Afscheid van de Oriënt - Boeken die ons denken veranderden: Edward Said

Een sensuele maar achterlijke plek

In Orientalism schetst Edward Said het beeld van tweeduizend jaar westerse dominantie over het Oosten. Door zich tegen de duistere, luie, irrationele en kinderlijke Oriënt af te zetten kon het heldere en volwassen Europa de eigen culturele en intellectuele superioriteit onderstrepen.

Hij werd van ‘intellectueel terrorisme’ beschuldigd – al was dat voor 9/11. Er werd over hem gesteld dat hij het mccarthyisme had geïntroduceerd in de Midden-Oostenstudies, zeker in Amerika. Er werd hem verweten dat hij schreef in een stijl die ‘een beetje stalinistisch’ was. Orientalism, zijn boek dat in 1978 verscheen, maakte van de Palestijns-Amerikaanse hoogleraar literatuurwetenschappen Edward Said (1935-2003) in één klap een intellectuele ster, maar het veroorzaakte ook een felle polemiek die tot op de dag van vandaag doorgaat.

Weinig geleerden kregen zo veel erkenning als Edward Said, weinig geleerden hadden zo veel trouwe discipelen, en weinig geleerden werden tegelijk zo vurig bestreden. Orientalism werd in 37 talen vertaald, het werd een internationale bestseller, en, belangrijker, het zorgde voor een revolutie in de Midden-Oostenstudies en vormde de basis van postkoloniale en culturele studies. Het is een van die boeken, zoals Ian Buruma schreef, waarvan de titel bekender werd dan de inhoud. ‘Oriëntalisme’ werd door Said een vies woord, een beschuldiging. Het stond voor hem voor de vooringenomen manier waarop tegen het Oosten, en dan met name Arabieren en de islam, werd aangekeken, een vooringenomenheid die zo structureel en alomvattend was dat ze voor hem het intellectuele en morele equivalent van antisemitisme betekende.

Natuurlijk, het begrip oriëntalisme bestond al lang, om de negentiende-eeuwse schilderkunst aan te duiden waarin de Oriënt – het nabije en verre Oosten – werd afgebeeld als een exotische, kleurrijke wereld, vol arabesken, mannen met tulbanden en languissante halfnaakte vrouwen. Of de Franse en Engelse romans en reisverslagen waarin mysterieuze oosterlingen werden afgeschilderd als sensueel maar ook onverantwoordelijk en kinderlijk. En oriëntalisme sloeg op de tak van wetenschap die zich op de Oriënt toelegde. In Orientalism richtte Said vooral het vizier op de westerse oriëntalisten – de filologen, linguïsten, historici en etnografen – die het Nabije Oosten bestudeerden. Het zelfbeeld van de wetenschappers als waarheidszoekers was, volgens hem, niet meer dan een ‘frauduleuze façade’, waarachter zij het idee van de westerse superioriteit uitdroegen en twee handen op één buik waren met de imperialistische machthebbers. Zijn conclusie loog er niet om: van Homeros en Aeschylos tot de Verlichting tot aan de dag van vandaag was het beeld dat westerse geleerden, maar ook schrijvers en schilders, van het Midden-Oosten hadden doordrenkt van racisme. Kort gezegd: ‘Every European, in what he could say about the Orient, was a racist, an imperialist, and almost totally ethnocentric.’

Said ging nog verder dan dat. De oriëntalisten rechtvaardigden met hun studies niet alleen de koloniale overheersing van het Nabije Oosten en, later, het Amerikaanse imperialisme, ze gaven er ook ons westerse zelfbeeld in vorm. Voor de constructie van identiteit is ook een Ander nodig, en de Arabier was het ideale alter ego voor de westerling. De oriëntalisten stelden de islamitische cultuur als statisch voor, als ‘eeuwig, uniform en niet in staat zichzelf te definiëren’, waardoor het Westen vanzelf dynamisch, innovatief en ondernemend was. Tegenover het duistere, luie, irrationele en kinderlijke Oosten stond vanzelf het heldere, actieve, rationele en volwassen Westen. Door zich tegen de Oriënt af te zetten kon Europa de eigen culturele en intellectuele superioriteit onderstrepen.

Daarbij betoogde Said dat het beeld dat de oriëntalisten van de Arabieren en de islamitische cultuur schiepen vergeven was van de essentialistische clichés. De Oriënt werd neergezet als een sensuele maar achterlijke plek waar de vooruitgang in wetenschap, kunst en handel geen vat op had. Het gaat al fout, aldus Said, als wetenschappers denken dat er zoiets is als een islamitische maatschappij of een Arabische ziel in enkelvoud – als het om zulke grote dingen gaat, bestaat er alleen meervoud.

Orientalismis een boek met een verleidelijk grote greep. Al ligt de nadruk op de Verlichting en de negentiende eeuw, Said pretendeert het beeld te schetsen van meer dan tweeduizend jaar westerse dominantie over het Oosten. Hij schiet heen en weer tussen wetenschap en literatuur, schilderkunst en film. Het boek is in de ware zin interdisciplinair: geschiedenis, wetenschapskritiek, literatuurkritiek, politieke analyse – Said mengt het samen tot een gepassioneerde, erudiete en soms ook discutabele cocktail. Maar zijn grote succes heeft Orientalism waarschijnlijk vooral te danken aan het feit dat het precies het goede boek op het goede moment was. Niet alleen vanwege de thematiek – de derdewereldbeweging en de kritiek op het westerse imperialisme brachten toen nog horden ‘kritiese’ studenten op de been – maar ook omdat hij er de geest van het Parijs van de jaren zestig in wist te verwerken: de freudiaanse notie van de Ander, weer in zwang door het Franse poststructuralisme, maar bovenal het denken van Michel Foucault.

Foucault betoogde, vooral in zijn Archéologie du savoir, dat kennis en waarheid worden ‘geconstrueerd’, dat wetenschap niet zomaar kennis produceert, maar ook macht. ‘Er bestaat geen meer in het oog springende parallel’, haakte Said aan, ‘tussen macht en kennis in de moderne geschiedenis van de filologie dan in het oriëntalisme.’ Hij leende van Foucault diens concept van een ‘discours’: hoe wij over iets praten, tegen iets aan kijken, wordt onvermijdelijk gekleurd door de taal, cultuur, instituties en politieke sfeer waarin wij leven. Geen wetenschapper en geen schrijver kan boven de beperkingen uitstijgen van het discours waarin hij gevangen zit. Waarheden bestaan dus niet, alleen perspectieven.

Er zijn de nodige moslims die zeggen dat niemand anders dan zij de islam kan begrijpen

Op het moment dat Orientalism verscheen, maakte ook het denken van Foucault furore in Amerika. De universiteiten werden op dat moment bevolkt door een generatie van linkse studenten en jonge wetenschappers die hongerden naar geëngageerde wetenschap. En Said had zijn werk niet slechts gepresenteerd als een studie naar hoe Europeanen tegen de islam en Arabieren aan keken, maar als een analysemodel voor alle westerse vertogen over de Ander.

De theorie van het discours over de Ander zou een verpletterende invloed hebben op de westerse wetenschap over het Midden-Oosten, en, breder, op de hele westerse blik op alles wat niet-westers is. Zoals Said het stelde: ‘Voor een Europeaan of Amerikaan die de Oriënt bestudeert, is het onmogelijk om zich te onttrekken aan de algemene situatie van zijn werkelijkheid: dat hij zich in de eerste plaats opstelt tegenover de Oriënt als een Europeaan of Amerikaan, en in de tweede plaats als individu.’ En die werkelijkheid was (en is) er een van westerse dominantie over het Oosten.

Medium said

Stel je voor dat een groep Griekse radicalen en patriotten stelt dat de studie van de klassieken, zoals die beoefend wordt aan universiteiten over de hele wereld, beledigend is voor de erfenis van Griekenland en dat de classici de laatste manifestatie vormen van een eeuwenlange kwaadaardige samenzwering die als doel heeft de Griekse verworvenheden te kleineren en Griekenland en de Grieken te onderwerpen. Het gif is verspreid van Europa tot Amerika door classici, mannen en vrouwen die geen Griekse wortels hebben en geen sympathie opbrengen voor de Griekse zaak en achter het valse masker van wetenschap ernaar streven de Grieken in een permanente staat van onderwerping te houden. Het is tijd om Griekenland van de classici te redden; alleen Grieken zijn oprecht in staat om onderzoek te doen naar hun eigen Oudheid. Met deze, naar eigen zeggen ‘absurde’, vergelijking opent de gerespecteerde wetenschapper Bernard Lewis zijn befaamde polemiek tegen Orientalism in The New York Review of Books (in 1982). Hij verwijt Said niet alleen dat hij het begrip oriëntalisme voor altijd heeft vervuild, maar veegt ook de vloer aan met de wetenschappelijke keuzes die Said maakt in zijn boek. Said reduceert, nogal arbitrair, de Oriënt tot het Midden-Oosten, en zijn Midden-Oosten tot de Arabische wereld, waarbij de Perzen, Turken en joden terzijde zijn geschoven. Hij behandelt alleen de Engelse en Franse oriëntalisten en negeert de Duitse. Dat is, aldus Lewis, zoiets als de geschiedenis van de muziek of de filosofie schrijven met dezelfde omissie. Maar de Duitsers hadden ook geen koloniën in het Midden-Oosten, en dus gaat dan de these dat het wetenschappelijk vertoog de koloniale macht steunt niet op.

Lewis is lang niet de enige kenner van het Midden-Oosten die niet alleen op grote historische fouten en kleinere slordigheden wijst, maar, fundamenteler, stelt dat de oriëntalisten die Said opvoert willekeurig gekozen zijn, dat ze vaak vertegenwoordigd zijn met niet-representatief werk en dat de nodige citaten uit hun context zijn gelicht. Said is, kortom, uitgegaan van een vooropgezet frame en heeft zijn materiaal zo gekozen en geplooid dat het er naadloos in past. Bovendien effende het werk van de oriëntalisten over het algemeen niet de weg voor overheersing: ze schreven hun werk pas na de koloniale bezetting. De causaliteit die Said veronderstelt bestaat niet. De meeste oriëntalisten keerden zich daarbij, uit liefde voor de wereld die ze bestudeerden, tegen de westerse machtspolitiek. En dan de oosterling als de Ander en de essentialistische clichés, waar Said zich massief tegen teweerstelt. Door alle westerse oriëntalisten over één kam te scheren, bezondigt hij zich juist zelf aan essentialisme.

Ondertussen heeft Orientalism niet alleen de academische wereld veranderd – oriëntalisme als wetenschap bestaat niet meer – maar ook het debat over het Midden-Oosten en de islam verregaand beïnvloed. Het boek heeft volgens veel criticasters het slachtofferdenken in de Arabische wereld aangewakkerd: Arabieren en islamieten zijn de langdurige slachtoffers van de vertekende, racistische blik van westerlingen. Niet voor niets zijn er de nodige moslims die zeggen dat niemand anders dan zij de islam kan begrijpen. Oriëntalisme, schreef de Amerikaanse historicus Nikki Keddie, is ‘a generalized swear-word essentially referring to people who take the “wrong” position on the Arab-Israeli dispute’. Said heeft er hoe dan ook aan bijgedragen dat ook het wetenschappelijk debat over de Arabische wereld is verpolitiekt. Met beschuldigingen van intellectueel terrorisme en mccarthyisme aan de ene kant en aan de andere kant Said die het heeft over ‘guns-for-hire’ – de academici die de Amerikaanse regering adviseren – die ‘ons verzekeren dat de islam inderdaad een terroristische religie is’.


De 10 boeken die ons denken veranderden

Medium orientalism

Het gebeurt één à twee keer per decennium. Er verschijnt een boek waar werkelijk iedereen het over heeft. Alles lijkt op zo’n moment samen te vallen: een schuivende tijdgeest, een scherpe denker die aanvoelt wat de grote vragen van het moment zijn en een hongerig publiek op zoek naar nieuwe inzichten. Op dit moment is de beurt aan de Franse econoom Thomas Piketty. De vertaling van zijn Le capital au XXIe siècle is nu het grote afzetpunt in het publieke debat.

Wat waren in de afgelopen decennia de andere boeken die onze blik op de samenleving deden kantelen? In de afgelopen en de komende weken is De Groene Amsterdammer op zoek naar de recente werken die insloegen als een bom. Boeken als Betty Friedans The Feminine Mystique en Francis Fukuyama’s The End of History and The Last Man. Deze week deel 8: Edward Saids Orientalism.

Er zijn de nodige moslims die zeggen dat niemand anders dan zij de islam kan begrijpen


Beeld: Edward Saïd in 1991. Orientalism heeft volgens criticasters het slachtofferdenken in de Arabische wereld aangewakkerd (E.J. Camp / Corbis / HH)