De bewariërs van Chaam

Een serviesvormige leegte

Na een wandeling langs de Belgische grens bij Chaam stuit Herman Vuijsje in het huis van zijn gastvrouw op een door vluchtende joden achtergelaten servies. Nooit haalde iemand het weer op. ‘Ons vader sprak er niet graag over.’

Op een avond in 2014 kwam ik, wandelend met een vriendin langs de Belgische grens, vermoeid aan bij een B&B nabij Chaam. Die dag hadden we geworsteld met de Strijbeeksche Beek, die hier de grens vormt, tevergeefs geprobeerd zijn loop te volgen, ruzie gekregen met een boer, knarsetandend de terugweg aanvaard. Daardoor arriveerden we in het pikkedonker bij onze bestemming, eenzaam gelegen aan een van de weinige wegen die niet doodlopen in dit oude grensgebied.

Onze gastvrouw Maria kon daarvan meepraten, bleek al gauw. Haar vader Harrie was smokkelaar geweest, vertelde zij. ’s Nachts trok hij over – of door – de Strijbeeksche Beek met een juten baal op de nek, gevuld met graan, rozijnen, suiker, drank of chocola. Maar ook koeien en kalveren smokkelde hij. ‘Vooral in de oorlog. Er was toen overal tekort aan, de ene keer hier in Nederland, dan weer in België. En er was geen vervoer.’

Ook mensen werden toen gesmokkeld, ging onze gastvrouw verder. Geallieerde piloten en joden. ‘Ze waadden door de beek en dan waren ze in België. Ze werden aan het Belgische verzet overgedragen op een boerderij in Meerle. Daar woonde een meisje dat later mijn moeder zou worden.’

Medium ordnungspolizeiverhaftetx

Precies weet ze het allemaal niet, want zelf is ze van 1950 en haar vader was niet erg spraakzaam over de oorlog. Maar wat wél vaststaat, is het verhaal van het servies. Het joodse servies. Niet dat ze ermee te koop wil lopen, integendeel. Maar Vuijsje, dat is toch een joodse naam? Wil ik het verhaal dan misschien horen?

Nu dan. Op een dag meldden zich bij haar vader ook joodse vluchtelingen die een grote koffer bij zich hadden met daarin een compleet porseleinen eetservies. Dat kon niet mee bij het doorwaden van de beek en werd dus achtergelaten. De eigenaars zijn niet teruggekomen om het op te halen. Over hun lot is niets bekend, hun namen zijn evenmin te achterhalen.

‘Ik heb het nog nooit aan iemand getoond’, vervolgt Maria. ‘Wilt u het zien?’

Even later staren we beneden onder de trap naar een soort dekenkist waarin keurig verpakt inderdaad een uitgebreid servies zit. Ze haalt er een bord uit, ontdoet het van zijn verpakking. Booths Real Old Willow staat op de onderkant te lezen. Ze houdt het bord ver van zich af. ‘Het is heel veel waard’, zegt ze, ‘maar ik vind het lelijk. U niet?’

Ik breng niets uit, te beduusd om me rekenschap te geven van de esthetische kwaliteit van dit verweesde porselein. De gedachte dat je met een zo kwetsbaar bezit van huis gaat om te vluchten voor je leven, al even fragiel, is hartverscheurend. En hoe en waarom schleppt iemand een servies met zich mee, god mag weten waarvandaan helemaal? Het was waarschijnlijk het waardevolste bezit dat ze hadden, maar dan nog lijkt het een grotesk idee.

Maar voor de oorlog was niets te grotesk. Met je hele familie gaan schuilen in een achterhuis, bijvoorbeeld, wie zou zoiets serieus in z’n hoofd halen? Toch gebeurde het ruim twee jaar lang aan de Amsterdamse Prinsengracht.

Er is nog iets anders dat me intrigeert aan dit verhaal waar ik zo onverwacht tegenaan ben gelopen. Natuurlijk heb ik het nodige gehoord over ‘bewariërs’, niet-joodse kennissen bij wie joden voordat ze werden weggevoerd hun huis, have of goed in bewaring gaven. Slaagden zij erin de oorlog te overleven, dan bleek bij terugkeer vaak dat de bewariërs zich hun eigendommen hadden toegeëigend. ‘Dat nou net míjn jood terug moest komen’, was vaak de onuitgesproken klacht.

De lotgevallen van dit servies geven het tegenovergestelde beeld te zien. De kans dat de eigenaars zich nog zullen melden, is praktisch nihil. Toch staat het nog steeds onaangeroerd daar bij Maria onder de trap.

‘Ons vader sprak er niet graag over’, vertelt ze de volgende ochtend. ‘Hij had het gevoel dat hij iets had wat hem niet toebehoorde. Hij had er ’t liefst van af gewild, maar wist niet hoe.’ Kort voor zijn dood gaf hij het aan haar, zijn oudste dochter: ‘Neem maar mee, dan zijn wij ervan af. Het heeft toen eerst een tijd bij mij in Tilburg in de kelder gestaan en na mijn scheiding heb ik het meegenomen hiernaartoe.’

Maar nu is zij degene die ermee in haar maag zit: ‘Ik heb het wel gekregen, maar het is niet van mij, zo heb ik het altijd gevoeld. Ik zou het kunnen verkopen of laten veilen, maar wat moet ik dan met het geld doen?’ En ze vervolgt: ‘We weten hier weinig van Amsterdam en van de joodse wereld. U bent daar waarschijnlijk beter in thuis, weet u niet een passende bestemming?’

‘Misschien moest u het gewoon in gebruik nemen’, opper ik. ‘Het was aan uw vader toevertrouwd, hij heeft die mensen geholpen en u bent zijn erfgenaam.’

Maar dat wil ze niet. Het servies is te kostbaar om te gebruiken. Bovendien voelt ze zich ongemakkelijk bij de gedachte zich iets toe te eigenen wat niet van haar is. ‘Na mijn scheiding, toen ik financieel heel krap zat, heb ik wel gedacht: als ik echt broodnodig geld nodig heb, heb ik altijd nog dat servies.’ Maar ook toen bleef het in de kelder staan.

Zeventig jaar lang schoven eerst haar vader, daarna zij de vraag die het servies opriep terzijde. En nu is het een zwijgende huisgenoot geworden, familie-erfgoed in letterlijke en figuurlijke zin. Iets waarvan je aan de ene kant afstand wilt doen, maar dat ook met de familie is vergroeid. Het verhaal van dit servies is niet alleen de onbekende geschiedenis van de eigenaars, maar ook die van de mensen die het door het lot in handen kregen en een manier moesten vinden om daarmee om te gaan.

Thuisgekomen kan ik de gedachte aan dat aan de grens gestrande servies niet van me af zetten. Alsof een zwervend weeskind mijn pad heeft gekruist – natuurlijk ontferm je je daar dan over, zeker als je de vermoedelijke geschiedenis van de ouders in aanmerking neemt.

Om meer te begrijpen van de omstandigheden waarin die hun vlucht ondernamen, verdiep ik me in de verzetsgeschiedenis van het grensgebied. Bij het Niod vind ik twee rapporten, vlak na de bevrijding opgesteld, waarin vooral verslag wordt gedaan van hulp aan neergeschoten geallieerde piloten. Ook telde Chaam veel onderduikers: hun aantal werd bij de bevrijding geschat op 350, waarschijnlijk vooral jongens die niet voor werk naar Duitsland wilden.

Over hulp aan joden vind ik het een en ander in het verslag dat de voorzitter van de Protestantse Jongeren Groep in Chaam na de oorlog opstelde. Het dorp had, uitzonderlijk in dit deel van Brabant, altijd een actieve protestantse gemeente. De voorzitter van de jongerengroep, die tevens grenscommies was, beschrijft in zijn verslag hoe een foute collega van hem en de opperwachtmeester van de marechaussee in het nabijgelegen Strijbeek samen met de Duitse grensbewaking de joden probeerden te arresteren die in groten getale naar de grens kwamen. ‘En wij loodsten de joden erdoor. Vooral in het voorjaar van 1942, bij de vlucht der joden uit Nederland naar België, werden zeer vele joden over de grens gebracht.’

Voor de oorlog was niets te grotesk. Met je familie schuilen in een achterhuis, bijvoorbeeld, wie zou zoiets in z’n hoofd halen?

Dat zo’n vluchtbeweging toen op grote schaal heeft plaatsgevonden, wordt een paar weken later bevestigd door Megan Koreman, een Nederlands-Amerikaanse onderzoekster die de ontsnappingsroutes van Nederland naar Parijs bestudeert. Als ik haar de vraag voorleg wat iemand zou kunnen bezielen om met een servies als bagage de vlucht te ondernemen, antwoordt zij: ‘Mijn inschatting zou zijn dat ze niet van plan waren verder te gaan dan België. Veel Nederlandse joden hebben daar een toevlucht gezocht. Misschien dachten zij daar een goede prijs voor het servies te krijgen.’

België was tijdens de bezetting een belangrijk reisdoel voor vluchtende joden uit heel Europa, als bestemming of als schakelpunt. De vervolging was er minder fanatiek, de bevolking minder gezagsgetrouw dan in Nederland. De cijfers bevestigen het: van de Nederlandse joden werd 75 procent, van de Belgische veertig procent vermoord.

‘Eenmaal in België was ’t makkelijk de joden de weg te wijzen. Op het Belgische platteland was het veel beter voor de joden dan in Nederland. Als je niet opviel, had je daar geen probleem.’ Dat zegt Adam Verkooijen, die in de oorlog met zijn ouders aan de Strijbeekseweg woonde, een paar honderd meter van de grens. Ook zijn vader was een smokkelaar, bevriend met Maria’s vader Harrie.

Niks bijzonders, smokkelen deed iedereen, zegt hij. ‘Tot de pastoor, tot de paters van Meersel-Dreef, de huisarts en de politie, álles smokkelde. Ja, ook joden. Mijn vader en moeder hebben er heel veel over de grens geholpen en ik denk dat Harrie en zijn vrouw dat ook hebben gedaan. Mijn moeder was voor niks bang, ze zei dat ze zeker 75 groepen naar België heeft gebracht. Ons pa regelde die contacten. Ze kwamen met de trein in Breda en daarna met het rijtuig van De Pelikaan naar ons hier. Ons moeder nam ze dan ’s nachts mee langs een vaste route via het Vossenpad naar de Strijbeeksche Beek – daar had ze een plank liggen – en dan gingen ze verder met het Belse verzet naar Hoogstraten. Geld vroeg ze er niet voor, ze deden het om die mensen te helpen. Het waren bijna allemaal Duitse joden, de meesten hadden ’t erover dat ze naar Spanje wilden. Ze kwamen uit Hamburg en andere grote steden en hadden vaak meelij met ons: de eenvoudige omstandigheden waarin we hier leefden waren voor hen een soort rimboe.’

Half ’43 stopten zijn ouders ermee, het werd te gevaarlijk. ‘De Duitsers begonnen te verliezen en werden agressief.’ Verkooijens verhaal lijkt dus dat van de voorzitter van de Chaamse protestantse jongeren – dat hier in 1942 veel joden over de grens werden geholpen – te ondersteunen. Maar over de eigenaars van het bij Maria’s vader achtergelaten servies ben ik niet wijzer geworden. Directe ooggetuigen heb ik niet gevonden. Adam Verkooijen is van 1942 en heeft zijn kennis uit de tweede hand. Ook zijn ouders waren zwijgzaam over de oorlogsperiode: ‘Mijn vader zei nooit niks en mijn moeder is pas veel later over die joden gaan praten.’

Intussen heb ik ook contact gelegd met het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Is daar misschien een plek waar dit zwervende servies rust kan vinden? Twee afdelingen blijken wellicht geïnteresseerd. Een die zich bezighoudt met ‘joods serviesgoed’ en een andere die zich richt op spullen uit de oorlog waar een bijzonder verhaal achter zit. Die kunnen dan worden geëxposeerd in het nieuwe Nationaal Holocaust Museum tegenover de Hollandsche Schouwburg.

Voorjaar 2015 komt er positief bericht van conservator Annemiek Gringold. Het servies is welkom, omdat het iets zegt over een ‘onderbelichte groep, namelijk de joden die probeerden over de grenzen te vluchten’. Ook ‘de rol van de vader en de naoorlogse zorg voor de spullen’ beschouwt zij als belangrijke onderdelen van het verhaal.

Small gekuist servies

Maar als ik Maria enthousiast opbel met het verheugende nieuws blijkt dat dat verhaal nog niet ten einde is. Een schoonzus ligt dwars, laat zij weten. Die vindt dat het servies mooi zou staan in haar keukenkast. Ik begrijp zeker wel dat de overdracht onder die omstandigheden niet door kan gaan? ‘Wellicht is dit een teleurstelling, maar ruziemaken met mijn familie kan toch niet de bedoeling zijn.’

Of ik dat begrijp? Ik probeer me voor te stellen dat zoiets in een joodse familie zou gebeuren, je zou de bonje tot in Jeruzalem kunnen horen. Maar hier moet de lieve vrede tot iedere prijs worden gehandhaafd – naar buiten toe dan.

Maria’s besluit staat vast: het servies blijft waar het is tot haar broer en schoonzus het komen ophalen. Over twee jaar gaat zij verhuizen; staat het servies er dan nog steeds, dan kan het alsnog naar het museum. ‘Dan moet u het maar komen halen en dan ben ik ervan af!’

In de loop van 2015 en 2016 informeer ik een paar keer per mail hoe het ermee staat – ik heb het museum om geduld gevraagd – en krijg als antwoord steeds het consigne af te wachten. Tot in augustus 2016 het bericht komt dat het servies ‘is opgehaald door iemand die dacht daar oude rechten op te hebben’.

Mijn pogingen om het ontheemde serviesgoed een beschut onderkomen te bezorgen, lijken hiermee definitief gestrand. Maar daar kan ik het niet bij laten. Twee jaar na die ontmoeting in Chaam ben ik zelf ook een beetje met die Real Old Willow borden en schalen vergroeid. Wil ik het verhaal van het servies, zijn onbekende eigenaars en zijn naoorlogse beheerders voor de vergetelheid behoeden, dan zal ik het zelf moeten doen. Ik bedenk dat de laatste onverwachte wending dat verhaal alleen maar veelzijdiger maakt, en meer representatief voor de lotgevallen van in bewaring gegeven joods bezit: niet van ons, maar op een bepaalde manier toch ook weer wel. Ik draai dus Maria’s nummer en vraag of ik mag langskomen. Om het levensverhaal van het servies te schrijven, heb ik haar nodig.

Het is april 2017 als ik aanbel bij Maria’s nieuwe huis in Tilburg. Ze is net aan het schilderen, haar dochter Mijke helpt en even later komt ook een broer opdagen. Hij zet zich neer op het balkon en houdt zich afzijdig. Alleen als Maria hem iets vraagt, geeft hij antwoord.

Het blijkt tekenend voor de opstelling van de broers als het gaat om de toekomst van het servies. Toen die schoonzus erover begon dat het toch zo mooi zou staan in haar keukenkast dacht Maria: ‘Ja, dáhaag, Harrie was jouw vader niet!’ Maar overleg met haar broers leverde weinig op. ‘Begin je nou al weer over dat servies?’ was zo ongeveer hun reactie. De ene zei: het interesseert me niks. De andere: verkoop het, dan ben je ervan af. De derde: je doet maar.

‘Dat servies achtervolgt me’, verzucht ze. ‘Dat is van joodse mensen, het is niet van ons, maar niemand van mijn broers vindt het een goed idee om het aan een instelling te schenken. Dan is de erfenis van ons vader foetsie, vinden zij. Dus ik heb het nakijken.’

Om ervan af te zijn, heeft ze een tussenoplossing bedacht: ze heeft het servies voor een symbolisch bedrag verkocht aan haar oudste broer Marcel – niet degene van die schoonzus. Marcel is de broer die het vorig jaar is komen ophalen. ‘Zo blijft het toch in de familie, ben ik ervan af en wordt iedereen een beetje tegemoetgekomen.’

Iedereen? Dat had ze gedacht. Zeventig jaar na dato blijft het breekbare erfstuk zich onverminderd krachtig weren. Maria knikt naar haar dochter, die in de voorkamer met de verfkwast in de weer is. ‘Nu heeft Mijke daar weer moeite mee. Wat gebeurt er met het servies als Marcel er niet meer is? Zij vindt dat het bij ons hoort. Bij mij, of anders bij haar of bij haar zus. Dus nu moet ik weer in conclaaf dat ’t terug moet.’ Ze zucht nog eens diep. ‘Er is pas bij me ingebroken, ze hebben geld en juwelen gestolen, hadden ze dat servies ook maar meegenomen!’

‘Was je je bewust van de aanwezigheid van dat servies?’ vraag ik Mijke als haar moeder even de kamer uit is.

‘Het was een soort geheim. Eerlijk verkregen, maar wel in een tijd... je moet eigenlijk helemaal niets overhouden aan de oorlog’

‘Ja, altijd al’, antwoordt ze. ‘Het was echt wel een dingetje, een soort familiegeheim.’

‘Waarom?’

‘Het was eerlijk verkregen, maar wel in een tijd… je moet eigenlijk helemaal niets overhouden aan de oorlog.’

‘Hij was een grote sterke mens’, heeft Adam Verkooijen me verteld over Maria’s vader Harrie. ‘Die smokkelaars waren allemaal beren van mannen en echte durfallen.’ Het klopt met het beeld dat Maria van haar vader schetst. Hij werd geboren in 1922 in het buurtschap Houtgoor, groeide op in een arm boerengezin en werkte mee op de boerderij. Suikerbieten van de akker halen, hout kappen in het bos en met een paard eruit slepen. Later kocht hij een paard en wagen, en daarna een vrachtwagentje, om het hout en de suikerbieten zelf weg te brengen naar het station en de fabriek. Zo werd hij boer, vrachtrijder en daarnaast natuurlijk smokkelaar.

Van Houtgoor naar de Strijbeeksche Beek was het zo’n twee kilometer over een zandweg. Maria tekent een situatiekaartje. ‘Op die plek, de Bleke Hei, lag ook mijn opa’s land. Dat kende mijn vader dus op z’n duimpje, ook in het donker, daar stond hij om bekend. Daarom zijn ze hem in de oorlog komen vragen mensen over de beek te smokkelen.’ Zij vermoedt dat hij dat met enige regelmaat heeft gedaan. ‘Hij had het over “de joden” die bij hem kwamen aanlopen.’

Het beeld van Maria’s vader wordt veelzijdiger – maar ook tegenstrijdiger – als ik Marcel bel, de broer die het servies heeft overgenomen. Hij vermoedt dat de episode met het servies zich heeft afgespeeld tijdens de weken dat het front ongeveer op de Nederlands-Belgische grens lag, in oktober ’44. ‘Aan de andere kant van de beek zaten toen al de bevrijders, Polen onder Amerikaans bevel. Harrie bracht de joden naar de grens en vertelde hoe ze moesten lopen, maar ging zelf niet mee.’

Die veronderstelling roept wel vragen op. Waarom zou je vlak voor de bevrijding nog zo’n riskante vlucht ondernemen? En waarom zijn de eigenaars dan nooit hun servies komen ophalen?

‘In de grote steden was de jodenvervolging toen zo goed als afgelopen’, antwoordt Marcel. ‘En de joden die er nog waren, snakten naar alles wat niet Duits was. Bovendien was vluchten eind ’44 niet meer zo riskant. De Duitse frontsoldaten waren geen fanatiekelingen, helemaal niet meer zo geïnteresseerd in joden oppakken. Ze hadden wel iets anders aan de kop. Dus zo’n heksentoer was ’t nou ook weer niet.’

Daarom snapt hij ook weinig van het gedoe over het servies. ‘Ik ben wel geïnteresseerd in de gruwelen die toen gebeurd zijn, maar dit servies heeft daar niet zo’n aansluiting op. Zo’n oud servies, het is niet eens compleet. Ik dacht: ik ga een vitrinekast kopen en het hier mooi wegzetten.’

Kijk, als de rechtmatige eigenaar zich nu zou melden… ‘Het zou me zelfs plezier doen als er iemand komt die zegt: dat is van mijn vader. Dat zou de zaak veranderen.’

Net als ik wil opstappen na het gesprek in Maria’s nieuwe woning komt haar dochter Mijke met een opzienbarende aanvulling. ‘Marijke heeft toch die film gemaakt op de kunstacademie? Die gaat over opa Harrie en ook over de oorlog!’

‘Verroest!’ roept Maria. ‘Helemaal niet aan gedacht!’ Marijke, de dochter van haar broer Marcel, is filmmaker. In 2000, toen haar opa nog leefde, heeft ze een korte film over hem gemaakt voor haar studie aan academie St. Joost in Breda. En ja, zegt ze door de telefoon, ze heeft het bandje nog en vindt het goed als ik het die middag kom ophalen.

Het is een oude vhs-tape, dus als ik een paar uur later bij haar voor de deur sta, moet ik het vooralsnog met een mondelinge toelichting doen. ‘Geld interesseerde mijn opa weinig’, zegt ze, ‘hij was een werker en hij wilde iets voor de mensen doen. In 1953 is hij ook met paard en wagen gaan helpen in Zeeland. Hij was echt wel iemand. Stoer! Het was een stoere tijd en hij kon dat. Hij was niet bang. En dat niet bang zijn en het gebied kennen en het donker in durven, daar was hij trots op.’

Maar wat er precies op het bandje staat, weet ze niet meer zo goed. Dat blijkt pas als ik het de volgende dag heb laten converteren. Het begint met opa Harrie, ’s nachts soppend door het veld. Het is pikdonker, maar dat is het ’m nu juist, het beeld komt steeds terug in het nog geen vijftien minuten durende filmpje.

Later staat hij bij daglicht voor een drassig veld met een bosrand op de achtergrond. Dan trekt hij laarzen aan en loopt het veld in. Het is de Bleke Hei, vroeger het land van zijn vader, nu een weidevogelreservaat. ‘Hier is die waterloop. Dat is de grens.’ Met nadruk en ontzag spreekt hij dat laatste woordje uit. ‘Ik vind ’t jammer dat de grens overal weggedaan is. Wij hadden ’t zo graag te dóen met de grens, we wilden niet anders, tenminste ikke niet.’

Niet dat het altijd zo onbezorgd was, in de oorlog. ‘Ge mocht niet binnen de vijfhonderd meter van de grens komen, hier, hè.’ Hij vertelt van doodgeschoten makkers. Zelf verschrok hij ook toen Duitsers van achter een eikenboom te voorschijn sprongen en hem meenamen. Maar na te zijn verhoord, mocht hij weer gaan.

Wel heeft hij drie keer in de bak gezeten, waarbij hij twee keer is uitgebroken. De laatste keer was in de oorlog. Hij was opgepakt door de marechaussee en opgesloten onder het gemeentehuis van Gilze. Daar trok hij de boeien over z’n handen en is op de loop gegaan.

‘O ja, hier heb ik die eh… die jood over de grens gezet. Op dat padje. Op de middag om half een. Hij wou naar Luxemburg. En toen heb ik gezegd: jongen, kijk uit, verraait ons nooit, want als er éne van ons opgepakt wordt, dan moet jouw huishouden weg. Maar ik heb er nooit niks meer van gehoord en ik hoop dat die jongen aan een goeie eind gekomen is.’

Is deze joodse jongen dus de eigenaar van het servies? Waarschijnlijk heeft Harrie meer joden de grens over geholpen, maar zeker weet niemand het.

Opa Harrie houdt zijn hand op kniehoogte. ‘Ik begon zó groot. Toen zegt mijn vader en mijn moeder: da wordt met onze Harrie niks. Hij kan nie praten, hij durft niks, hij groeit nie. En toch is het iets geworden. Maar niet veel goeds.’

Dat laatste valt wel mee, blijkt verderop in de film. ‘Ik heb onder d’n oorlog goed m’n best gedaan, ik heb er nooit geen spijt van gehad. Nou wil ik niet stoefen, hè. Ik heb vier bekwame zonen, die hebben allemaal al meer guldens als pa ooit koperen centen heeft gehad. Die hebben allemaal ’ne goeie bol hersens, maar ze presteren níet wat ik gepresteerd heb.’

Zijn kleindochter Marijke vult aan wat hij bedoelt: ‘Die hebben níet ’s nachts koeien gesmokkeld. Die zijn níet gevlucht uit de gevangenis. Die hebben geen joden over de grens gebracht.’