Commentaar: Een slechte mop

Een slechte mop

Wie zou er na vorige week nog een Belgenmop durven vertellen? De Universiteit van Gent en het Nederlands Instituut voor Psychologen kwamen in een gezamenlijke studie tot het schokkende inzicht dat Vlaamse kinderen tussen de zes en zestien jaar bij intelligentietests gemiddeld hoger scoorden dan hun Nederlandse leeftijdgenoten. Een van de factoren die daarbij een rol speelden, was het feit dat men in Vlaanderen nog ontzag voor kennis heeft, terwijl Hollandse kinderen juist worden gestimuleerd luidkeels en liefst te pas en te onpas meningen te verkondigen over onderwerpen waarvan ze hoegenaamd niets weten.

Iedereen die ook maar iets met onderwijs heeft te maken, weet natuurlijk allang dat er van alles mis is. Maar wat? Het is moeilijk de juiste diagnose te stellen omdat er zoveel verschillende, zelfs regelrecht tegen gestelde visies en belangen in het spel zijn.

Is het een kwestie van geld? Dat Nederland naar verhouding te weinig geld uitgeeft aan onderwijs is geen mening maar een feit. Schoolgebouwen zijn te klein en te vies, nergens maken docenten zo veel uren als in Nederland, de klassen zijn te groot, gedragsgestoorde kinderen moeten gewoon meedoen met hun leeftijdgenootjes, toenemende criminaliteit bedreigt de ontspannen sfeer die kenmerkend was voor het domein van Jan Ligthart en Theo Thijssen. Docenten storten in, zij-instromers worden geconfronteerd met klassen die al maanden geen les meer hebben gehad, studenten peinzen er alleen al om financiële redenen niet over leraar te worden. Een beetje extra geld zou inderdaad geen kwaad kunnen. Maar met de kwaliteit van het onderwijs in engere zin heeft dit niet zo veel te maken. Onderwijs wordt niet gemaakt met geld, maar met ideeën.

Het probleem is dat scholen door gemakzuchtige ouders, gewiekste beleidsmakers en softe maatschappijhervormers worden opgezadeld met allerlei verschillende doelen. Zo is daar de lobby van het bedrijfsleven, dat enerzijds vraagt om gespecialiseerde techneuten en anderzijds om breed inzetbare generalisten, maar nooit om werknemers die Goethe kunnen citeren. Politici die zich — terecht — zorgen maken om het gebrek aan coherentie in onze samenleving, zouden graag meer aandacht besteed zien aan normen en waarden, en kennis van en respect voor andere culturen dan de Nederlandse, voor zover die bestaat. Voor dit eerbiedwaardige doel heeft een school geen academische hoogvliegers nodig, maar lieve doch energieke onderwijzers die een beetje kunnen improviseren.

De oorspronkelijke taak van het onderwijs is echter een andere: diepgaande algemene vorming. Sinds de jaren zestig van de afgelopen eeuw is intellectuele ontwikkeling langzaam maar zeker in diskrediet geraakt. Kinderen van bemiddelde ouders zouden zich altijd wel kunnen redden, het ging erom ook sociaal minder geslaagde groepen naar de universiteit te krijgen: spreiding van kennis, macht en inkomen! Dat is ontegenzeglijk gelukt. Nog nooit in de geschiedenis zijn er zo veel leerlingen doorgestroomd naar een vorm van hoger onderwijs als in de afgelopen dertig jaar, hetgeen winst is. Dat daarbij het gemiddelde peil wat is gezakt, zal niemand verbazen, maar dat is niet erg zolang de uitblinkers de kans krijgen zich te ontplooien.

De laatste jaren begint in onderwijskringen echter alom het besef door te dringen dat er iets fundamenteel mis is. Dat blijkt niet uit de cijfers. «Er is geen enkel signaal dat het niveau van het Nederlandse onderwijs daalt», aldus Roel Bosker, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit Twente, vorige week in een reactie op negatieve berichten. «Wij zijn juist sterk in het handhaven van de normen. In Duitsland kennen ze geen centraal schriftelijk eindexamen, geen Citotoets, geen leerlingvolgsysteem. De kracht van het Nederlandse onderwijs is dat wij precies vastleggen wat leerlingen moeten presteren.» De inspectie geeft hem gelijk, evenals de jaarlijkse lijsten in Trouw en de uitslagen van de examens.

Toch kan een kind, althans een kind met een degelijke opleiding, zien welke denkfout hier wordt gemaakt. Natuurlijk zijn de examenuitslagen niet slechter dan vroeger: de scores worden immers aan het gemiddelde aangepast. Natuurlijk vormen de Cito-scores geen graadmeter: scholen die iets anders willen bereiken dan het Cito vraagt, doen niet mee aan de toetsen — en wat er wordt getoetst, heeft weliswaar het een en ander met intelligentie, maar vrij weinig met algemene ontwikkeling te maken.

Iedere leraar en universitair docent kan echter met toets opgaven in de hand aantonen dat het niveau achteruit holt, zelfs in die mate dat slimme middelbare scholieren en studenten hun studie met geen mogelijkheid meer au sérieux kunnen nemen. Je moet echt heel dom zijn of zwaar in de problemen zitten om erin te slagen voor een havo-examen te zakken. Dat komt niet door de in het gezagsgetrouwe Beieren zo verafschuwde «knuffelcultuur», want persoonlijke zorg en aandacht voor leerlingen komen de prestaties juist ten goede. Het komt door de gedachte dat scholen pas in laatste instantie de taak zouden hebben iets aan degelijk onderwijs te doen. Zolang die gedachte nog leeft, is iedere zak met geld bij voorbaat weggegooid. Laten we eerst maar eens in Vlaanderen gaan kijken.