DE GRAVURES VAN GOYA

Een sikkel in zijn aars

Geen enkele kunstenaar preludeerde dwingender op de oorlogsgruwelen van onze tijd dan Goya. In Parijs is nu een overzicht van zijn etsen te zien.

Kijk naar de etsen van Francisco José de Goya y Lucientes (1746-1828) en je ziet het heden. Neem zijn Caprichos, de serie satirische etsen waarin Goya de sociale groeperingen en religieuze instituties van negentiende-eeuws Spanje op de hak nam: niets dan drankzuchtige monniken en geldbeluste vrouwen. Ze vormen de oorsprong van de maatschappelijke satire zoals beoefend door Daumier en Lautrec en klinken nog steeds door in het satiredebat waar de laatste jaren zo veel om te doen is geweest. Of bekijk Los Disparates, de gitzwarte serie vol grimassende gnomen en uitzinnige menigten, die Goya, paranoïde en gedesillusioneerd, aan het einde van zijn leven maakte. Het is een beeldtaal die we vandaag de dag nog steeds tegenkomen in horror- en fantasy-_films, als Pan’s labyrint in _Lord of the Rings.

Als er echter één werk is dat een directe lijnverbinding met de twintigste en vroeg 21ste eeuw lijkt te hebben, dan is het Los Desastres de la Guerra (voluit: Fatales Consquencias de la Sangriente Guerra en España), Goya’s postuum uitgegeven serie van 83 etsen over de verschrikkingen van de oorlog. Geen andere kunstenaar preludeerde in zijn werk zo dwingend op de oorlogsgruwelen van onze tijd. De vernederde gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis: Goya. Het schuldige landschap rond de Duitse concentratiekampen: Goya. De massagraven van voormalig Joegoslavië: wederom Goya. Als Goya niet over profetische gaven beschikte, dan op z’n minst over een grote intuïtie wat betreft de nimmer aflatende bloeddorst en oorlogszuchtigheid van de mens.

De aanleiding voor de serie was de inval van Napoleon in Spanje in 1808. Die hoopte met open armen te worden ontvangen, maar moest een zes jaar durende guerrillaoorlog uitvechten – die hij uiteindelijk verloor. In zijn levendige, schijnbaar achteloos gecomponeerde etsen en met een groot gevoel voor suspense (merk op dat Goya’s prenten een gebeurtenis vaak een split second voor het moment suprême tonen) deed Goya verslag van de verschrikkingen van de guerrillaoorlog. Wat zien we? Dit: een drietal grijnzende Franse soldaten die op het punt staan een Spaanse patriot, zijn mond wijd opengesperd van de pijn, op te hangen aan een boom (¿Porque?, 1863). En dit: drie lichamen gespietst op een boomstronk, ontdaan van hoofd en armen als de Venus van Milo (¡Grande hanzaña! ¡Con muertos!, 1863). Andere etsen tonen de slag om Madrid en de desillusie onder het verlichte deel van de Spaanse burgers die volgde op de terugkeer van Ferdinand VII en het herstel van de strenge constitutie.

Los Desastres is een mijlpaal in de kunstgeschiedenis. Niet alleen omdat Goya de ets- en aquatinttechniek ermee op een nieuw niveau bracht, maar vooral omdat hij de iconografie van de oorlog in de beeldende kunst er voorgoed mee veranderde. Bij Goya geen spectaculaire veldslagen à la Rubens of heroïsche martelaren, zoals bij Mantegna, maar kuilen vol lijken, levenloze lichamen die zo verminkt zijn dat ze nauwelijks meer zijn te herkennen, kinderen die huilen terwijl hun vermoorde moeder door omstanders wordt weggedragen, vrouwen die verkracht worden door groepjes morsige soldaten. Goya demystificeerde de oorlog, ontdeed die van zijn heroïsche connotaties. Bij hem is er geen overwinning, geen glorie, geen verlossing en geen hoop. Er zijn geen winnaars. Enkel verliezers. Het is een opvatting die sindsdien door vele schilders – Delacroix, Manet, Picasso – en geëngageerde fotojournalisten – Robert Capa en James Nachtwey – werd en nog steeds wordt ingezet.

Wat zette Goya aan tot het maken van zijn serie? Een hang naar roem? Geld? Het lijkt onwaarschijnlijk. Goya was al zestig toen hij zijn serie begon en had een gevestigde reputatie. Bovendien maakte hij zich in het nationalistische Spanje met antioorlogetsen niet populair en was de Caprichos-serie die Goya een paar jaar eerder had gemaakt beslist geen commercieel succes – het fanatieke adverteren in een Madrileense krant ten spijt.

Ook patriottistische motieven lijken Goya vreemd. Hij was weliswaar schilder aan het Spaanse hof, en schilderde in die hoedanigheid talrijke vorsten en vorstinnen (en hun al even talrijke minnaars en minnaressen), zijn politieke sympathieën lagen echter dichter bij het verlichte liberalisme dat Napoleon de Spanjaarden beloofde dan bij het absolutisme van zijn opdrachtgevers. En Goya zelf mocht dan van eenvoudige komaf zijn – hij was de zoon van een vergulder – zijn vriendenkring bestond voor een groot deel uit intellectuelen.

Die ambivalente houding ten opzichte van zijn vaderlandsgezinde landgenoten zien we terug in zijn etsen. Die zijn nooit expliciet propagandistisch of eenduidig nationalistisch. Akkoord, ze doen uitgebreid verslag van de verschrikkingen die waren aangericht door het Napoleontische leger, tegelijkertijd zijn ze niet blind voor de bloeddorst en het blinde nationalisme van de guerrillastrijders (die soms in niets verschilden van ordinaire bandieten). Een ets (Lo mismo, 1810-1820) toont een schreeuwende patriot die met een grote bijl inhakt op een liggende Fransman.

Een andere ets (Populacho, 1863) toont hoe een menigte van woedende burgers toekijkt hoe een oude vrouw het lijk van een Franse soldaat, de voeten bijeen gebonden, met een knuppel bewerkt, terwijl haar kompaan bezig is een halve maan (een sikkel die werd gebruikt om de hamstrings van een stier door te snijden) in de aars van het lijk probeert te proppen. Het wekt weinig verbazing dat Goya na de aftocht van Napoleon in ballingschap in Frankrijk ging leven.

Eerder dan uit vaderlandsliefde lijken Goya’s etsen geboren uit een innerlijke noodzaak om verslag te doen van wat hij had gezien. Oorlog was voor Goya geen abstract gegeven; hij had het aan den lijve ondervonden. Op uitnodiging van legeraanvoerder Palafox bezocht hij de puinhopen van het zwaar belegerde Zaragoza, waar de Fransen zich huis voor huis binnen hadden moeten vechten. Ook was hij er getuige van hoe een stel patriotten door de Fransen koelbloedig geëxecuteerd werd.

Al die beelden – en de talloze verhalen die hij ongetwijfeld uit de eerste hand hoorde – brachten zijn fantasie tot een kookpunt. Goya wilde geen verslag doen van de bloeddorst en redeloosheid die hij om zich heen zag, hij moest er verslag van doen. De etsen waren zijn persoonlijke bezweringsformule, zijn psychologische uitlaatklep. ‘Ik heb het gezien!’ schreef hij onder een van zijn etsen. De kijker kan daaraan toevoegen dat het niet onopgemerkt is gebleven.

Goya, Graveur, Petit Palais, Parijs, tot en met 8 juni