Mannen zijn egoïstisch, onverschillig, gewelddadig en laf, schrijft Pauline Harmange in haar manifest © Magali Delporte

‘Goed initiatief, het zal waarschijnlijk niets uithalen’, reageerde een man op mijn aankondiging van een demonstratie tegen femicide. Even werd het zwart voor mijn ogen. Het gemak, het ongeïnteresseerde dedain waarmee deze vent andermans pogingen om onrecht aan te kaarten wegwuifde, vond ik stuitend. Dat dat je houding is als je mensen ziet vechten. Niet helpen, maar zeggen dat het niet zal helpen. Dat dat is wie je wil zijn. Een zelfgenoegzame zijlijn-dweil die achteroverleunend kijkt hoe anderen spartelen. Dat is privilege.

‘Jouw commentaar ook niet’, weertypte ik.

Toen had ik het gedaan. De man kreeg een compleet narcisme-infarct. Luidkeels ging hij bij andere kerels klagen dat hij nog wel zo aardig was geweest en de actie zelfs had toegejuicht. Er was een steekje bij mij los en mijn mannenhaat zou de zaak zeker niet verder helpen.

Een soortgelijke aantijging kreeg de Franse schrijfster Pauline Harmange toen ze een blogpost maakte over de apathie van mannen ten opzichte van de vrouwenzaak: ‘Jullie moesten je eens afvragen waarom mannen het daar niet over willen hebben. Een paar opties: de agressieve, om niet te zeggen hatelijke houding van feministes tegenover iedere man die niet zegt: ik schaam me om een man te zijn. De dag dat jullie relaties tussen mannen en vrouwen zien zoals ze zijn (…) zullen we naar jullie luisteren. Tot die tijd zijn jullie wat ons betreft gewoon frigide krengen met een snor en ondermijnen jullie je eigen zaak.’

Hoe bespottelijk de beschuldigingen ook zijn, ze raken aan een diepe angst van feministen: beschuldigd worden van mannenhaat en daarmee je eigen doel ondermijnen. Want je hebt ze toch nodig, die kerels. Je wilt dat ze je horen of snappen en meewerken aan verandering. Dus moet je tapdansen om de problemen heen, letten op je toon, niet te kwaad worden. En natuurlijk om het andere woord een disclaimer dat je niet álle mannen bedoelt als je het hebt over leed dat wordt veroorzaakt door mannen. Het is een duivels dilemma. Hoe kaart je woedend makend onrecht aan op frisvriendelijke wijze? En als je dan toch uit je slof schiet, heb je jouw zaak (want op de een of andere manier is het altijd alleen jouw zaak) ernstig ondermijnd. Had je net een man licht geïnteresseerd gekregen in femicide, ga je hem een sneer geven. Bekijk het dan maar met je dode vrouwen!

Zelfs nu ik dit schrijf voel ik die angst. Zal ik worden gezien als mannenhater? Benadeel ik mijn zusters? En het grappige is: juist het feit dat die man mijn felheid tegen me gebruikte in plaats van zich mede in te zetten voor de meer dan honderdduizend vrouwen mondiaal die per jaar door hun (ex-)partners worden vermoord, het feit dat hij zijn gekwetste ego op dat moment zoveel belangrijker vond, maakte dat ik hem inderdaad even haatte.

Harmange kaartte met recht die apathie van de meeste mannen voor vrouwenrechten aan. En ook bij haar werd die bal onmiddellijk in haar gezicht teruggekaatst. Ook zij onderkent die angst van feministen om voor mannenhater te worden uitgemaakt. Misschien zijn de meesten van ons gemiddeld nog wel harder bezig met het overtuigen en ontwapenen van mannen, dan met de daadwerkelijke strijd voor gelijkheid. Maar hebben we mannen eigenlijk wel nodig voor dit gevecht, is de vraag die zij vervolgens stelt. Kunnen we niet zonder? Zo doen we het toch al jaren? En waarom mogen we eigenlijk geen hekel aan ze hebben? Waarom gaan ze meteen sputteren in plaats van zich ooit af te vragen of we niet een prima aanleiding hebben? Maakt die luiheid ze niet behoorlijk haatwaardig? Ja, concludeert Harmange. Mannen leggen de lat voor zichzelf veel te laag. Ze zijn egoïstisch, onverschillig, gewelddadig en laf. Ze schrijft een pamflet met die titel: Mannen, ik haat ze.

Daarna gaat alles in stroomversnelling. Haar werk wordt opgemerkt door een ambtenaar van het ministerie die, gealarmeerd door de titel, het boekje wil verbieden. Door de ophef wil juist tout le monde het lezen en inmiddels heeft ze twintigduizend exemplaren verkocht en is ze vertaald in achttien talen. In Frankrijk, Engeland, Amerika en België is het hot, alleen in Nederland dringt het nog niet echt door. Maar mijn aandacht heeft ze met dit ‘breekijzer in een maatschappelijk debat dat gevoerd moet worden’, zoals de laatste zin van de flaptekst luidt.

In mijn eigen manifest Nouveau Fuck stel ik dat vrouwen niet gevaarlijk genoeg zijn, waardoor ze altijd op achterstand zullen blijven. Zeggen dat je mannen haat is wél gevaarlijk. Is het daarmee de stap waarmee we die achterstand zouden kunnen inlopen?

Juist niet, vindt de Belgische feministe Heleen Debruyne. Harmange gooit ons volgens haar terug in het frame van de mannenhaatster. Maar is dat echt zo? Is dat frame niet veel eerder een feministenval? Gecreëerd om ervoor te zorgen dat de geuite kritiek nooit inhoudelijk bekeken hoeft te worden? Zou je niet kunnen zeggen dat welke genuanceerde balanceeract vechtsters voor vrouwenrechten ook uithalen, ze uiteindelijk toch misandrist genoemd zullen worden? Bijvoorbeeld omdat ze een keer vergaten te glimlachen bij het opnoemen van de verkrachtingscijfers.

‘Vrouwen van mannenhaat beschuldigen is een mechanisme om hen de mond te snoeren’, schrijft Harmange. ‘Een manier om de soms heftige maar altijd legitieme woede van de onderdrukten tegen hun onderdrukkers te beteugelen.’ Harmange roept in de titel van haar boek niet op tot het haten van mannen. Het is een gevoelsuiting. Een cri de coeur, zo je wilt. En daarmee relatief onschuldig.

Twee boze boekjes na al die misstanden die vrouwen hebben moeten ondergaan? Pas nu komt misandrie een beetje in de mode

Als je het wel beschouwt, weten we natuurlijk allemaal dat mannen de echte haters zijn. Dat als je misogynie en misandrie naast elkaar legt, alleen die eerste zeer langdurige en zeer gruwelijke consequenties heeft gehad. Van de heksenjachten, waarbij zo’n honderdduizend vrouwen ter dood werden veroordeeld en er waarschijnlijk nog veel meer zijn doodgemarteld, tot verschijnselen als femicide, eerwraak, kindhuwelijken, verkrachting en clitoridectomie. Middelen om vrouwen eronder te houden. Misogynie is niet zomaar een beetje willekeurige wijvenhaterij, maar een systeem van gewelddadigheid en terreur. Terwijl misandrie niets van deze systemische kenmerken heeft en ook vrijwel geen slachtoffers heeft gemaakt.

Maar laten we eerst de begrippen even helder definiëren, dat praat wat prettiger.

Harmange omschrijft misandrie als ‘een negatief gevoel ten opzichte van het hele mannelijke geslacht’. Dat negatieve gevoel kan vele vormen aannemen – van simpel wantrouwen tot regelrechte afkeer. Misogynie wordt vaak omschreven als vrouwenhaat of een (ziekelijke) afkeer van vrouwen. Soms valt daar ook nog bij te lezen: ‘om hun vrouw-zijn’. Ditzelfde kun je dan natuurlijk zeggen van misandrie.

Bij de online Van Dale vind ik bij misogynie alleen ‘afkeer van vrouwen’ en onder misandrie vind ik helemaal niets. De Wikipedia-tekst over misogynie is bijna drie keer zo lang als die over misandrie en als ik op sociale media vraag wie beide woorden kent, kent vrijwel niemand het laatste en zo goed als iedereen het eerste. Geen representatieve steekproef, maar wel frappant.

Het is natuurlijk ook niet zo gek: het haten en minachten van vrouwen zit in onze cultuur, onze filosofie en onze religie. Onze geschriften en onze heilige boeken staan er vol mee. Van Aristoteles, die in zijn Politica stelt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man, tot Schopenhauer tot Nietzsche. In de bijbel schrijft apostel Paulus in het Nieuwe Testament dat hij vindt dat vrouwen in de kerk moeten zwijgen en dat de man het hoofd van de vrouw is. In modernere tijden heb je schrijvers als Michel Houellebecq en internet-communities als 4chan waar mannen daadwerkelijk geweld tegen vrouwen toejuichen. Het is de lucht die we ademen, het water waarin we zwemmen.

Volgens Harmange is misandrie dan ook voornamelijk een antwoord op misogynie en heeft ze niet dezelfde implicaties. Het houdt mannen niet tegen om hun werk uit te oefenen, in vrijheid te leven of überhaupt te ademen. Het is maar een slap hekeltje als je haar naast de verwoestende kracht van vrouwenhaat legt. En ze komt maar net kijken ook. In vergelijking met misogynie staat misandrie nog in haar wankele kinderschoentjes. Op een paar pamfletten van radicaal-feministen uit de tweede golf na, is eigenlijk alleen Valerie Solanas Harmange in schrift voorgegaan. Dat deed ze dan ook wel meteen goed met haar SCUM (Society for Cutting Up Men) Manifesto, waarin ze mannen inferieur noemt en oproept die hele sekse te elimineren.

Twee boze boekjes na al die misstanden die vrouwen hebben moeten ondergaan? Pas nu komt misandrie een beetje in de mode. In Frankrijk zijn er naast Harmange nog meer stemmen die een zeer andro-kritisch geluid laten horen, zoals bijvoorbeeld Alice Coffin, schrijfster van Le génie lesbien, waarin ze stelt geen enkele cultuuruiting van mannen meer tot zich te nemen. De twintigste eeuw is ontegenzeggelijk de eeuw van de emancipatie van de vrouw en je kunt zeggen dat met die vrijmaking ook haar woede en wrok loskomen. Er is in de laatste jaren bijvoorbeeld een opvallend aantal boeken verschenen over woede bij vrouwen.

Het is een emotie die eigenlijk altijd gevreesd is door vrouwen. Wederom vanwege de feministenval. Het idee dat niemand naar je luistert als je een boze haatheks bent. Maar luistert men dan wel naar je als je je als een kwispelend schoothondje gedraagt? Kwaadheid is een volkomen natuurlijke reactie op aangedaan onrecht. Is haten niet gewoon de uiterste consequentie van die woede? Haat treedt vooral op bij mensen die het gevoel hebben dat hun leed wordt aangedaan en er niet naar hen geluisterd wordt. Het is een fenomeen dat vaak pas na een langere tijd ontstaat, moet groeien, bijna als een diamant.

Een gruwelijke diamant, maar wel een die onder bepaalde omstandigheden zichzelf vormt en daarmee een zekere logica heeft. Zij die in oorlog zijn, gaan hun vijand haten. Zij die onderdrukt worden, haten hun onderdrukker. Het lost vaak niets op en kan uiteindelijk tot geweld leiden, maar het leeft in vernederde, gekwetste en genegeerde mensen. En als je het voelt moet je het dan onderdrukken? Is het niet beter het te uiten en bespreekbaar te maken? Is je strijd zonder die haat wel urgent genoeg? Misschien is het zo dat wat je niet haat, je uiteindelijk toelaat.

Vrijwel iedereen haat, en vrijwel iedereen in de geschiedenis is gehaat: vrouwen, joden, mensen van alle kleuren van de regenboog en alle letters van het lhbtiq+-alfabet, maar mannen als groep zijn de dans ontsprongen. De feministenval heeft zijn werk gedaan. Man-criticasters zijn zo geconditioneerd dat ze zichzelf al terugfluiten als ze ook maar iets uiten dat lijkt op een zweempje afschuw. Nu ben ik pertinent geen fan van haten of van generaliseren, maar wel van denken, en dit geeft te denken. Waarom altijd mannen sparen? Waarschijnlijk is het weleens goed om hardop te haten. Dan kunnen bepaalde dingen niet meer zo makkelijk worden weggewoven als de zijlijn-dweil dat met de femicide-demonstratie deed. Dan kunnen we eindelijk uit een systeem breken dat onvoldoende voor ons werkt. Er ontstaat een begin van een dialoog waarbij de toehoorder wel móet luisteren.

Harmange denkt dat het uiten van de afkeer een enorme bevrijding voor vrouwen kan zijn. Ik ben geneigd om het met haar eens te zijn. Zelfs het werken aan dit stuk heeft me vrijer, minder angstig gemaakt. In Nouveau Fuck schrijf ik dat vrouwen alleen gevaarlijk genoeg kunnen zijn als ze helemaal zichzelf mogen zijn. Ik zie jezelf zijn bij een ander ook als een vorm van liefde. Ik haat alleen degene die me raakt. Wie mijn woede ziet, is de moeite waard. Wie ik liefheb, wil ik haten.


Stella Bergsma is columnist en schrijfster van onder meer Nouveau Fuck en Pussy album