Het identiteitsdebat

Een selfie van Nederland – zonder filter?

We zijn verrassend eensgezind over wat Nederland tot Nederland maakt, onderstreepte het Sociaal en Cultureel Planbureau in een rapport. Maar de kritische duiding van de onderzoeksresultaten laat het SCP liever aan anderen over.

Typisch Nederlands? Onze taal, tradities, symbolen en waarden © Bert Verhoeff / HH

Niets zo Nederlands als een groepsdiscussie over wat ‘typisch Nederlands’ zou zijn. Polderen! Klompen! Haring! Met het lijvige rapport Denkend aan Nederland (vrij naar Hendrik Marsman) doet ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) een duit in het zakje. Twee jaar lang ging het onderzoeksinstituut na wat Nederlanders verstaan onder de ‘Nederlandse identiteit’. Wat maakt Nederland tot Nederland, en met welke kenmerken van Nederland identificeren Nederlanders zich? scp-directeur Kim Putters benadrukte bij Nieuwsuur dat het doel van het rapport pertinent niet is om na ruim dertig jaar verhit debat nu voor eens en altijd uit te maken wat dé Nederlandse identiteit is. In plaats daarvan presenteert het hoe ‘gewone Nederlanders’ tegen de Nederlandse identiteit aankijken, wat ons scheidt en wat ons bindt. Het rapport omschrijft zichzelf als een selfie van Nederland.

Uit het onderzoek blijkt dat Nederlanders vinden dat de Nederlandse taal hét meest Nederlandse kenmerk is. Daarnaast noemen ze nationale feestdagen, tradities, symbolen en waarden, zoals pakjesavond, fietsen, de Nederlandse vlag, vrijheid en democratie. Meer negatief blijkt dat een ruime meerderheid bureaucratisering (58 procent), islamisering (62 procent) en toenemende tegenstellingen in de samenleving (77 procent) als de grootste bedreigingen ziet voor Nederland. De kernboodschap van het rapport, die ook in de mediastrategie van het scp dik wordt aangezet, is dat Nederlanders het vooral opmerkelijk eens zijn over de Nederlandse identiteit. ‘Eensgezindheid’ is het woord dat centraal staat in de persberichten, met als onderliggende boodschap: dit rapport laat zien dat we minder verschillen dan we denken. Op tv, in de politiek en op Twitter komt het gematigde midden (te) weinig aan het woord.

Tegelijkertijd benadrukt het scp dat het geen stelling inneemt over de onderzochte vragen. In de conclusie leggen de onderzoekers uit dat terughoudendheid voor hen de meest passende houding is. Ze citeren daarbij Shakespeare-personage Polonius: ‘leen iedereen je oor, maar slechts weinigen je stem’. Gezien de maatschappelijke rol van het scp is dit begrijpelijk: het is niet zijn taak olie op het politieke vuur te gooien, en empirisch onderzoek kan lopende debatten op waardevolle wijze informeren. Maar het gevolg van deze presentatie is dat het onderzoek aan relevantie inboet. Geen enkel onderzoek is neutraal; elke vraag is moreel gedreven, alleen al omdat zij gesteld wordt. Zo legitimeert en voedt dít onderzoek het nationale identiteitsdebat – en wel in een vocabulaire dat dit debat al decennialang domineert, zoals ‘typisch Nederlands’ en ‘verbinding’.

De ‘neutrale’ aanpak zorgt er bovendien voor dat het rapport de prangendste kwesties uit de weg gaat. Het nationale identiteitsdebat zat niet bepaald verlegen om een lijst met relatief voorspelbare kenmerken die veel Nederlanders écht Nederlands vinden, zoals ‘de kleur oranje’. De hamvraag is: welke invullingen van de nationale identiteit (of ‘het Nederlanderschap’) zijn in lijn met de grondslagen van de liberaal-democratische rechtsstaat, en welke beschadigen die juist? Natuurlijk, deze vraag kent geen uitputtend antwoord en bevindt zich momenteel midden in het politieke mijnenveld. Maar dat het rapport zelfs geen minimale reflectie biedt op welke nationale identiteiten sowieso niet in lijn zijn met de kernwaarden van de Nederlandse staat en rechtsorde, zorgt ervoor dat het weinig toevoegt aan de al aanwezige kakofonie van meningen over wat ‘Nederlandsheid’ zou bepalen.

Anders gezegd, hoewel het scp niet hoeft te verdedigen dat Nederland een liberaal land moet blijven – in die zin kan het, indien gewild, ‘neutraal’ blijven – had het wel richtlijnen kunnen geven over wanneer een nationale identiteit gaat schuren of botst met het liberalisme en de democratie. Het gaat hierbij dus niet om een politieke stellingname van het scp, maar wel om het scherper interpreteren van de uitkomsten van hun eigen onderzoek.

Een voorbeeld. Het SCP onderscheidt in het rapport drie profielen van Nederlanders als het aankomt op de nationale identiteit. Zo zijn er ‘symbool-Nederlanders’ die vooral hechten aan Nederlandse symbolen en tradities – denk aan de Elfstedentocht, Sinterklaas en het koningshuis. Daarnaast zijn er Nederlanders met een meer ‘civiele benadering’ die zich met Nederland verbonden voelen vanwege burgerlijke vrijheden zoals godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting en gelijkheid. De derde groep, die met tachtig procent van de Nederlanders veruit het grootst is, herkent zich in beide profielen.

Het scp stelt dat tussen symbool-Nederlanders en civiele-Nederlanders spanningen ontstaan, bijvoorbeeld als het aankomt op de huidskleur van Zwarte Piet. De symbool-Nederlander vindt dat Zwarte Piet zwart moet blijven, terwijl de civiele-Nederlander hecht aan het protestrecht tegen de huidige invulling van Zwarte Piet. Beide groepen beroepen zich hiermee op verschillende onderdelen van de Nederlandse identiteit: tradities en burgerlijke vrijheden. Hierdoor kan het lijken dat groepen recht tegenover elkaar staan, schrijft het scp. Maar in werkelijkheid is dit volgens het Planbureau niet het geval: de ‘polarisatie’ valt mee, aangezien de meeste Nederlanders zich in meer of mindere mate met beide posities identificeren. En dat is goed nieuws, want Nederlanders maken zich volgens het scp ernstige zorgen over polarisatie.

Hoe ‘goed’ is de gemeten eensgezindheid? Is die niet juist de kiem van tegenstellingen?

Is daarmee de kous af? Voor het scp wel, omdat het de merites van de uiteenlopende perspectieven op de nationale identiteit verder niet beoordeelt. En dat wringt, zeker omdat het rapport wel uitvoerig stilstaat bij onderzoeken met de vaststelling dat een nationale identiteit uiteindelijk een ingebeeld en beïnvloedbaar ‘sociaal construct’ is. Deze studies benadrukken steevast dat zo’n construct kan bijdragen aan collectieve identificatie, een voorwaarde om een gemeenschap te laten functioneren. Voor een liberaal-democratische rechtsstaat is het – gezien haar constitutionele grondslagen – daarbij belangrijk dat dit sociale construct ‘inclusief’ is. Er gaat dus iets mis als een nationale identiteit suggereert dat bepaalde persoonlijke kenmerken (etniciteit, geaardheid, achtergrond, overtuigingen et cetera) vereist zijn voor volwaardig burgerschap.

Het scp heeft besloten de vraag te ontwijken of opvattingen over de nationale identiteit vanuit dit perspectief een goede kant op ontwikkelen. Maar neem nu het onderzoeksresultaat dat een toenemend aantal Nederlandse burgers Nederlandsheid vastpint als ‘niet-islamitisch’. De gedachte leeft onder symbool-Nederlanders én onder een flink deel van de middengroep. De discussie over de wenselijkheid van de maatschappelijke invloed van religies is gelaagd en belangrijk, maar als de uitkomst van het Nederlandse identiteitsdebat is dat iets of iemand nooit echt Nederlands kan zijn vanwege islamitische kenmerken, dan is dit een illiberale ontwikkeling, zeker als in een land een miljoen moslims wonen. Dit verdient het om aangestipt te worden.

Dit liberaal-democratische perspectief biedt ook meer context aan het belang van nationale symbolen en tradities. Zo doen civiele-Nederlanders allicht te schamper over het belang van collectieve identificatie. Tenminste, als zij zich op het standpunt stellen dat nationale identificatiepunten en rituelen niet tot nauwelijks van waarde zijn voor Nederland, verliezen ze uit het oog dat een inclusieve nationale identiteit een betekenisvolle context kan zijn waarin diverse burgers zich gemotiveerd kunnen voelen om burgerlijke vrijheden hoog te houden. Daarom is de wens Nederlandse tradities te beschermen niet altijd dwaas. Met andere woorden: civiele-Nederlanders hebben gelijk wanneer zij stellen dat folklore dingen als tulpen en de nationale vlag voor Nederland intrinsiek niet zo waardevol zijn als gewetensvrijheid en lichamelijke integriteit, maar ze kunnen niettemin instrumenteel het behouden waard zijn voor Nederland als democratische gemeenschap.

Tegelijkertijd is het argument dat iets goed en belangrijk is omdat het traditie is in een liberaal-democratische rechtsstaat nooit afdoende. Dat iets in Nederland langere tijd gangbaar was of gold als ‘typisch Nederlands’ – neem slavenhandel – zegt uiteindelijk weinig over de geschiktheid ervan symbolisch onderdeel te blijven van wie wij zijn en wat ons bindt. Een blijvende discussie over de (ingebeelde) nationale identiteit is in een democratie daarom van vitaal belang, met als doel deze identiteit steeds meer verbindend te maken en af te stemmen op maatschappelijke realiteiten. Hieronder vallen emancipatiestrijden, veranderende bevolkingssamenstellingen en verschuivende opvattingen en toegenomen kennis over de geschiedenis, het heden en de toekomst van Nederland.

Dit betekent niet dat de huidige Nederlandse nationale identiteit overboord moet worden gegooid – maar óók niet dat hem volledig in de tijd bevriezen een optie is. Dit laatste punt komt wel terug in het rapport, maar zonder expliciet te maken dat de diehard symbool-Nederlanders met een onredelijke eis in het democratische debat staan, zodra zij stellen dat de Nederlandse identiteit en Nederlandse tradities voor altijd moeten blijven zoals ze nu zijn.

De keuze van het scp om de onderzoeksresultaten niet te toetsen aan een liberaal-democratisch kader verklaart ook de sussende toon van de conclusie dat het meevalt met de polarisatie, omdat er relatieve consensus bestaat over de Nederlandse identiteit. Maar is dat wel zo? Zo merkt socioloog Kees Schuyt in Steunberen van de samenleving op dat het onterecht is dat termen als ‘sociale binding’ tegenwoordig volledig positieve connotaties kennen. Een democratie, schrijft hij, kan naast aan een tekort ook lijden aan een teveel aan sociale binding: als niet pluraliteit maar gelijkvormigheid van burgers het nationale uitgangspunt is werkt dit vormen van wij-zij-denken in de hand, omdat gelijkvormigheid nooit overeenstemt met de democratische realiteit van meer- en minderheden.

Een te sterke invulling van ‘Nederlandsheid’ kent daarom het risico van groepsdrang, uitsluiting en onvrijheid. Dit werpt vragen op als: hoe ‘goed’ is de gemeten eensgezindheid eigenlijk? Is die niet juist de kiem van tegenstellingen? In het verlengde hiervan staan de conclusies van het rapport weinig stil bij het idee dat polarisatie vaak de motor van de democratie is. Als burgers, bijvoorbeeld vanwege hun (migratie)achtergrond of religieuze overtuigingen, als niet ‘echt Nederlands’ worden gezien – in het dagelijks leven maar ook in maatschappelijke debatten over nationale vraagstukken en tradities als Zwarte Piet – is dat vanuit de democratie gezien niet een stevige strijd waard? Vanwaar die angst voor polarisatie? Deze vragen hadden het hart kunnen vormen van Denkend aan Nederland, maar in plaats daarvan schuift het scp de hete aardappel door en laat de kritische duiding aan anderen.


Tamar de Waal is universitair docent algemene rechtsleer aan de Amsterdam Law School (UvA) en voorzitter van Stichting Civic