Een schrijver nadoen

JE HEBT schrijvers die schrijver zijn, en je hebt er die graag schrijver willen zijn. De romantische gedachte dat je als schrijver geboren kunt worden, neemt niemand tegenwoordig nog serieus. Alles is immers te leren en in deze postmoderne tijden is een kunstenaar al lang niet meer het genie dat na een goddelijke inspirerende vonk eens stevig gaat zitten scheppen. Schrijversvakscholen leiden heuse auteurs op. Maar het verschil tussen een ‘echte’ en een ‘gemaakte’ schrijver blijft altijd zichtbaar.

Behalve hun presentatie tijdens het Arbeiderspers-debutantencafe hebben de boeken van Hans Dekkers (1954) en Arie Storm (1963) weinig gemeen. Dekkers doet met Begrafenis van de sardine een poging ‘van binnenuit’ te schrijven, terwijl Storm in Hemans duik met veel distantie een boek heeft zitten construeren. Het verschil in wat 'authenticiteit’ zou kunnen heten, is opvallend.
IN EEN INTERVIEW (in de bijgeleverde persmap) zegt Arie Storm: 'Ik rook gewoonlijk niet zo veel, maar als ik schrijf rook ik altijd, en drink ik veel koffie. Dan lijk ik een beetje op van die schrijvers zoals je ze ook in films ziet. Van die types die nachtenlang doorhalen achter hun typemachine, hun haar door de war, met een overvolle asbak en een whiskyglas naast zich, sigaret bungelend in hun mondhoek. Misschien wil ik dat beeld wel nadoen, gewoon om mezelf te amuseren. Ik ben geen gekwelde schrijver, maar iemand die hem nadoet. Het is leuk om de gekwelde schrijver uit te hangen.’
Storm wil nadrukkelijk schrijver zijn, en Hemans duik doet een roman na. Van de 125 pagina’s zijn er zoveel leeg of slechts bedrukt met een deel- en hoofdstuktitel dat de tekst met moeite de negentig bladzijden haalt. Dit is de tijd van de dunne debuten. Hemans duik is een uitgerekt kort verhaal waar 'roman’ op staat.
Heman is een naargeestige en nuffige student Nederlands, zo'n jongen die zichzelf het intelligentst van iedereen vindt, afgeeft op medestudenten die niet lezen maar wel meningen hebben en verontwaardigd is dat niemand het oeuvre van Proust uit zijn hoofd kent. Hij denkt dingen als: 'Is het met mij gesteld zoals met Swann toen hij zoals Proust schreef kennismaakte met een wereld waartoe hij niet behoorde, die vormeloos leek omdat zijn ogen de vorm ervan niet konden onderscheiden, betekenisloos omdat de betekenis ervan aan zijn begrip ontsnapte, een wereld die hij maar met een enkel zintuig kon benaderen?’ Hij moet, als in de trein een man tegenover hem plaatsneemt, plotseling 'denken aan een dichtregel van T. S. Eliot’. Heman is braaf, saai en onopvallend; de vleesgeworden typisch-Nederlandse zolderkamer-truttigheid.
Heman woont inderdaad op een zolderkamer. Het huis dat hij deelt met Pieter - eveneens student - wordt door de laatste stilaan ingenomen. De semi-sadistische Pieter moet het kwade voorstellen, maar bij de slome, dadenloze Heman die alles zuchtend over zich heen laat komen, steekt hij per bladzijde sympathieker af.
HEMANS EINDSCRIPTIE handelt over de vraag 'hoe diverse auteurs - Kafka, Proust, Reve - erin slaagden personages als het ware tot leven te wekken’. Met Heman zelf gebeurt het omgekeerde: hij verwordt van levend mens tot papieren personage. Hij ziet zichzelf meer en meer 'niet als een mens van vlees en bloed maar als een karakter uit een verhaal, gemaakt van woorden, gedrukt op witte vellen papier’. Hij voelt zich 'losgezongen van de dagelijkse werkelijkheid’. Daaruit bestaat de ontwikkeling van de roman en tegen het eind is Hemans geest zodanig verduisterd dat hem niets anders rest dan de titel van het boek waarin hij figureert na te volgen. Plons.
Een dergelijke inzet, het spel met de verhoudingen tussen verteller, personages en lezer, kan interessant zijn. Maar een roman is meer dan alleen dat intelligente idee, die verrassende constructie, die doordachte plot. Hij moet bovenal goed geschreven zijn. Hoe ingenieus het verhaal ook is opgezet, als het is verwoord in een ongeinspireerde, risicoloze stijl, zal het onherroepelijk mislukken. Dan heb je een leeg, topzwaar boek.
En Hemans duik is een leeg, topzwaar boek. Arie Storm studeerde Nederlands, weet (dus) hoe een goede roman in elkaar zit, en besloot op een dag dat hij dat ook kon. Hij vergat echter dat een schrijver ook iets te vertellen moet hebben, en het vertelde boeiend moet kunnen noteren. Storm noemt zijn roman 'een literaire soap noir’. Hemans duik is ongeveer zo spannend als deze passage: 'Heman kocht een koffie. Hij kreeg een bekertje koffie en een doorzichtig plastic zakje met daarin een plastic lepeltje, een zakje suiker en een zakje poedermelk. (…) Hij gooide het zakje poedermelk weg en roerde de suiker door de koffie. Hij nam een slok. Het was geweldige koffie.’
De stilistische bleekheid wordt al snel irritant. Een cafe heet een 'horecagelegenheid’, waar men 'in een gestaag tempo alcoholische consumpties tot zich neemt’. Er is sprake van 'een spookstad waarvan de bewoners geevacueerd waren naar elders’, iemand die 'haar benen kruiselings over elkaar’ slaat, 'een soort van afronding’, 'een soort van vriendschap’, 'een soort van zandkorrels’, 'een soort van optocht’. De Dam is 'het grote plein dat het centrum van de stad vormde’. Wat in de flaptekst 'akelig precies realisme’ wordt genoemd, is een onbeholpen, overgeconcentreerde stijl vol angst voor een onduidelijke formulering. Akelig precies realisme: 'een knokkel van een van zijn vingers’, 'het smalle gangpad dat open was gelaten tussen de banken in de trein’, 'langzaam draaide hij de deurkruk naar beneden van de deur die de woning afsloot’, 'Heman liep naar de wastafel in een hoek van zijn kamer en bekeek in de aan de wand bevestigde spiegel zijn gezicht’, 'staarde in een diepe duisternis zoals de bioscoopbezoeker kan ervaren nadat het laatste beeld van de zojuist vertoonde film op het projectiescherm is gedoofd’. Deze traagheid, dit on-dode proza is exemplarisch voor Hemans duik.
Dure motto’s, 'verrassende literaire verwijzingen’ en doordachte verhaalconstructies hebben geen zin als er slecht wordt geschreven. Het zijn afleidingsmanoeuvres die moeten verhullen dat de schrijver geen schrijver is, maar er een wil nadoen.
HANS DEKKERS zet minder hoog in. In Begrafenis van de sardine vertelt hij het verhaal van Bernard, zanger-gitarist van The Bottom. Dekkers zelf speelde in de vroege jaren tachtig (toen niemand geloofde in de Toekomst) in de underground-bands Bazooka en Das Wesen. Aan zijn beschrijvingen van de verwikkelingen rond The Bottom is te merken dat hij weet waar hij het over heeft, wat zijn proza alleen maar verlevendigt.
De drie hoofdpersonages verliezen uiteindelijk de realiteit uit het oog. De titel verwijst naar het moment waarop het carnaval overgaat in de vastentijd, ofwel de overgang van het volle leven naar de reflectie daarop. Bernards zus Evelien, ontevreden getrouwd met de harkerige Jan, bouwt maquettes van verwoeste huizen na de watersnood van 1953. Haar vader verdronk daarbij, en sindsdien is ze door hem geobsedeerd. Jan maakt haar het leven zuur met krankzinnige verhalen en sadistische spelletjes. Evelien begint dan een affaire, terwijl Jan van krankzinnigheid Herman Hesses Steppewolf opeet (terwijl die toch veel slechtere boeken heeft geschreven): 'Ik stop het in mijn buik. Langzaam, ongemerkt, verorbert jouw steppewolf zijn Steppewolf. Hij besmeert papier met honing en eet. Ik werk met een scherp pizzamesje. Mijn maag zal opspelen door alle woorden die zich tegen haar wanden vlijen.’
Tussen het drietal broeit allerlei onaangenaams. De sleutel van de knellende verwikkelingen en de lichte waanzin van de betrokkenen ligt in het verleden. De ontdekking dat Evelien niet de dochter is van de vader die ze adoreert maar van een andere man, vormt de opmaat van een licht-surrealistische apotheose.
Dekkers koos ervoor zijn verhaal vrij gecompliceerd te vertellen en maakte het zichzelf erg moeilijk. Door de focalisatieverschuivingen, de sprongen in de tijd en het voortdurend wisselen van verteller verliest het boek na een tijdje aan kracht en gaat het verhaal knarsen. Met moeite haalde ik het einde, terwijl ik na twee hoofdstukken vrij goed geluimd was. Het is jammer dat de auteur niet voor meer eenvoud heeft gekozen en bijvoorbeeld met een hoofdpersonage tevreden was. Want uit sommige passages blijkt dat hij wel degelijk in staat is sfeervol te schrijven. De aandacht voor de compositie gaat ten koste van de spontaniteit van het boek, waardoor het geforceerd wordt en inzakt. Dat zijn proza niettemin een stuk levendiger is dan dat van Arie Storm komt omdat hij niet een schrijver nadoet, maar er - bij vlagen - een is.