De commercialisering van militaire missies

Een slaatje slaan uit veldslagen

Wegens bezuinigingen worden bij internationale militaire missies taken als catering en materiaalonderhoud steeds meer overgelaten aan bedrijven. Dat is goedkoper, zelfs als die bedrijven de diverse overheden, ook de Nederlandse, ongegeneerd oplichten.

Gemakkelijk was het niet, maar adjudant Massop en sergeant-majoor Vankan houden wel van een uitdaging. De ruim vijfhonderd Nederlandse militairen die begin oktober 2014 in de hete boogtent op Kamp Castor aanschuiven, krijgen een dampend bord boerenkool met worst en een karbonaadje voorgeschoteld. De boerenkool is speciaal uit het noodrantsoen gevist. Hollandse stamppot, midden in de woestijn van Mali. ‘Pure luxe’, vindt Massop.

Medium beeldunie 00132697
Afganistan, 21 november 2008. Kamp Holland Uruzgan. Al het kantinevoedsel werd hier verzorgd door het bedrijf Supreme. © Jeroen Oerlemans / De Beeldunie

Aan de keukencrew heeft Massop uitgelegd dat Nederlanders hun stamppot als een ‘vulkaan’ willen hebben. ‘Dus met een kuiltje jus in het midden. Dat maakt het af.’ Het keukenpersoneel heeft enige uitleg nodig omdat de werknemers niet uit Nederland komen: de foodmanager is een Duitser, de koks komen uit India, Zimbabwe, Nepal en Mali. Ze zijn ingehuurd personeel van het bedrijf Supreme, blijkt uit Massops verslag dat twee jaar geleden in het defensiemagazine Pijler stond.

Het Nederlandse leger doet de catering tijdens missies al lang niet meer helemaal zelf. Net als voor veel andere taken huurt Defensie daar bedrijven voor in. Uitbesteding is onder druk van bezuinigingen steeds normaler geworden, waarbij de overheid ervan uitgaat dat commerciële partijen flexibeler zijn, efficiënter werken en dus goedkoper zijn. Met name logistiek werk, catering en onderhoud van voertuigen worden aan de markt overgelaten. Dit zijn volgens het ministerie geen essentiële militaire taken. Toch kunnen ze van cruciaal belang zijn voor een operatie. ‘Gevechten, campagnes en zelfs oorlogen worden gewonnen en verloren door logistiek’, zou Dwight Eisenhower gezegd hebben.

Missies in Afghanistan en Mali zijn complex en gevaarlijk, de infrastructuur is slecht en de aanvoerlijnen zijn lang. Slechts een handjevol commerciële bedrijven kan onder deze omstandigheden werken en het duurt al snel een half jaar om een logistieke keten op te bouwen. Het is daardoor bijna onmogelijk om van dienstverlener te wisselen. Van de tucht van de markt blijft zo weinig over, blijkt uit onderzoek voor dit artikel. Zelfs stelselmatige fraude is voor Defensie geen reden om een bedrijf aan de kant te zetten.

De 48-jarige Peter van der Molen weet het nog goed. Als hij in 1991 na zijn dienstplicht besluit om beroepsmilitair te worden, moet hij naar de koksschool van Defensie in Haarlem. Het koken en de krijgsmacht zijn dan nog diep met elkaar vervlochten, het ochtendappèl wordt in kokskleren afgenomen. Acht maanden lang leert Van der Molen de kneepjes van het vak. Van dieetkoken tot zelfs een slagersvakopleiding. ‘Want het kan zomaar zijn dat je op uitzending een keer een varken krijgt, je moet je daar maar mee zien te redden.’

Als kok gaat Van der Molen aan de slag in Srebrenica. Rond 2000 zit hij in Knesevo, Bosnisch Servië, waar hij commandant van de keukengroep is. Met tien dollar per persoon per dag moet hij ervoor zorgen dat de militairen in zijn groep ontbijt, lunch en avondeten krijgen. Als hij vier jaar later naar Irak gaat, is Van der Molen inmiddels opvolgend pelotonscommandant en medeverantwoordelijk voor de groepen die voeding, brandstof en munitie voor de kampen regelen. Het zijn niet meer de Nederlanders die het eten voor de kampen verzorgen, dat is uitbesteed aan Supreme. Het bedrijf levert in Irak de producten één keer per week af in jingle trucks: fel gekleurde vrachtwagens van vaak lokale zelfstandige chauffeurs die hun naam ontlenen aan de versiering met belletjes.

‘In het begin werd er wel eens met de leveringen gesjoemeld’, herinnert Van der Molen zich. ‘De chauffeurs waren een soort zzp’ers, die haalden er soms wat uit. Of we hadden een aantal containers besteld, en dan miste er één. Die chauffeur was dan waarschijnlijk onder druk gezet, zo van: we willen jouw lading, anders vermoord ik jouw familie. Soms werden ze gezien als collaborateurs, omdat ze ons bevoorraadden.’ Maar de jingle trucks blijven rijden.

De chauffeurs zijn zogenoemde contractors: een enigszins verwarrende term voor zowel bedrijven als individuele uitzendkrachten of zzp’ers die tegen betaling allerlei militaire klussen voor ngo’s, bedrijven en overheden uitvoeren. Sommigen onderhouden de militaire voertuigen. Anderen beschermen personen en transport, waarbij het gebruik van geweld is toegestaan. Zoals de beveiligers van het beruchte Amerikaanse private veiligheidsbedrijf Blackwater, die op 16 september 2007 tijdens de bescherming van een konvooi in Bagdad veertien ongewapende Irakezen doodschieten. In totaal werken er aan het begin van het millennium naar schatting 180.000 private dienstverleners in Irak, ongeveer evenveel als het aantal militairen. Het is een enorme toename ten opzichte van eerdere missies: bij de bevrijding van Koeweit in 1991 was die verhouding nog één op vijftig.

Het zijn de Amerikanen die voorop lopen in deze privatisering van de oorlog, schrijft David Isenberg in het boek From Mercenaries to Market. Dat heeft ook te maken met de technische vooruitgang. Burgerexperts zijn bijvoorbeeld noodzakelijk voor het beheren van computersystemen die tactische luchtbeelden in elkaar zetten, of voor het verwerken van informatie van onbemande Predator-vliegtuigen. Zelfs het verhoren van gevangenen in Irak besteden de VS uit. Verschillende rapporten wijzen er volgens Isenberg op dat de contractors betrokken zijn bij de martelingen en mishandelingen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib.

Niet alleen in Irak is de samenwerking met bedrijven ingewikkeld. De Isaf-operatie in Afghanistan vergt veel van de logistieke organisatie van de missie, alleen al vanwege de volumes. Al het personeel dat namens alle landen voor de operatie in het gebied aanwezig is, verbruikt elke dag opnieuw een Olympisch zwembad aan drinkwater. Samen verorberen ze dagelijks het gewicht van 1750 koeien aan voedsel en de tanks en andere voertuigen verbruiken op één dag evenveel brandstof als het volledige Nederlandse leger in een heel jaar.

Al die voeding en brandstof moet via een beperkt aantal wegen door gevaarlijke gebieden naar de afgelegen kampen van alle deelnemende landen gebracht worden. Afghanistan ligt niet aan zee, wat de toevoer nog ingewikkelder maakt. Invliegen is duur, wegtransport duurt lang. Vrachtwagens van havenplaats Karachi in Pakistan doen er zo’n vijf dagen over om in Kandahar te komen. De tocht over de weg van Kabul naar bijvoorbeeld het Europese overslagpunt voor bevoorrading in Tallinn, Estland, duurt al snel zeventig dagen. Bij elkaar 51 landen, niet allemaal lid van de Navo, moeten samen deze toevoer regelen.

Het van oorsprong Amerikaanse bedrijf Supreme ziet zijn kans schoon. De cateraar heeft wereldwijd 72 ondernemingen en levert diensten in afgelegen gebieden over de hele wereld. In 2005 sleept het bedrijf het contract binnen om het Amerikaanse leger in Afghanistan onder andere van voedsel en water te voorzien. Bederfelijke waren koopt Supreme lokaal in. Het voedsel slaat het op in een gigantisch opslaggebouw met enorme koelinstallaties, midden in de woestijn in Helmand. ‘Een soort minifort was dat, met eigen beveiliging. En van daaruit bevoorraadden ze een aantal eenheden in Zuid-Afghanistan’, vertelt kolonel meester Joop Voetelink in zijn kantoor aan de Faculteit Militaire Wetenschappen in Breda.

Het bedrijf begint een ingewikkeld fraudeplan, blijkt uit Amerikaanse rechtbankverslagen. Een maand nadat het contract gesloten is, richten de eigenaren een onderneming op in de Verenigde Arabische Emiraten: Jafco, een afkorting van Jamal Ahli Foods Company. Supreme probeert de relatie met de nieuwe onderneming voor de rest van de wereld verborgen te houden. Het bedrijf meldt de nieuwe onderneming dan ook niet bij de Amerikaanse overheid, een van de redenen dat de rechter de gang van zaken later een ‘samenzwering tot fraude’ zou noemen.

‘Als je een probleem hebt in tijd van oorlog kun je niet roepen: u bent over twee maanden aan de beurt’

Jafco koopt in Afghanistan voor de lokale prijs groente en fruit in en verkoopt dat voor een hogere prijs aan Supreme. Deze verhoogde prijs presenteert het vervolgens aan de Amerikaanse overheid als inkoopkosten. Daar bovenop ontvangt het bedrijf nog een vergoeding voor de geleverde diensten. Het Amerikaanse OM beschrijft hoe het geld in de zakken van Supreme belandt: Jafco ontvangt elke maand een factuur, precies ter hoogte van het bedrag dat op dat moment op de rekening van de onderneming staat.

Terwijl Supreme zijn fraudeplan uitrolt, besluit het kabinet-Balkenende II begin 2006 dat Nederland deel zal nemen aan de Isaf-missie in Uruzgan in het zuiden van Afghanistan. Voor de landmacht is het de grootste logistieke operatie sinds de Tweede Wereldoorlog. Het ministerie wil militaire taken verder uit handen geven. Een jaar na de Amerikanen sluit daarom ook Den Haag een contract met Supreme. Hoewel Nederland nog weinig ervaring heeft met militaire contractors komt de inzet van een bedrijf als Supreme niet uit de lucht vallen. De jaren voor de missie in Uruzgan is er flink op Defensie bezuinigd. ‘De inzet van contractors bood de mogelijkheid de capaciteiten van de strijdkrachten op peil te houden zonder de gestelde budgetten te overschrijden’, stelt Voetelink.

De keukencapaciteit is dan al flink ingekrompen. Eerst zijn de kookgroepen van alle krijgsmachtdelen in 2004 bij elkaar gebracht in Paresto, een ‘paars’ overheidsbedrijf: de kleur die je volgens Defensie krijgt als je ‘marineblauw, landmachtgroen en luchtmachtgrijs’ met elkaar mengt. Vervolgens zijn er binnen anderhalf jaar 587 van de circa achttienhonderd functies verdwenen.

‘Idealiter zou je alles zelf willen doen. Maar Defensie moest noodgedwongen een kleine organisatie worden. Dan ga je op die dingen bezuinigen die niet betrekking hebben op essentiële taken.’ cda-Kamerlid Raymond Knops is oud-beroepsofficier bij de Koninklijke Luchtmacht. Hij legde in 2004 nog tijdelijk zijn werk als wethouder neer om voor ruim drie maanden in Irak te dienen als reserveofficier. ‘Je wordt afhankelijk van anderen en dat is niet ideaal’, erkent hij. ‘Maar als Defensie een vergelijkbare capaciteit zelf zou willen hebben, zou dat vele malen duurder zijn.’

Behalve de catering komen ook andere klussen in handen van contractors. ‘Uitbesteding en privatisering van militaire taken komen steeds vaker voor’, stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (aiv) in 2007 vast. Op verzoek van de regering heeft de raad zich over de inhuur van private militaire bedrijven gebogen. De inventarisatie die dat oplevert is door gedeeltelijke geheimhouding onvolledig, maar levert al een aardige lijst ingehuurde bedrijven op.

Zo regelen PANH Rusland en Safair het lokale luchttransport per helikopter, Antonov- of Hercules-vliegtuig. Het onderhoud van voertuigen, de schoonmaak en de was zijn eveneens uitbesteed. Het Amerikaanse bedrijf Dyncorp helpt bij het opleiden van de lokale veiligheidsdiensten. Shell transporteert voor het Nederlandse leger de brandstof uit Pakistan naar de bases in Uruzgan, Supreme levert het voedsel. Dat transport is erg gevaarlijk en trucks worden regelmatig aangevallen door struikrovers of de Taliban. Omdat het Nederlandse leger de trucks van commerciële partijen niet zomaar in een konvooi kan opnemen en beschermen, huren Shell en Supreme zelf hun gewapende beveiliging in. Verder beveiligen 290 individueel ingehuurde bewapende Afghanen de buitenringen van de kampen in Deh Rawod en Tarin Kowt, en lopen ze mee op patrouilles. Idealiter zou het leger dat zelf doen, beaamt Knops, maar de inhuur is uit nood geboren. ‘Je eigen beveiliging besteed je uit, zodat je high skilled militairen buiten de poort kunt uitsturen voor speciale operaties.’

Defensie had ook het onderhoud van medische apparatuur in Afghanistan uit handen gegeven, vertelt vakbondsman Louis Schipper, maar kwam daar later op terug. Met de aanschaf van nieuwe operatiekamers kocht Defensie er in Afghanistan ook onderhoudscontracten bij. De eigen specialisten van het leger waren daardoor niet meer nodig. ‘Dat heeft ongeveer anderhalf jaar geduurd’, zegt Schipper. ‘Toen kwamen ze er op uitzending achter: dat bedrijf dat repareert het wel, maar in bepaalde omstandigheden kun je er niet van op aan. Als je een probleem hebt in tijd van oorlog kun je niet roepen: u bent over twee maanden aan de beurt.’

Opvallend is dat de regering het advies bij de aiv pas aanvraagt nadat een hoop militaire taken door Nederland al zijn uitbesteed. De raad rest dan niets anders meer dan het ingezette beleid in goede banen te leiden. De belangrijkste vragen waarop ze antwoord moet geven: ‘Welke diensten kunnen in beginsel wel of juist niet worden gecontracteerd en welke randvoorwaarden moet de Nederlandse regering hierbij in acht nemen?’

Zowel de aiv als de overheid trekt een belangrijke grens bij de zwaardmacht: het idee dat het monopolie op geweld bij de staat moet liggen. ‘Bedrijven bieden alle denkbare diensten aan. Het oorlogsrecht staat de inzet van huurlingen echter zeer duidelijk niet toe’, schrijft minister van Defensie Eimert van Middelkoop in 2007 in zijn adviesaanvraag aan de aiv. Maar de praktijk blijkt niet zwart-wit. Hij vervolgt: ‘Er is een grijs gebied waarin varianten denkbaar zijn, zoals monteurs en beveiligingsbedrijven die kunnen optreden in het achtergebied of dicht bij de frontlijn.’

De exacte voorwaarden zijn dus niet openbaar. ‘Volgens mij staat in principe in het contract: haal iets op bij a en zet het af bij b’, zegt Knops. ‘Maar omdat het burgers zijn, en zolang daar geen Nederlandse militairen bij betrokken zijn, is dat verder geen zaak van Defensie.’ Hij vergelijkt het met glazenwassers. ‘Als ik een bedrijf inhuur dat de ramen komt wassen, dan houd ik dat bedrijf verantwoordelijk voor de naleving van de arbo-regels. Je kunt Defensie niet verantwoordelijk houden voor het gedrag van de contractors. Maar ik ga er wel vanuit dat Defensie ze erop aanspreekt.’

Deze houding is risicovol, blijkt uit onderzoek dat de Committee on Armed Services van de Amerikaanse Senaat in 2010 deed naar de inhuur van militaire dienstverleners. Voor de bescherming van de brandstof- en voedseltransporten vertrouwde Supreme op het beveiligingsbedrijf Compass. Deze subcontractor nam het niet zo nauw met de regels, blijkt uit het rapport. Zo kwamen ingehuurde beveiligers regelmatig niet opdagen. In oktober 2007 verscheen bijvoorbeeld slechts de helft van de ingehuurde mannen voor de bescherming van een transport van Herat naar Kandahar. Op weg naar de klus zouden ze bovendien een tankstation hebben overvallen. Soms kwam er zelfs helemaal niemand opdagen, zodat het jaar erop konvooien van Supreme gedwongen waren zonder bescherming te rijden.

Medium hh 9170546 bew
Een medewerker van het particuliere bedrijf Compass raakte zwaargewond bij de beveiliging van een bevoorradingskonvooi van de Navo dat werd aangevallen door de Taliban. 17 juli 2010 © Christoph Bangert / LAIF / HH

In juni 2009 ontdekte Compass plotseling dat het mankracht tekortkwam voor de bescherming van een levering van Supreme aan de Britse troepen tussen Kandahar en Ghazni. Het bedrijf besloot daarop veertig ongetrainde mannen mee te sturen. Volgens de directeur van het bedrijf verliep het transport desondanks vlekkeloos. Maar uit verslagen blijkt dat het transport die dag is aangevallen door opstandelingen. Een vuurgevecht van meer dan anderhalf uur volgde en het konvooi kon alleen bevrijd worden doordat Isaf-troepen te hulp schoten.

De Navo kwam er tijdens een audit achter dat Supreme zevenhonderd miljoen dollar te veel in rekening bracht

De Amerikaanse commissie wijst op een ander probleem dat dit soort private partijen met zich meebrengen: ze ondermijnen een belangrijk doel van de missie. Beveiligingsbedrijven werven actief personeel bij het Afghaanse Nationale Leger (ana) en de Nationale Politie (anp). Dat is niet moeilijk, want bij de commerciële beveiligers kunnen de Afghanen soms vier keer zo veel verdienen. De opbouw van de Afghaanse troepen, een belangrijke prioriteit, wordt zo verstoord door een constante uitstroom van getrainde militairen. Of Supreme wist van de handelswijze van hun beveiligers is onduidelijk. In elk geval was het bedrijf noch de opdrachtgevende overheid in staat er iets aan te doen.

Ondertussen verdient Supreme behoorlijk aan de oplichting van de Amerikanen. Het verschil tussen de opgehoogde inkoopprijs en de daadwerkelijke prijs van de boodschappen in de regio begint medewerkers van het Amerikaanse leger na verloop van tijd op te vallen. Melk en sap is bijvoorbeeld 55 procent duurder dan normaal, alcoholvrij bier 125 procent en maïs zelfs 525 procent. Aan water weet Supreme eveneens goed te verdienen. Voor een tray van 24 halve-literflesjes rekent het bedrijf tot vier keer de kostprijs. De zwendel met water zou de cateraar in de loop der jaren een extraatje van 48 miljoen dollar opleveren.

Ook in Nederland komen klachten binnen over opgehoogde facturen van Supreme. Wat voor contract Defensie precies met het bedrijf heeft gesloten is niet duidelijk, omdat ook deze documenten geheim zijn. Dat Nederland in Afghanistan gebruik maakte van cost-plus-contracten is in elk geval zeker. Dat blijkt uit vragen die de vaste commissie voor Defensie in 2008 aan Van Middelkoop stelt. Volgens de minister bewaken de financiële controle-organisatie en de Accountant Dienst Defensie (add) deze contracten.

De audits van de add leveren verontrustende berichten op, blijkt uit antwoorden op Kamervragen die de huidige minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert recentelijk naar de Kamer stuurde. Bij de controles ziet de dienst dat er keer op keer te hoge bedragen in rekening zijn gebracht.

Intussen klapt een van de afdelingsdirecteuren van Supreme in Amerika uit de school over de oplichting tegenover de Amerikaanse recherche. In 2010 stapt de Amerikaanse overheid naar de rechter en vier jaar later bekent een van de ondernemingen van de Supreme Groep in de VS schuld aan opzettelijke fraude en betaalt 434 miljoen dollar aan schikkingen en boetes. Op 1 mei 2013 ontvangt de Nederlandse Centrale Organisatie Integriteit Defensie (coid) een melding van vermoedelijke fraude door Supreme. Om hoeveel de fraude mogelijk zou gaan, wil minister Hennis niet zeggen. Ook dit is ‘commercieel vertrouwelijk’. Pas na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur door zowel De Groene als het anp wordt de geheime brief waarin de Kamer vertrouwelijk is ingelicht openbaar gemaakt. Daaruit blijkt dat het ministerie tussen 2006 en 2009 in elk geval voor 2,8 miljoen euro is benadeeld. Volgens Hennis heeft Supreme het te veel gerekende bedrag inmiddels teruggestort.

In Nederland stapt niemand naar de rechter. ‘De coid heeft de melder geïnformeerd over de mogelijke routes om zelf aangifte te doen en heeft laten weten dat – omdat het over al geconstateerde en gecorrigeerde feiten ging – Defensie geen reden zag tot nader onderzoek’, schrijft Hennis. Nederland zal Supreme gewoon blijven inzetten. Het Pentagon zet de samenwerking stop.

Er zijn geen duidelijke afspraken voor wat er gebeurt als bedrijven zich niet aan contracten houden, concludeert luitenant-kolonel P.B.M.J. Pijpers in 2013 in het vakblad Militaire Spectator. Tijdens de Isaf-missie in 2012 was hij als Chief Sustainment verantwoordelijk voor de logistieke toevoer van goederen. ‘Commercieel afdwingen van niet-nakoming heeft een andere dimensie dan hiërarchisch afdwingen’, stelt hij. Een commerciële partij is geen onderdeel van de militaire structuur en zal altijd zijn eigen oogmerk nastreven, namelijk een grotere bedrijfswinst. ‘De vraag is uiteraard of het uitbesteden van de militaire logistiek wel zo verstandig is.’ De luitenant-kolonel is bang dat Nederland zich te afhankelijk maakt van bedrijven. ‘Gegeven de investeringen in tijd en geld die het vergt om een logistieke keten op te zetten in een operationele omgeving, heeft de civiele contractor de facto een monopoliepositie verkregen.’

Op 1 november 2013 besluit het huidige kabinet dat Nederland een bijdrage moet leveren aan de missie in Mali. Er zullen 368 militairen naar het gebied afreizen om door het verzamelen van inlichtingen te helpen bij het stabiliseren van de regio en het bestrijden van terrorisme. Wat omvang betreft is het een bescheiden klus, hoewel het de grootste missie is waar Nederland op dit moment aan deelneemt. Minister Hennis gaat uit van logistieke ondersteuning door de Verenigde Naties. Die regelt tijdens VN-missies in principe de uitbesteding aan logistieke bedrijven.

Maar niet in Mali. Op 7 februari 2014 stuurt Hennis een brief naar de Kamer waarin ze concludeert dat de VN om onduidelijke redenen niet het personeel leveren waar Nederland op rekende. ‘De VN leveren lokaal ingehuurde tolken, maar bepaalde andere diensten niet of nog niet in voldoende mate. Dit geldt onder meer voor cateringdiensten. Hierdoor kan Defensie genoodzaakt zijn meer militairen in te zetten of zelf lokaal personeel in te huren.’ Weer is het Supreme dat de cateringklus krijgt. Veel concurrentie heeft het bedrijf niet. Op basis van aanbestedingsdocumenten van de Navo lijkt alleen het bedrijf Ecolog een mogelijk alternatief.

Maar tot een nieuwe aanbesteding komt het voor Mali nooit. Nederland heeft namelijk in 2011 met Supreme een raamovereenkomst afgesloten waarin voor een vaste periode is vastgelegd welke diensten of producten tegen vaste voorwaarden kunnen worden geleverd. Gunning aan derden zou contractbreuk zijn. Het ministerie laat weten helemaal geen reden te hebben om de samenwerking stop te zetten. Bovendien kan Defensie ook om praktische redenen niet van Supreme af. ‘Met een nieuwe aanbesteding gaat zes maanden gepaard’, legt een woordvoerder uit. ‘Die militairen hebben gewoon dat eten nodig.’

Supreme kan het goede nieuws in april 2014 op Facebook plaatsen. Het bedrijf heeft op basis van het raamcontract een zogeheten nadere overeenkomst gekregen voor ‘the provision of a mobile kitchen, staffing and storage for the Dutch Camp in Gao, eastern Mali’. De mobiele keukens, die tot die tijd nog in Afghanistan stonden, haalt Supreme naar de Verenigde Arabische Emiraten, waarna ze op transport gaan naar Mali. Voor 1 april is al het personeel en materieel in Gao. ‘The client expressed their sincere gratitude and respect to the team.’

Inmiddels lijkt ook de Navo het slachtoffer te zijn geworden van oplichting door Supreme. In haar recente antwoord op Kamervragen over het bedrijf zegt minister Hennis: ‘De Navo heeft geconstateerd dat Supreme Group onder een contract over brandstofleverantie in Afghanistan ook te veel in rekening heeft gebracht. Defensie heeft, net als andere Navo-partners, via dit contract brandstof ontvangen van Supreme Group.’ Om hoeveel geld en welke periode dit gaat, zegt de minister niet. In december stonden het bedrijf en de Navo nog tegenover elkaar in de rechtbank in Maastricht. Veel details over de zaak zijn niet openbaar. Een hooggeplaatste Navo-functionaris laat mij weten dat het dispuut onder andere draait om de levering van 4,6 miljard liter brandstof tussen 2006 en 2014 in Afghanistan. Volgens een bericht van persbureau Reuters uit 2015 kwam de Navo er tijdens een audit achter dat het bedrijf zevenhonderd miljoen dollar te veel in rekening bracht. Andersom claimt Supreme ook nog geld van de Navo, volgens de Navo-functionaris zo’n 432 miljoen.

Of Nederland de komende jaren operationeel afhankelijk blijft van bedrijven als Supreme lijkt af te hangen van de regio’s waarnaar de volgende uitzendingen zullen plaatsvinden en het beschikbare budget. ‘De missies waaraan we meedoen zijn niet zo grootschalig’, verklaart Voetelink. ‘In Irak hebben we een handvol trainers. En we zitten met een relatief beperkt aantal mensen in Jordanië.’ Daar kunnen militairen gebruik maken van ondersteuning door de gaststaat. Dat zal anders zijn wanneer Nederland militairen uitzendt naar gebieden waar de infrastructuur en de ondersteuning door het gastland of de coalitiepartners beperkter zijn.

Bij grotere missies zal ook de catering weer uitbesteed worden, zo is de verwachting. Afgelopen Prinsjesdag werd duidelijk dat minister Hennis dit jaar tweehonderd miljoen euro meer mag besteden aan extra personeel, reserveonderdelen, onderhoud en munitievoorraden. Ondersteunende diensten zoals catering, transport en de beveiliging daarvan zullen geen prioriteit hebben.

Het onderzoek

Voor dit onderzoek is gesproken met militairen en oud-militairen, juristen, onderzoekers, Tweede-Kamerleden, Navo-medewerkers en vertegenwoordigers van de vakbeweging. Er zijn openbare rapporten, academische onderzoeken, vakbladen, jaarverslagen, Navo-databases en Kamervragen geraadpleegd. Voor niet-openbare documenten is met een Wob-verzoek om volledige of gedeeltelijke openbaring gevraagd. Met uitzondering van het door Defensie te veel betaalde bedrag aan Supreme is dat verzoek tot op heden niet ingewilligd. Het ministerie van Defensie zelf heeft voorafgaand aan publicatie de mogelijkheid gekregen op het artikel te reageren.


Supreme is benaderd voor een reactie, maar wilde geen commentaar geven