over de nominaties voor de C. Buddingh’-prijs

Een sigaar voor de avonturier

Pim te Bokkel
Wie trekt de regen aan?
Nieuw Amsterdam, 52 blz., € 14,90

Hélène Gelèns
Niet beginnen bij het hoofd
521 (Sandwichreeks nr. 13), 48 blz., € 16,90

Ester Naomi Perquin
Servetten halfstok
G.A. van Oorschot, 60 blz., € 14,50

Bernard Wesseling
Focus
Nieuw Amsterdam, 48 blz., € 14,90

Voor de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van de afgelopen twaalf maanden, zijn vier bundels genomineerd: Wie trekt de regen aan van Pim te Bokkel, Niet beginnen bij het hoofd van Hélène Gelèns, Servetten halfstok van Ester Naomi Perquin en Focus van Bernard Wesseling. Een prima shortlist lijkt me, waaraan Familie gebiedt van Lucas Hirsch en Eilandranden van Ruth van Rossum hadden kunnen worden toegevoegd.

Het rare is wel dat je met die zes dan ook alle relevante poëziedebuten van het afgelopen jaar hebt gehad. Of leg ik de lat te hoog en is zes redelijke tot goede debuten in één jaar voldoende?

Hélène Gelèns en Bernard Wesseling lijken me kansloos voor de zege. Gelèns is wijdlopig van stijl. Ze is nogal van de woordspelingen (‘alle straten hier lopen naar zee/ en je weet: ze lopen niet ze rennen’), schrijft soms flauwe dingen op, zoals de afmaker ‘wij geloven de muren/ wij geloven de muren spreken voor altijd/ wij geloven de muren spreken voor altijd uit jouw naam’, of experimenteert uitentreuren met de vorm (links op de pagina ‘ik/ ik denk/ ik en jij’ en rechts op de pagina ‘hik/ hik denk/ hik en jij’). Maar schrijven kan ze toch wel, bewijst ze in het tweeluik Staketsel van dagen, waarin een agenda wordt omschreven:

staag waden van feest naar verjaardag naar bellen met vragen

naar het psalter dat verdween uit de kast naar weken

in één pennenstreek naar een zedenpreek in vreemd handschrift

en zaterdag na zaterdag een vraagteken na den haag

Jammer van die klankrijm in regel 2 en 3, maar dat vraagteken na Den Haag is wel een vondst. Je wilt toch weten waar ze dan eventueel op zaterdag naartoe zou gaan in de hofstad. Een lakse vader? Een welofnietvriend? Gelèns schreef een aardig debuut, maar het is te onevenwichtig en nog te weinig overweldigend om te winnen.

Een moeder legt zich neer bij de schoonheid van haar dochter

Als de Buddingh’-prijs een beloning zou zijn voor de beste dichtregel, dan zou Bernard Wesseling ’m mogen krijgen voor de bovenstaande vaststelling. Het moet tot een euforische kreet in zijn werkkamertje hebben geleid. Andere regels met dezelfde inzet beklijven minder en lijken het resultaat van een doldrieste ramkoerspoëtica. ‘Zweer op de fontanel van de grootst denkbare baby’, ‘Geef me een vroom idioom om me zachtjes mee op te knopen’, ‘Homevideo me’. Het zijn nog aanzetten, in plaats van blijvende resultaten. Maar in een debuut is dat niet erg en bovendien is er voldoende belofte.

Achter op het erf kraait de haan

dit zijn de betonnen luchten die erboven rondwaren

en God is een documentairemaker die denkt:

sla niet om te zien wat leeft, raak aan om te zien wat bestaat

Al zijn dit dan weer klassieke regels, die nog wat onbeholpen haaks staan op het streetwise vocabulaire dat ook door de bundel tettert. De taal is welkom, maar nog te weinig standvastig of eigen. Net als Gelèns moet Wesseling zijn stem nog vinden.

Pim te Bokkel en Ester Naomi Perquin hebben die stem al wel. Perquin zal de Buddingh’-prijs gaan winnen, omdat ze dicht alsof ze al decennia lang meegaat.

ONTWERP

Iemand verzon een plaats, een bos

zoals het hem voor ogen stond: rijen bomen

en ook op wiens geboortegrond geplant.

Bedacht volgens schemering

die tussen dat hecht vertakte van jong hout

het rag, het tasten tussen dunne basten is.

Voorzag zelfs het hart alvast,

dat alles werd dat over was: initialen

los van namen in de schors gekrast.

Maar niet de angst voor het verdwalen,

het haastig zoeken naar een pad

dat niet in de maquette past.

Perquin rijdt in dit gedicht maar één scheve schaats en dat is dat te makkelijke ‘tasten tussen dunne basten’, maar voor de rest is het een goed gedicht over het zoeken naar de wrat op het mannequinnelijf, het barstje in de crème brûlée of in dit geval ‘het pad dat niet in de maquette past’. De bundel staat vol met uppercuts (‘Welk nog onzichtbaar etiket/ is in mijn nekrand vastgezet?’, ‘Iedere dood raakt aan eerdere doden/ en iedere rouw aan de rouw van weleer.// Tussen de banken gaan onze skeletten/ als wilde supporters tekeer.’). Tegelijkertijd ontbreken het avontuur, de vervreemding en de waanzin die het werk van Pim te Bokkel kenmerken.

DE ZEVEN REIGERS

Buiten de muren van de schapenslaap

op de daken

paraderen de reigers

de berken verderop en het straatgras

hoor je de stormende aanwas

en zie je dat het plein omcirkeld is?

De vuilniszakken wachten af

bij de stoeprand en de losgebroken BMW

De gang van zeven reigers

de neergang

en na de landing het bewegen op de tenen

in de richting

van het ingepakte huisvuil

eén blik achterom nog

Als niemand het afkeurt gebeurt het

Het grote verschil zit in het kleinste detail, in dit gedicht betreft het het woord ‘straatgras’. Ik wed met u om vijftig euro dat u dat woord nog nooit in een gedicht heeft zien staan. Wat raar is, want iedereen weet wat straatgras is. Op de een of andere manier voegt het zich naadloos bij ‘stoepranden’ en ‘belletje trekken’. Het is gras dat uiteindelijk zal moeten buigen voor de luie schoffel van een man in een oranje pak. Dit is poëzie vanuit een slaapstad. In de verte hoor je het malen van de vuilniswagen. En dan de eindregel, die een pagina verderop een miraculeus vervolg krijgt:

Meestal net als je de andere kant op kijkt

verandert er iets

En wat verandert er dan? ‘Een lepel hangt wat schever in het kopje dan de dag ervoor’. En dat gedicht noem je dan Transformaties, waarmee je het gedicht een geweldige hak zet. Dichters die hun eigen tekst een geweldige hak kunnen zetten zonder literair in te boeten, krijgen van mij een sigaar. Perquin is de beste dichter van de vier, maar ik rook er een op Pim te Bokkel. De avonturier.