MODERNE SLAVERNIJ

‘Een slaaf is goedkoper dan ooit’

Benjamin Skinner schreef een boek over moderne slavernij. Hij sprak honderden (ex-)slaven en deed zich in verschillende landen voor als koper. Ook hier.

‘Slavernij is een metafoor geworden’, zegt Benjamin Skinner (1976). ‘We gebruiken het als synoniem voor hard werk, voor carrièreplichten of voor uitbuiting. Er is in de hele wereld een merkwaardig gebrek aan besef dat slavernij echt bestaat, terwijl er meer slaven zijn dan ooit tevoren en een slaaf goedkoper is dan ooit. Ik wil laten zien wat slavernij betekent, op menselijke schaal. En ik wil laten zien dat het geen onvermijdelijk bijproduct is van armoede, maar een misdaad waartegen te vechten is.’

Skinner is bevlogen, net als veel anderen die na eerste aanraking met moderne slavernij het onderwerp niet meer los kunnen laten. ‘Ik heb geen enkele twijfel: dit is een levenslange roeping voor me’, zegt hij in een telefonisch interview. Voor zijn boek A Crime So Monstrous sprak de Amerikaanse journalist, behalve met de gebruikelijke experts en hulpverleners, met ruim honderd slaven en ex-slaven in twaalf landen: van seksslaven in Amsterdam tot stenengravers in India, van kindsoldaten in Soedan tot huishoudslaafjes in Haïti. En in diverse landen deed hij zich voor als klant die een slaaf wilde kopen. ‘Tijdens de eerste weken in een land had ik grote moeite om ook maar één slaaf te vinden’, schrijft hij, ‘maar als ik eenmaal de juiste, vaak criminele contacten gevonden had, ging ik door de spiegel. Daarna zag ik overal slaven.’

En die zijn vaak voor weinig geld te koop. In Skinners boek ligt de ‘marktprijs’ van een Oost-Europese (seks)slavin in Nederland rond de 2500 euro, maar in Haïti bedong hij voor een seks-/huisslavinnetje van elf jaar oud een prijs van vijftig dollar (zonder de koop overigens te sluiten). Ter vergelijking: een zwarte slaaf kostte in het Zuiden van de Verenigde Staten halverwege de negentiende eeuw dertig- à veertigduizend dollar, omgerekend naar huidige prijzen.

Skinners boek trok in de VS veel aandacht. Vele grootheden op mensenrechtengebied prezen het, waarna ook Amerikaanse presidentskandidaten zich haastten te verklaren hoe belangrijk het boek was. Slavernijbestrijders hopen het nu tot een verkiezingsthema te maken. Skinner is blij met de vele aandacht, maar ook sceptisch. De feiten over moderne slavernij zijn immers al bekend, bijvoorbeeld door het boek Disposable People: New Slavery in the Global Economy van socioloog Kevin Bales uit 1999. ‘Bales’ boek wordt kennelijk te wetenschappelijk gevonden’, zegt Skinner. ‘Ik wilde moderne slavernij een gezicht geven door de verhalen van mensen op te tekenen.’

Die verhalen zijn vaak gruwelijk. Een dieptepunt, dat Skinner aan zijn hele onderneming deed twijfelen, was een ‘transactie’ in Boekarest. Na wat rondvragen vond Skinner een mensenhandelaar die hem in een slavenbordeel langs verkrijgbare vrouwen leidde. Als laatste kreeg Skinner een meisje te zien dat leed aan het syndroom van Down. ‘Het was duidelijk dat ze dagelijks werd misbruikt. Ze was haastig opgemaakt, maar dat maskeerde niet dat ze veel huilde, en op haar armen waren littekens van zelfmoordpogingen te zien. Ik mocht haar meenemen in ruil voor een tweedehands auto.’

Skinners undercovermethode is het aangaan van deals en dan naar de politie stappen. Als regel betaalde hij nooit, ook niet om een slaaf daarmee vrij te krijgen. ‘Óf je gaat dan een enorme verantwoordelijkheid aan, óf je gooit iemand zonder netwerk, geld of mogelijkheden de maatschappij in. Bovendien draag je bij aan de slavernij-economie’, zegt hij. Het weglopen bij aangeboden slaven raakte hem soms diep, zoals in het geval van het Roemeense meisje: ‘Toen ik de volgende dag aangifte deed, vertelde de politie me dat dit nou eenmaal zo gaat bij zigeuners, dat het hun manier is. Ik raak dat nooit meer kwijt.’

Skinner wijst op een merkwaardige tegenstelling. Slavernij was de eerste mensenrechtenschending die internationale verontwaardiging en militaire acties uitlokte. Vanaf het begin van de negentiende eeuw zette Groot-Brittannië landen onder druk om de slavenhandel te beëindigen en viel de Royal Navy slavenschepen aan. Maar nu mensenrechten een groeiende rol spelen in de internationale politiek wordt slavernij steeds meer vergeten. Druppelsgewijs is slavernij in alle landen ter wereld afgeschaft, maar het aantal slaven lijkt alleen maar te zijn gegroeid.

Wat aantallen betreft hangt veel af van definities en rekenmethoden. De eerder genoemde Kevin Bales hanteerde drie voorwaarden om van slavernij te spreken: iemand moet werken onder dwang, moet het werk zijn ingelokt met geweld of bedrog, en moet geen loon ontvangen of alleen genoeg om voor zichzelf basismiddelen te verkrijgen. Veel vormen van dwang- of kinderarbeid vallen niet onder die definitie. Toch kwam Bales tot een onderbouwde schatting van 27 miljoen slaven wereldwijd, waarschijnlijk het hoogste absolute aantal ooit; de keerzijde is dat het percentage slaven op de gehele wereldbevolking waarschijnlijk lager is dan ooit.

‘Klassieke’ slavernij, waarbij mensen als eigendom van anderen worden beschouwd, komt nog op grote schaal voor, vooral in Mauretanië en Niger, waar respectievelijk zo’n twintig en acht procent van de bevolking slaaf is. Maar ook in Zuid-Amerikaanse, Aziatische en andere Afrikaanse landen is de praktijk wijdverbreid, zoals bijvoorbeeld de recente ontdekking van 167 kindslaven in fabrieken in het Zuid-Chinese Dongguan illustreerde. Een moderne variant is contractslavernij, waaronder mensen wurgcontracten moeten uitdienen die neerkomen op slavernij. Vaak moet daarbij een (soms fictieve) ‘schuld’ worden afgelost aan de werkgever. Een absurd voorbeeld trof Skinner aan in India, waar hij mannen trof die onder helse omstandigheden werkten in een steengroeve om ‘schulden’ terug te betalen van generaties terug. Zo trachtte een 46-jarige man een ‘schuld’ af te betalen die zijn grootvader in 1958 was aangegaan ter waarde van 68 dollarcent. Inmiddels was de ‘rente’ opgelopen tot ruim vijfhonderd dollar. Een andere moderne variant is loonslavernij. Daarvan is sprake als iemand (vaak een kind) geen andere opties heeft dan te werken voor een loon dat net genoeg is om in leven te blijven. ‘Werkgevers’ weten dat het voor sommige families al een verlichting is als zij één mond minder te voeden hebben, en dat zij makkelijk met valse beloften te verleiden zijn.

Al deze vormen van slavernij hebben gemeen dat ze zelden zo worden genoemd. Skinner: ‘In internationale fora gebruikt niemand de term. Slavernij is overal officieel verboden, en landen zijn bang elkaar te beledigen door het over elkaars slavernij te hebben. Dus worden eufemismen gebruikt als dwangarbeid of mensenhandel. Overheden behandelen slavernij in hun land als een armoedeprobleem, terwijl dat maar een deel van het verhaal is. En ten slotte willen ook burgers over de hele wereld niet aan het idee dat er in hun land slavernij plaatsvindt. Dat geldt voor India, waar tien miljoen slaven zijn, maar ook voor het Westen.’

Skinner wil internationale erkenning van het probleem en bewustwording bij burgers. Daaruit moet meer actie tegen mensenhandel voortvloeien, en programma’s in de regio’s waar slavenhandelaren actief zijn. ‘Zij weten precies waar ze aan slaven kunnen komen, dus kunnen wij dat ook weten. Op die plekken hebben we voorlichting, armoedebestrijding en getrainde politie nodig’, zegt hij. Maar mensen moeten ook gespitster zijn op het probleem in hun omgeving. Bijvoorbeeld in Amsterdam.

Die stad speelt in Skinners boek een prominente rol als doorvoerpunt of bestemming voor Oost-Europese vrouwen, die met valse voorwendselen de prostitutie in worden gelokt. Hij vertelt het verhaal van een Roemeense die op het station door haar ‘vriendje’ wordt overgedragen aan een Nederlandse pooier, waarna ze onder dwang van geweld en bedreigingen tegen haar familie aan de slag moet. En zo zijn er duizenden in Nederland – in Skinners boek wordt hun aantal geschat tussen de vijf- en twaalfduizend. ‘Pooiers en smokkelaars misbruiken de ruimte die Nederland geeft’, vindt hij. ‘Volgens een Amsterdams rapport kan een pooier tot 250.000 euro per jaar verdienen door seksslaven te houden. Daar kan geen beleid tegenop.’

In veel westerse landen hebben pressiegroepen vrouwenhandel op de politieke agenda gezet, zoals in de VS, door een monsterverbond tussen evangelisten en feministen. ‘Het is prachtig dat een sterke lobby opkomt voor seksslaven’, zegt Skinner. ‘Maar die lobby is zo succesvol dat westerlingen bij slavernij vaak alleen nog aan sekswerk denken. Dat is een botte ontkenning van de omstandigheden waarin miljoenen slaven over de hele wereld leven. De emancipatie van de ene slaaf gaat dan ten koste van de andere.’

Benjamin Skinner, A Crime So Monstrous, Mainstream, 335 blz., £ 9.99. Websites over slavernij: antislavery.org, freetheslaves.net