Honoré de Balzac, Sarrasine

Een serie Franse parels

Honoré de Balzac
Sarrasine
Uit het Frans vertaald door Jan Pieter van der Sterre
Stichting Voetnoot, 75 blz., ! 9,-
In dezelfde serie Perlouses verschenen boekjes van Markies de Sade en Milan Kundera (beide ! 6,-)

Sarrasine, een verhaal van Balzac uit 1830, werd ten tijde van het structuralisme in de jaren zeventig een begrip door het boek S/Z, waarin Roland Barthes de 561 zinnen analyseerde: de neerslag van twee jaar colleges. S/Z zijn de eerste letters van de namen van de twee hoofdpersonen, de beeldbouwer Sarrasine en de door hem voor een vrouw aangeziene zanger Zambinella, in een verhaal dat dertig pagina’s beslaat op de driehonderd van Barthes’ close reading. Het romanbolwerk La comédie humaine mag niet doen vergeten dat Balzac een aantal raadselachtige kunstenaarsnovellen heeft geschreven, zoals dit omgekeerde pygmalionverhaal. In Rome meent Sarrasine in de zangeres Zambinella het ideale model voor zijn beelden gevonden te hebben én de vrouw van zijn leven. Helaas blijkt zij een castraat. Het verhaal wordt door een man aan een vrouw verteld, op een societyfeest in Parijs, om haar uit te leggen wie het oude wandelende lijk is dat iedereen angst aanjaagt. Dat is er over van de beeldschone androgyn op het schilderij dat in de villa hangt.

Het boekje maakt deel uit van een serie Franse parels (Perlouses), geredigeerd en vertaald door Marjan Hof (te weten Martin de Haan, Jan Pieter van der Sterre en Rokus Hofstede). Een nawoord bij Sarrasine was geen luxe geweest. Dat is het wel in een andere uitgave, een essay over de schilder Bacon van Milan Kundera, dat bol staat van met veel aplomb gebrachte beweringen. Passender is de brief die Jan Pieter van der Sterre aan Markies de Sade schreef over diens faam, achter in het boekje met het verhaal Augustine de Villeblanche of liefdes list uit 1787. De jonge, mooie en rijke Augustine «gaf zich», zo vat De Sade het samen, «in alle onschuld over aan elk fysiek genot waar ze maar van hield». In alle onschuld – dat verklaart ook het einde, wanneer de natuur het pleit wint en de losbandige Augustine door de man met wie zij trouwt tot «de zedigste en deugdzaamste vrouw» wordt gemaakt. Ze geeft zich gewonnen, want «de natuur heeft ons alleen voor jullie geschapen», zegt zij, die tot dan alleen van vrouwen hield. Op een carnavalsfeest liep ze, als man verkleed, Franville tegen het lijf, een begeerlijke vrouw. Als ze intiem worden, blijkt Franville een man en nog wel een die alleen op mannen valt: «We hebben ons allebei vergist.» Het retorische kronkelgesprek dat volgt, voert de twee tegennatuurlijken terug in de schoot van de natuur, waar geen kruid tegen gewassen is. Staat daar een ironieteken bij?