recentere Een kennismaking met Alberts veronachtzaamt zijn journalistieke verleden evenzeer. Ook ik weet er niet goed raad mee. Als collega was hij onberispelijk, maar hoe is hij als vakman? Ik heb het vak geleerd van Davids, niet van Alberts. Ik probeer me hem voor te stellen op persconferenties, de pen in de aanslag, de scherpe vraag op de tong. Het beeld is ongeloofwaardig. Wel zie ik hem rondlopen en toekijken. Verbaasd vooral, geinteresseerd natuurlijk, maar steeds op veilige afstand. De ironie als scherm tussen de buitenwereld en zichzelf. Kijken, overdenken, vergelijken, relativeren, een prachtig stuk schrijven. Zelfs als hij drijft op routine. Een kort verhaal meestal, beknopter dan gepland en aan de eindredactie toegezegd. De schrijver Alberts publiceert dunne boeken waar in weinig woorden veel wordt gezegd. De journalist Alberts is niet anders. 'Je stuk is op achthonderd woorden ingedeeld, Bert’, zegt Joke Reynders, die de krant opmaakt, 'je hebt er maar zeshonderd geleverd.’ Ze kiest een groter lettercorps.
De Groene wordt gedrukt op de persen van het Handelsblad. Op de zetterij - we leven nog in het loden tijdperk - gaat het zetsel in schuiten. Het wordt, ter correctie, afgedrukt op lange stroken papier. Die stroken hebben we ook op de redactie. Op krantenpapier, als je het met de vulpen beschrijft, loopt de inkt uit. Voor Alberts kennelijk het ideale kopijpapier. Hij heeft ongetwijfeld soms de typemachine gebruikt en, wie weet, schrijft hij tegenwoordig op een tekstverwerker. Ik ken hem anders. In de zijkamer van de redactie, vlak bij de opmaak, die stroken voor zich en de pen in de hand.
Is de journalist Alberts gelukkig? Ik twijfel alweer. Z'n alcoholgebruik is eerder uitbundig dan verstandig. Bij hem lijkt het geen beroepsziekte, eerder een kwaal uit depit. Liever dan journalist is hij historicus, zoals zijn broer. De mooiste anekdoten ontleent hij aan de geschiedenis. Hij woont op een steenworp afstand van de krant maar als ’t hem teveel wordt, gaat hij niet naar huis maar naar zijn broer. Per taxi. Ongeveer vijfentwintig gulden is de ritprijs van Amsterdam naar Loenen. Maakt hij werkelijk altijd die omweg langs mijn woonadres? Even die vijfentwintig gulden lenen, voor ’t vervoer. Ik heb ze altijd teruggekregen.
In 1964 worden Han Lammers en ik Groene-redacteur. Voor een kleine redactie een drastische verjonging. Davids vergrijsd in het vak, Dijkstra is ook al zestigplusser, Alberts in de vijftig. Wij zijn dertigers. Hebben wij Alberts’ depit mede veroorzaakt? Alberts zelf heeft zich nooit in die richting uitgelaten. Onze vele gesprekken hors travail gaan over Bonnie Prince Charles en Drambuie, over corruptie in de Republiek en over de Veluwe, waar hij vaak naar ver langt. Vage toespelingen zijn er wel geweest. Dijkstra heeft De Groene een kwart eeuw gedomineerd. Davids is aan z'n pensioen toe. De dan nog betrekkelijk jonge Alberts moet soms gedacht hebben De Groene-redactie te gaan leiden. Eindelijk aan de beurt - en dan terzijde geschoven door nieuwkomers. Het lijkt absurd, strijdig met Alberts’ karakter.
'Ze keken door de ramen van de grote erker op de straat neer. In de verte kwam een tram aanrijden. De tram stopte bij de halte schuin tegenover het kantoor. Ze zagen een paar mensen uitstappen. Ze zagen meneer Dalem op de vluchtheuvel staan. Hij keek naar boven. Toen ze zagen dat hij naar boven keek, deden ze allemaal een stap terug.’ Zo eindigt De vergaderzaal, het eerste boek dat Alberts na zijn vertrek bij De Groene publiceert. De neerslag van zijn ervaringen als secretaris bij het Kinabureau, heb ik toen gedacht. Maar waarom zou ’t niet evenzeer slaan op zijn leven bij De Groene?
Bert Alberts is niet bij De Groene gebleven. Ik denk dat zijn vertrek mens en schrijver Alberts heeft gered. Voor de Groene-redactie is Alberts’ vertrek de eerste stap in een ontbindingsproces. Lammers stapt over naar de politiek, Willem Wolters naar de wetenschap. Davids en Dijkstra overlijden. Joke Reynders neemt afscheid. De oude Groene-redactie, die voor mij een biotoop was, is teloorgegaan. Pas jaren later, als ook ik vertrokken ben, ontstaat in een nieuwe redactie een nieuwe leefsfeer.
Waarom ik Bert Alberts na zijn Groene- tijd nog maar een keer heb gezien en gesproken, kan ik niet verklaren. Te druk met me belangrijk voelen, waarschijnlijk. Gemist heb ik hem vaak genoeg. En al z'n boeken heb ik sindsdien gelezen en bewonderd. 'Alberts? Daar heb ik nog mee gewerkt’, zeg ik ijdel, als een nieuwe Alberts prachtige recensies krijgt. 'We waren goede vrienden.’ Maar diep in m'n hart ben ik bang dat hij ook mij bedoelde, toen hij schreef over die collega’s die zich aan het blikveld van meneer Dalem onttrokken.