Een shot menselijkheid

Bij de dood van het literaire genie David Foster Wallace (1962-2008)

Medium 04004700

De Amerikaanse schrijver David Foster Wallace is dood, en dat is een verschrikkelijk verlies – maar iemand die nog nooit van zijn werk heeft gehoord, zal misschien zijn schouders ophalen. Schrijver dood. Hoe erg kan dat zijn.
Dat zijn werk in Nederland nauwelijks gelezen wordt (nauwelijks vertaald is ook) is schandelijk. Maar in de rest van het literaire universum is algemeen bekend dat Wallace de belangrijkste schrijver van zijn generatie, van een tijdperk was – de belangrijkste schrijver van nu. Iemand die wist door te dringen tot de kern van de malheur van deze tijd, die dat deed in geniaal proza, telkens op zoek naar nieuwe vormen om de meest basale, menselijke, maar bijna vergeten emoties tot uitdrukking te brengen. ‘Fiction should be exploring what it means to be human today’ was zijn literaire credo. Critici die schreven dat zijn werk te intellectueel was, te karikaturaal, te veel een vorm van ‘showing off’, zaten er net naast. Wallace zelf was zich altijd bewust van het gevaar dat een overmaat aan ‘knowingness’ een blokkade zou kunnen vormen voor de vorm van literair schrijven die hij nastreefde: literatuur als een (indirecte) vorm van empathie.

Na een te lange periode waarin zogenaamd vernieuwende, experimentele literatuur vooral een oefening in distantie en cynisme leek, injecteerde Wallace de literatuur weer met een shot menselijkheid. Het was een sensatie (‘eindelijk!’), vooral voor mensen van zijn generatie, de generatie die opgroeide in de postmoderne tijd, in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. ‘Wat is overgebleven van de hoogtijdagen van het postmodernisme,’ concludeerde hij een paar jaar geleden, ‘is sarcasme, cynisme, manische verveling, wantrouwen ten opzichte van elke vorm van autoriteit, wantrouwen ten opzichte van grenzen aan hoe we ons gedragen, en een verschrikkelijke neiging de dingen die vervelend zijn met ironie te beschouwen, in plaats van deze dingen… werkelijk beter te maken.’
Wallace was iemand die, heel simpel, de dingen ‘beter’ wilde maken. Maar niet zonder zich pijnlijk bewust te zijn van hoe moeilijk dat is.

Op 12 september maakte David Foster Wallace een einde aan zijn leven. 46 was hij. En iedereen die vertrouwd is met zijn werk is geschokt, nog steeds.
Michael Silverblatt, die in zijn radioprogramma Bookworm (op kcrw.com) allerlei literaire reuzen heeft geïnterviewd, klonk werkelijk als een gebroken man toen hij op 16 september een in memoriam-uitzending wijdde aan Wallace. Op de site van het literaire tijdschrift van Dave Eggers, McSweeney’s, staat een eindeloze stroom hyperpersoonlijke ‘tributes’ aan Wallace. En er slingeren opeens allemaal verhalen van hem rond op internet; en anekdotes, herinneringen aan ontmoetingen met hem, stukjes van studenten (hij gaf les in creative writing) die ‘heartbroken’ zijn, en verhalen van lezers, over hoeveel zijn werk heeft betekend voor hen. De vergelijking met de impact die de dood van Kurt Cobain had, is al gemaakt.
Waarom zijn deze lezers, bewonderaars van zijn werk, zo geschokt?
Niet omdat depressie en zelfmoord niet passen binnen het wallaceiaanse universum, want in al zijn werk, hoe ontzettend geestig ook, zit immers een kern van intense droefheid en eenzaamheid, en er zijn nou eenmaal dingen waar je alleen over kunt schrijven, althans zo precies, als je ze zelf hebt meegemaakt.

Ook niet omdat al deze mensen DFW persoonlijk hebben gekend of ontmoet. (Wallace was daarbij notoir schuchter, verlegen – zó extreem van zichzelf bewust dat een interview met hem een ‘excruciating experience’ was, niet alleen voor de interviewer maar ook, zichtbaar, voor Wallace zelf. Hij was iemand die zich vooral leek te schamen voor zijn literaire succes.)
Het is een schok omdat Wallace een schrijver was die in staat bleek om in de chaos en complexiteit en onoprechtheid die nu eenmaal inherent zijn aan ‘het mens-zijn in deze tijd’ een kleine opening te creëren, ruimte te maken voor aspecten van mens-zijn die we al bijna als achterhaald en ouderwets waren gaan zien: aandacht voor echte emoties, verlangens naar oprechte vormen van ‘communality’ en ook een tegen beter weten in streven naar werkelijke verbondenheid met de ander. Hij maakte gebruik van postmoderne literaire technieken omdat die vorm van schrijven voor deze generatie misschien wel de meest realistische manier van schrijven is – maar de kern van zijn werk kondigde een nieuwe vorm van humanisme aan, een relationeel humanisme (een term van de Amerikaanse psycholoog Kenneth Gergen). En nu komt er dus nooit meer een nieuw boek, nooit meer zo’n rake, ontroerende, visionaire blik op de tijd waarin we leven. Vandaar dat zijn dood een soort literaire implosie is, die een leegte achterlaat die maar moeilijk te peilen is.

Na zijn debuut (op 24-jarige leeftijd), The Broom of the System, en verschillende verhalen- en essaybundels, was het toch vooral zijn meesterwerk Infinite Jest (1996), dat Wallace’s reputatie als literair genie vestigde. Ja, het is een complexe roman, bijna 1100 pagina’s lang, die (bewust) de lezer moeite laat doen om door te dringen in de wereld die gepresenteerd wordt: een dystopisch Amerika, net na de millenniumwisseling, waarin maar liefst 171 personages zich proberen te handhaven (rolstoelterroristen, ex-verslaafden, getraumatiseerde kinderen, wonderkinderen, manische moeders, zelfmoord plegende vaders, et cetera). Maar al die figuren hebben iets gemeen en dat is cruciaal, en dat is dat ze het niet meer redden alleen.

Infinite Jest is een roman die definitief een nieuwe manier van schrijven introduceerde, waar later auteurs als Dave Eggers en Jonathan Safran Foer op door konden gaan. Het is het scharnierpunt in de recente literaire geschiedenis, zoals misschien Ulysses van Joyce dat ooit was.
Good Old Neon, een van de mooiste verhalen in Wallace’s laatste verhalenbundel Oblivion, dat gaat over een jongen (een bekende van ‘David Wallace’) die zelfmoord pleegde, is een prachtig voorbeeld van wat hij wilde doen: een dunne draad weven tussen hyperindividuele geesteswerelden, die geïsoleerde werelden van de mens-van-nu ontsluiten, al is het alleen maar in fictie. En altijd ‘with David Wallace fully aware that the cliché that you can’t ever truly know what’s going on inside somebody else is hoary and insipid and yet at the same time trying very consciously to prohibit that awareneness from mocking the attempt (…) the realer, more enduring and sentimental part of him commanding that other part to be silent as if looking it levelley in the eye and saying, almost aloud, “Not another word.”’
Het is hyperzelfbewust en ontroerend, als eigenlijk al het werk van Wallace. Hij was een van die zeldzame figuren die een nieuwe tijdgeest kunnen voorvoelen, of deze eigenlijk zelf vormgeven. Dat gaf hoop.
Maar wat nu?


Nicoline Timmer (1975) promoveerde op 5 september op het werk van David Foster Wallace met het proefschrift Do You Feel It Too? The Post-Postmodern Syndrome in American Fiction at the Turn of the Millennium