De 21ste eeuw van Elisabeth Spanjer

«Een slordig leven misschien, maar wel verdomde interessant»

Ze was het kind van anarchisten, zat in de klas bij Menno ter Braak, werd aanbeden door Henk Sneevliet, was bevriend met Willy Brandt, werkte in de oorlog bij de film, trouwde met de roemruchte Joop Zwart, ging in 1956 met hulpgoederen naar het opstandige Boedapest en zette zich in de jaren zeventig in voor dissidenten als Sacharov en Amalrik. Elisabeth Spanjer (1915) vertelt over haar onrustige leven.

Toen ik haar opbelde om een afspraak te maken voor wat ik in mijn onschuld be schouwde als het afsluitende gesprek vroeg ze me een moment geduld te hebben. «Ik moet even van mijn fiets af en de radio uitzetten.» Die zaterdag werd de laatste tijdrit van de Tour de France gereden, en op haar hometrainer reed ze die mee.

«Wat wil je, jongen, ik heb een paar maanden geleden forse griep gehad en ik moet nu hoognodig wat aan mijn conditie doen, en zo houd ik het tempo er lekker in.»

Elisabeth Spanjer is in juni negentig geworden. Ze is klein van stuk, en gezegend met een fenomenaal geheugen en een verbijsterende hoeveelheid energie. In een reeks dagenlange gesprekken, waarbij ze regelmatig opsprong om mensen te imiteren of naar boven rende om foto’s en documenten te halen, vertelde ze onstuimig over haar belevenissen in een eeuw die toch al tumultueus was, maar waarin ook haar karakter en opvoeding ertoe bijdroegen dat voor haar leven het cliché «veelbewogen» een nogal eufemistisch etiket is.

«Mijn moeder was de eerste echt Bewust Ongehuwde Moeder. Ze was een Friezin, het kind van een dagloner die rond 1902 naar Amsterdam kwam. Ze kon goed leren maar mocht niet naar de kweekschool. Mijn streng gereformeerde grootmoeder weigerde namelijk een beurs te accepteren van de Deense Lutherse kerk, in haar ogen waren dat Roomsen. Dat was het einde van de illusie van mijn moeder en dat heeft haar altijd vreselijk gestoord. Daar is ze echt verbitterd door geweest.»

Haar moeder werkte later als «binnenmeisje» bij de familie Berlage en rond haar twintigste maakte ze kennis met de eveneens uit Friesland afkomstige timmerman Luuk Spanjer. Beiden waren aanhangers van Domela Nieu wenhuis en actief in de anarchistische en syndicalistische beweging. In de zomer van 1914 werd haar moeder bij een demonstratie gearresteerd.

«Ze had twee kleine kinderen voor de paarden van de aanstormende knolsmerissen weg gesleurd en duidelijk laten merken dat ze het politieoptreden schandalig vond. Een provocateur heeft haar en enkele andere mensen toen aangegeven. Eenmaal in het huis van bewaring ging ze in hongerstaking en bleef ze op haar brits liggen. Ze hebben haar daar alleen vanaf gekregen door net te doen alsof er post voor haar was, waarna ze haar grepen en onder dwang hebben gevoed. Toen ze me dit later vertelde stroomden de tranen over haar wangen. ‹Vertrouw nooit, nooit een autoriteit!› zei ze.»

Luuk Spanjer begon zich in de wetboeken te verdiepen en hielp bij de verdediging van zijn vriendin en de andere arrestanten. «Er werd anderhalf jaar tegen haar geëist, maar na enige tijd werd ze voorwaardelijk vrijgelaten en toen moeten ze mij op stapel hebben gezet, want ik ben van juni 1915. Trouwen deden ze niet, want het burgerlijk huwelijk vonden ze een vorm van bezit. Dat kwam Luuk Spanjer, een heel knappe kerel, verdomde goed uit. Hij werd in die tijd door de vrouwen ontdekt en had vriendinnen uit hogere sociale mi lieus. Zij stimuleerden hem zich tot rechtskundig adviseur te ontwikkelen. Een paar jaar later zou hij de eerste wetswinkel van Nederland oprichten, het Volksbureau voor Rechtsbijstand. Nog later had hij een chique kantoor aan het Singel, met Stijl-meubelen en avant-gardistische schilderijen aan de wand. Mijn moeder heeft hij nog eenmaal zwanger gemaakt, maar in 1918 verdween hij uit ons aller leven.»

Haar moeder had zusters die waren ge trouwd met horeca-exploitanten en werkte in verschillende etablissementen in het Gooi. Elisabeth, die door familie en vrienden Beppie werd genoemd, werd vaak aan haar lot overgelaten. «Dat deerde mij niet. Ik leefde tussen de paarden, de varkens, de honden, ik had egels en krielkippen en klom in bomen. In Laren zat ik op de Humanitaire School van professor Van Rees, ook zo’n anarchist. Daar was je enorm vrij. Lezen kon ik al op mijn vijfde maar op de hum kleide en schilderde ik, met mijn handen, dat was modern. Later kreeg ik in Bussum klassikaal onderwijs, daar leerde ik veel meer. In heb op zo’n acht verschillende lagere scholen gezeten.»

Toen Elisabeth elf jaar was, werd haar moeder ernstig ziek. «Ze kreeg epileptische aanvallen. Toen heeft mijn tante Titia ingegrepen. Ze zag dat mijn moeder niet meer voor ons kon zorgen, want als ze zo’n aanval had gekregen en haar hele mond had stuk gebeten, was ze een tijd van de kaart. Zij heeft mijn moeder toen geprest om mijn vader te schrijven dat hij ons maar een tijdje moest nemen. Dus stonden mijn zusje en ik ineens in het gedistingeerde kantoor van een man die we nauwelijks kenden. Aanvankelijk heeft hij ons proberen te dumpen, maar na een tijdje had hij door dat dat toch niet kon. Toen heeft hij een dure woning aan de Prinsengracht gehuurd en zelf prachtige meubels voor onze kinderkamer ontworpen.»

Luuk Spanjer wilde dat zijn dochter advocaat zou worden en stuurde haar naar de Vierde Vijfjarige Hbs aan de Jozef Israelskade. «Dat was de verkeerde hbs, een typische bèta-school, met veel aandacht voor wiskunde, waar ik erg slecht in was.» Als leraar Nederlands kreeg zij in de eerste klas de 26-jarige, zojuist gepromoveerde Menno ter Braak, die de vaste leerkracht drie maanden zou vervangen. «Hij kon geen orde houden en wij waren een erg rode klas. De zoon van Bonger, de theoreticus van de SDAP, zat erin, en Paula Boas, de zus van Henriëtte. Wij waren nogal rebels. Op een keer zat hij voor de klas De Telegraaf te lezen, waarin een lovend verhaal stond over de fascistische kunstenaar Erich Wichman, die het rode vaandel van de Arbeiderspers met inkt had besmeurd. Wij vonden dat schandalig, dat hij zo’n burgerlijk rotblad las. Dus de volgende les, toen hij binnenkwam, zaten wij ook allemaal een krant te lezen. En allemaal linkse kranten, Het Volk van de sociaal-democraten, de communistische Tribune en meer van dat spul. Ik las i10, dat lag bij mijn vader op tafel. Ter Braak was woest.» On danks deze aanvaring was Elisabeth erg geïmponeerd door de lange, uiterst erudiete leraar, die haar prees om haar opstel over de lotgevallen van een dubbeltje. «Hij heeft mij duidelijk gemaakt dat ik ge voel voor taal had.»

In de derde klas had Elisabeth een slecht paasrapport, waarna haar vader haar van school haalde. Mede hierom wilde ze het huis uit. De voormalige vriendin van Luuk Spanjer, die inmiddels getrouwd was, zorgde er voor dat ze terecht kon op een pluimveebedrijf annex vakantieboerderij in Voorthuizen, waar ze administratief werk verrichtte. De kippen en kalkoenen hingen haar al spoedig de keel uit, ze wilde terug naar Amsterdam. Ze vond een baantje bij de firma Schutz, etuimakers in de Kerkstraat en de ex-vriendin van haar vader regelde dat zij een kamertje kon huren op Overtoom 468.

Daar woonde Henk Sneevliet, de voorzitter van het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS), een revolutionaire vakcentrale, en van de Revolutionair Socialistische Partij (RSP). Sneevliet gold in die jaren als de enige Nederlandse revolutionair van internationale allure. Niet alleen had hij in Nederlands-Indië de revolutie gepredikt, in 1921 was hij in opdracht van Lenin naar China gegaan, waar hij als vertegenwoordiger van de Komintern (Communistische Internationale) betrokken was bij de oprichting van de Chinese Communistische Partij. Daarna had hij in Nederland de leiding van het NAS op zich genomen. Na een conflict over de vakbewegingspolitiek brak hij in 1927 met de Nederlandse communistische partij. Binnen de communistische beweging deden zich toen overal scheuringen voor en in de Sovjet-Unie trok Stalin alle macht naar zich toe. Sneevliet onderhield nauwe contacten met alle mogelijke op positionele groepen en ook met Stalins grootste rivaal, Leo Trotski.

«Mijn moeder was erop tegen dat ik bij Sneevliet ging wonen, later begreep ik pas waarom. Ik vond het machtig, er kwamen daar allerlei interessante mensen, ik werd actief in de Revolutionaire Jeugdbond (RJB) en per 1 januari 1933 had ik een baantje op het secretariaat van het NAS. Ik stenografeerde, typte brieven, vertaalde artikelen uit buitenlandse tijdschriften en maakte voor Sneevliet samenvattingen van interessante artikelen en boeken. ’s Avonds hield ik lezingen voor de jeugdbond, dan gingen we bijvoorbeeld op de fiets naar Haarlem om de jonge kameraden aldaar te instrueren over de naderende wereldrevolutie plus het ‹faksisme›. Of je studeerde een revolutionair stuk van Cees de Dood en Florrie Rodrigo in.» Ze springt op, sluipt op haar hurken door de kamer en declameert met grafstem: «Floers op de trom… floers op de trom… rouwende mannen… rouwende vrouwen… rouwende menigten… kom! Jezus, je was wel bezig, zeg.»

Na enige tijd bleek het leven op de Overtoom niet vrij van wrijvingen en spanningen. In 1932 had een van de tweelingzonen uit Sneevliets tweede huwelijk zelfmoord ge pleegd en in 1934 vertrok zijn voormalige geliefde Sima Zolkowskaja met hun tienjarig dochtertje naar de Sovjet-Unie. Ook in politiek opzicht hadden antistalinistische communis ten als Sneevliet het moeilijk. Internationaal dreigden zij te worden vermalen door de of ficiële communistische partijen en het opkomende fascisme. Tijdens de Spaanse burgeroorlog moest de geestverwante POUM (Partido Obrera de Unificación Marxista) zich niet alleen de Franco-troepen maar ook de stalinisten van het lijf houden.

«Wij wilden ook naar Spanje, maar dat mocht niet. Pam (Sneevliets overgebleven zoon – rh) is mede daarom toen het water in gelopen. De kinderen van de schoenmaker hebben geen schoenen. Je mocht wel met brochures venten, ‹No pasaran!› roepen, conferenties houden, maar je mocht niet naar het front. Wel mocht ik Julian Gorkin, een van de POUM-leiders, naar Asscher, de diamantair, brengen. Waarschijnlijk heeft hij toen diamanten verkocht, om wapens te kunnen kopen.»

Sneevliet kwam steeds meer in conflict met Trotski en ook binnen zijn eigen kleine partij ontstonden er meningsverschillen. Een van de critici was de in 1912 geboren Joop Zwart, die als achttienjarige in Moskou was opgeleid tot revolutionair en vanaf 1936 in Spanje ging vechten. «Je had heftige politieke debatten, dat nam vaak bizarre vormen aan. Zo ontving ik als internationaal secretaris van de jeugdbond, die inmiddels was omgedoopt tot Leninistische Jeugd Garde, een brief van Trotski, of Lieber Genossin Spanjer met haar anderhalve man en een paardenkop maar even in de sociaal-democratie wilde klimmen om die van binnenuit te ondermijnen. Snee vliet was daar natuurlijk fel tegen, en terecht. Ook met Joop had hij heftige ruzies, over Rusland en de wereldrevolutie, maar daaronder speelde zich nog iets af. Dat was de strijd om Beppie.

Joop was mijn vriendje, mijn geliefde, en Sneevliet vond dat vreselijk. Ik was zelf waarschijnlijk de laatste die het doorhad, maar ik was steeds meer voor hem gaan betekenen. Waarschijnlijk was ik aanvankelijk vooral een Ersatz-kind, maar al snel werd het een soort Lolita avant la lettre. Hij be gon steeds meer aandacht aan me te besteden, ik moest steeds in zijn nabijheid zijn, hij nam me mee als hij ergens moest spreken en hij ging met me uit eten. Ik vond alles prachtig, en spannend. Hij was immers de leider en bo vendien was hij binnen dat benepen, in wezen wat kleinburgerlijke milieu de man van de wereld, de intellectueel, de bohémien. Joop zag dat met lede ogen aan. Ik maakte het uit en uiteindelijk is hij naar Spanje vertrokken.»

Op den duur begonnen de avances van Snee vliet haar te irriteren. «Maar tegelijkertijd be gon ik ook het politieke klimaat steeds be klemmender te vinden. Ignace Reiss (een overgelopen agent van de inlichtingendienst van het Rode Leger die contact had gezocht met Sneevliet – rh) werd vermoord, een secretaris van Trotski die ik had ontmoet werd zonder hoofd uit de Seine gedregd en Walter Kritivitski, een eveneens overgelopen collega van Reiss, kwam vertellen dat iemand uit de directe omgeving van Sneevliet voor de GPOe werkte. De communisten begonnen kranten met stront in de bus te stoppen, op bijeenkomsten werden we aangevallen.»

De sterke verbondenheid met de kameraden was mooi en vaak hartverwarmend, maar ook benauwend. «Je leefde in een vrij gesloten mi lieu, in een miniatuurzuil. Ik week af omdat ik wel contact had met mensen buiten de partij en de bond, met jonge sociaal-democraten en met toneelspelers en kunstenaars. Ik wilde niet alleen volksdansen maar ook walsen, wat ik leerde van die arbeidersjongens uit de Jordaan. Ik was verzot op film, en niet alleen op die revolutionaire films van Pudovkin en Eisenstein. Er was voortdurend een zekere spanning. Ik verkocht werklozenkrantjes terwijl ik zijden kousen droeg, tussen de middag at ik samen met Sneevliet in restaurants en ’s avonds ging hij de kameraden vertellen dat ze moesten volhouden en dat ze onze makkers in Spanje moesten steunen. Ik spaarde elke week een kwartje om De lage landen bij de zee van Jan en Annie Ro mein te kunnen kopen, maar ik was ook dol op mooie kleren. Ik kocht in de uitverkoop lappen stof en liet mijn moeder mooie jurken maken die ik in filmbladen had gezien. Ik wilde weg, ik wilde leven, ik wilde naar Parijs.»

De eerste keer dat ze in Parijs was, in 1937, en midden in de nacht het terras van café Le Dôme opwandelde, liep ze Sneevliet tegen het lijf. Die zou de volgende dag Trotski spreken op een bijeenkomst van de Internationale Kommunistische Liga. Ze werd teruggestuurd, maar in 1938 ging ze opnieuw naar de Franse hoofdstad. «Ik heb toen in Parijs van alles gedaan. Ik heb model gestaan, gewerkt als figurante bij de film, ik ging veel uit met vrienden uit de beweging, het was een jofele tijd. Ik woonde een tijdje bij Daniel Guérin (een intellectueel die later zou trachten het marxisme te verzoenen met het anarchisme – rh). Hij had de beschikking over de woning van een rijke joodse familie die zomers buiten woonde. Daar hingen allemaal Picasso’s en Braques aan de wand. Samen met het neger dienstmeisje uit Martinique ging ik ’s avonds naar de film, als we tenminste niet moesten demonstreren. Het was de uitloop van het Volksfront en bijna elke avond waren er massabijeenkomsten, tegen het fascisme en voor het republikeinse Spanje. Op Quatorze Juillet dronken we Algerijnse wijn en Pernod en toen schijn ik op de Boulevard Saint Michelle op een tafel te zijn ge klommen en de bevolking te hebben opgeroepen opnieuw een revolutie te maken. Daarna heb ik jarenlang geen druppel meer gedronken.»

Op aandringen van Sneevliet keerde ze aan het eind van dat jaar terug naar Nederland. Op de Overtoom wilde ze niet meer wonen en ze huurde een kamer aan het Weesperplein. «Snee vliet vond het reuze leuk dat ik daar woonde en hij bezorgde me ook een baantje. Via een relatie van hem uit Batavia kon ik bij het Alhambra-filmtheater werken. Dat was onderdeel van het Strengholt-concern, en na verloop van tijd kreeg ik een aanstelling op het hoofdkantoor in de Sarphatistraat. Daar leerde ik Henny Scholte kennen, de perschef van Me tro Goldwyn Mayer in Nederland.»

Henrik Scholte (1903-1988) was li te rator, had tussen 1924 en 1936 to neelkritieken voor De Groene Amsterdammer geschreven, was de initiator van de Filmliga geweest en kende iedereen in het literaire en artistieke wereldje. «Aanvankelijk had ik geen relatie met hem, maar het kwam me eigenlijk wel goed uit. Via hem kon ik ontsnappen aan dat benauwende wereldje rond Snee vliet. Ik leerde allerlei nieuwe, interessante mensen kennen. Eddie Hoornik, Vic van Vriesland, Lou Lichtveld (de schrijver Albert Helman – rh), Nico Donkersloot. Op zekere avond was ik met Henny op De Kring en toen liep ik Ter Braak tegen het lijf. Hij zei: ‹Meisje, meisje, wat doe jij hier, met die man?› Dat had hij wel goed gezien, want later werd me duidelijk dat ik voor Scholte, die in scheiding lag, niet meer was geweest dan een stopgap. Maar ja, toen was ik wel onder de indruk van hem en in de zomer van ’39 ben ik met hem een paar weken naar Capri geweest.»

In die tijd bezocht ze ook regelmatig Parijs, waar ze eind ’39 gearresteerd werd. «Toen ik nog bij het NAS werkte heb ik voor Annie Adama van Scheltema-Kleefstra, de bibliothecaresse van het pas opgerichte Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, het IISG, het archief geordend. Tante Annie was zeer te spreken over de manier waarop ik dat had gedaan en sindsdien deed ik wel vaker klusjes voor haar. Zij heeft zich in de jaren dertig enorm ingespannen om allerlei archieven te redden, zoals de nalatenschap van Marx en de enorme anarchismecollectie van Max Netlau. In ’39 vroeg ze me langs te gaan bij de trotskisten in Parijs. Nou, ik kom daar aantrippelen, helemaal in het zwart, met een persianer kraag en een Russische muts en terwijl ik langs de conciërge loop fluistert deze: ‹Perquisition, ga weg.› Het duurde even eer ik dat met ‹huiszoeking› had vertaald en toen werd ik al door twee flikken in mijn kraag gevat. Met gillende sirenes werd ik afgevoerd naar de Quai des Orfè vres. Geweldig, ik had het idee dat ik in een film speelde. Na een paar uur, toen ik de brief van het IISG had laten zien, werd ik weer vrijgelaten.»

Dat Nederland in mei 1940 betrokken raakte bij de acht maanden eerder uitgebroken Tweede Wereldoorlog kwam voor Elisabeth niet als een verrassing, maar was wel een schok. «De nacht na de capitulatie liep ik met mijn vriend Ed Hartrich van The New York Times door Amsterdam. De totale ontreddering. Toen we bij de Dam kwamen zagen we de zwarte rupsen al, die grote auto’s van de Duitsers, en op de Achterburgwal, bij het kantoor voor politieke immigranten, waren sommigen pa pieren aan het verscheuren. Sommigen waren tenminste bij hun positieven. De grachten dreven vol met boeken. Evenals tante Annie heb ik er nog tientallen uitgevist, om te redden voor het Instituut. Het was raar, zo’n nacht dat je niet weet wat er gaat gebeuren. Wie zijn er nog, wie zijn er weg? En dan wordt het dag. En de zon schijnt en vanuit de open ramen hoor je de radio spelen. Nederlandse soldaten lopen met open tuniek over de Munt… hatsekidee… het leven ging door. In de Amstelstraat speelde mijn favoriete negerpianist ‹Mama, should I go on dancing? Yes, my darling daughter›.»

Tot haar verbijstering hoorde ze na korte tijd dat Sneevliet, die aanvankelijk gevlucht was, weer terug was in Amsterdam. Met een aantal getrouwen ging hij de illegaliteit in en riep onvermoeibaar de Duitse soldaten op in opstand te komen. In april 1942 werd hij samen met zes kameraden door de bezetter gefusilleerd. «Ik heb me altijd afgevraagd of dat het wel waard was. Hij was in die kringen de vereerde leider, de grote revolutionair, de kameraad van Lenin en Trotski. Kijk, dat was zijn finest hour geweest, de rol die hij in Indonesië en China had gespeeld. Daarna was dat hele gebeuren in Nederland toch wel erg klein en marginaal geweest. Op het eind van zijn leven was hij moe en eenzaam, dat blijkt ook duidelijk uit die brief die hij mij in 1941 schreef. Zijn zoons waren dood, zijn dochter zat in Rusland, Beppie was weg, hij werd opgejaagd. Het enige wat hij nog kon was met een prachtig handschrift artikelen schrijven en volhouden dat op een schone, klare dag de revolutie zou ko men… die hele bezeten retoriek en dat kramp achtige volhouden, dat was bijna omgekeerd Rooms. Hij geloofde er natuurlijk in, en die arme jongens die met hem werden vermoord ook, maar had hij hen daar wel voor mogen opofferen? Begrijp me goed, ik heb het grootste respect voor verzetsstrijders, maar mag je levens in de waagschaal stellen voor een idee? Bovendien was er helemaal niets geregeld, er waren geen voorbereidingen voor de illegaliteit getroffen. Sneevliet dook zelfs onder bij familie, kun je nagaan hoe slecht dat georganiseerd was. Daarnaast werd iedereen die twijfels had over die illegale activiteiten verketterd, ook na de oorlog.»

Net als voor de meeste Nederlanders ging het leven voor Elisabeth gewoon door. Vrienden uit de filmwereld vroegen haar eind 1941 of ze assistent-scriptgirl bij de Duitse regisseur Hans Steinhoff wilde worden, om mee te werken aan de film Rembrandt. «Tja, moest ik dat doen? Ik ben gaan praten met mijn vrienden Lou Lichtveld en Nico Donkersloot en die zeiden: ga daar maar eens kijken, wie weet waar het goed voor is. Zo kwam ik in dienst bij de filmmaatschappij Terra. Een van de eerste dingen die ik heb gedaan was het achterover drukken van een stapeltje briefpapier, waarop stond dat het een kriegswichtiges Unternehmen was. Kijk, die film werd gefinancierd door het ministerie van Goebbels en men kon beschikken over een vrijwel onbeperkt budget. Er werd eindeloos gereisd en gefilmd. Ik ben zelfs een keer met het hele gamelanorkest van Raden Mas Ardjono naar Berlijn ge reisd, hoewel dat natuurlijk nergens op sloeg aangezien gamelanmuziek niets te maken heeft met Rembrandt. Ook werden er zo veel mogelijk mensen bijgehaald. Al die cameralieden, be lichtings- en geluidmensen hadden familie of vrienden die niet naar het front wilden. Het waren een soort zwaan-kleef-aan-projecten. Ook hier in Nederland probeerden we zo veel mogelijk mensen een baantje te be zorgen. En met dat briefpapier kreeg ik allerlei zaken voor elkaar. Zelf ben ik meermalen in opdracht van tante Annie naar Berlijn gereisd om met vervalste papieren het vermogen van de Duitse tak van de familie Adama van Scheltema te redden.»

Hoewel ze in 1942 nog meewerkte aan een door Henrik Scholte geschreven film over de Nederlandse symfonieorkesten kwam aan hun relatie een einde. «Begin 1944 verdronk ik in een paar ogen.» Die ogen behoorden toe aan Louis Thijssen, een telg uit een voorname ka tholieke familie die in dienst was van de persafdeling van het Reichskommissariat in Den Haag en die betrokken was bij het door de be zetter gelanceerde satirische blad De Gil. «Het was mij absoluut niet duidelijk wat hij allemaal deed, maar ik was ervan overtuigd dat hij ‹dubbel› was, dat hij als dekmantel voor de Duitsers werkte maar dat hij tegelijkertijd in het verzet zat. In zijn woning stond ook zendapparatuur. Hij was buitengewoon charmant, sprak vloeiend Frans en speelde goddelijk piano, hij was een echte bohémien.»

Al spoedig bleek Elisabeth zwanger te zijn. «Ik ging hem dat vertellen en hij zei dat hij daar erg blij mee was. Hij had weliswaar al kinderen, maar ik was het helemaal en… enfin, hij speelde urenlang Chopin en ik was in de wolken. Die nacht, begin mei, werden we van ons bed gelicht en allebei gearresteerd.»

Elisabeth werd opgesloten in de strafgevangenis van Scheveningen, vanwaar ze op 6 juni, de dag van de invasie, werd overgebracht naar kamp Vught. «Eind juli werd ik gehaald en kreeg ik een verklaring onder mijn neus waarin ik mij verplichtte om Louis Thijssen nooit meer te zien, te zwijgen over wat ik in Vught had gezien en gehoord en niet meer naar Amsterdam of Den Haag te gaan. Ik heb alles getekend, ik wilde eruit, kon me niet schelen hoe. Ik wilde dat kind krijgen en zo’n kamp leek me daar geen ideale plek voor.»

Ze ging naar de Veluwe, waar ze eerder samen met Scholte had gewoond en kreeg daar na enige tijd bezoek van Thijssen. «Hij wilde naar Duitsland, maar daar voelde ik niets voor. Ik ben hem later, eind september, toch nagereisd, want ik wilde hem terughalen. Tenslotte was hij de vader van mijn kind. Dat was nogal naïef van me en op deze manier is het verhaal de wereld in gekomen dat ik op Dolle Dinsdag (5 september 1944 – rh) naar Duitsland zou zijn gevlucht.»

In Berlijn werd zij opgevangen door «de tantes», de schoonzus van Annie Adama van Scheltema en haar vriendin. «Zij waren ausgebombt en hebben er toen voor gezorgd dat ik buiten Berlijn, in Buckow, terecht kon en daar kon bevallen. Daar werd op 11 december Bas geboren, in een barak.» Ondertussen begonnen er steeds meer mensen vanuit het oosten van Duitsland voor de naderende Russen uit te vluchten. «Eind januari was ik weer in Berlijn, dat toen zwaar gebombardeerd werd. Daar kwam ik Thijssen tegen, hij zat daar in de schuilkelder Schopenhauer te lezen. Het werd me duidelijk dat ik van hem niets te verwachten had. Tegen mijn scharminkeltje zei ik: ‹Zo, nu zijn wij met z’n tweeën, alleen tegen de wereld, jij en ik zullen het wel redden.› Omdat ik geen papieren had, mocht ik helemaal niet in Berlijn zijn. Ik moest er zo snel mogelijk weer uit.»

Na een gevaarlijke en chaotische treinreis belandden Elisabeth en haar doodzieke zoontje in het voorjaar in Wolfenbüttel, waar ze werden ondergebracht in het slot van de graven van Brunswijk. Daar werden ze liefdevol opgevangen door de vrouw van de stoker van het slot. Daar maakte Elisabeth ook de komst van de geallieerden mee en kreeg ze al spoedig een baan als tolk bij het Landratsamt van Braunschweig.

In Wolfenbüttel kreeg Elisabeth in 1946 plotseling bezoek van haar jeugdliefde Joop Zwart. Deze was in mei 1940 onmiddellijk in het verzet gegaan en eind 1941 gearresteerd. Na zwaar te zijn mishandeld was hij, via kamp Amersfoort, in concentratiekamp Sachsenhausen beland. Daar werd hij gered door een Oostenrijkse communist met wie hij in Rusland op de partijschool had gezeten. Samen met de liberale rechtsgeleerde Ben Telders belandde hij op de kampadministratie, waar zij door gesjoemel met dossiers honderden medegevangenen het leven wisten te redden. Ook zorgde hij ervoor dat de streng geïsoleerde sociaal-democratische voorman Koos Vorrink contact met geestverwanten kon onderhouden. De bevrijding maakte Zwart mee in Bergen-Belsen, dat hij namens de gevangenen op 15 april overdroeg aan de Britten. In 1946 ging Zwart bij de Nederlandse Militaire Missie in Berlijn werken, waar hij een zoekdienst voor vermiste personen opzette.

«Joop zei: ‹Dat kind had van mij moeten zijn. Nu kom je met mij mee.› Nou, dat zag ik aanvankelijk helemaal niet zitten, maar na een tijdje begon ik er toch wel voor te voelen. Maar toen kwam hij op een keer en vertelde dat Irene Vorrink, de dochter van Koos, zwanger was en dat ze wilden dat hij met haar zou trouwen. ‹Maar het is helemaal niet van mij›, zei hij. Toen zei ik: ‹Joop, dat kan me geen moer schelen, als ze wil dat je met haar trouwt moet je dat doen. Dat zijn de kleinburgers van de sociaal-democratie, die zitten anders in elkaar dan wij. Ik wens niet getrouwd te worden. Ben je besodemieterd.›»

Uiteindelijk trouwden Elisabeth en Joop, na diens scheiding, in oktober 1948. Inmiddels woonden en werkten zij toen al samen in Berlijn, waar de zoekdienst van de Militaire Missie was overgedragen aan het Rode Kruis. «Op zich waren dat prima mensen hoor, maar het werd allemaal wel erg formeel en zo werkten wij niet. Joop was de man van de informaliteit. Hij had overal contacten en met een Rode Kruis-pakket onder je arm kreeg je veel voor elkaar. Het ging ons om archieven uit de kampen. In Dorotheenstrasse, in de Russische sector, la gen in de kelder allerlei archieven die de Russen hadden buitgemaakt toen ze de kampen hadden bevrijd. Joop zei: ‹Beppie, jij moest daar maar eens gaan kijken.› Dus ging ik met een doekje om mijn hoofd, vermomd als Putzfrau, daar naartoe. Als arbeiderskind pas ik in elk landschap. In de kelder zocht ik naar dossiers over Nederlanders en die ‹leende› ik dan. Maar na verloop van tijd kregen we steeds meer gedonder.»

Rond 1950 kwam er een einde aan het Duitse avontuur en keerde het gezin terug naar Nederland, waar in 1953 een dochter werd geboren. In Amstelveen begon Joop een drukkerij en daarnaast was hij actief in de Expogé, de vereniging van ex-politieke gevangenen. Ook ondernam hij nog tal van andere activiteiten, die als gevolg van zijn chaotische aard en slechte gezondheid weinig succesvol waren. In 1960 werd hij gearresteerd omdat hij betrokken was geraakt bij activiteiten van Sal Santen en andere trotskisten, die ten behoeve van de Algerijnse bevrijdingsbeweging FLN papieren hadden vervalst.

Elisabeth zette zich voor zijn vrijlating in, maar besloot in dezelfde tijd dat ze van hem wilde scheiden. «Ik zei: ‹Joop, zo kan het niet langer, die kinderen moeten leven, dit is geen basis voor ze.› Man o man, we hadden helemaal niets, we leefden op de kale vloer. Bij Joop mislukte alles altijd. Het was wel avontuurlijk, maar op een gegeven moment houdt zoiets op. Joop en ik konden niet echt zonder elkaar, maar met elkaar ging het ook niet.»

Jaren eerder al hadden Elisabeth en Joop, op verzoek van vrienden in Bonn, de Deutsche Korrespondenz opgezet, een door de Duitse overheid gefinancierde persdienst die artikelen over Duitsland leverde. Elisabeth selecteerde, redigeerde en vertaalde artikelen, die ze aan tal van regionale bladen aanbood. «In 1955 kwamen Oostenrijkse politieke gevangenen terug uit de sovjetkampen. Ik heb toen een groot aantal van hen geïnterviewd en een speciale uitgave geschreven over de zogenaamde Schweigelager, waar de Russen bepaalde gevangenen isoleerden die ze dachten te kunnen ruilen. Uit Bonn kwam toen het verbod om daar over te publiceren, omdat er onderhandelingen gaande waren om de Duitse krijgsgevangenen vrij te krijgen.

In 1954 publiceerde de Oost-Berlijnse arts Joseph Scholmer, die in een van de Goelag-kampen had gezeten, het boek Die Toten kehren zurück. Ik ging ermee naar Geert van Oorschot en vertelde hem dat hij het moest uitgeven. Hij zei: ‹Beppie, ik wil het zo hebben, maar niemand gelooft het. Wanneer jij met een boek komt over concentratiekampen in Amerika nemen alle uitgevers van Nederland het zo, dat wordt een bestseller!›»

Net als Joop Zwart en Frans Goedhart, de oprichter van Het Parool en het PvdA-kamerlid voor wie ze als secretaresse werkte, nam Elisabeth tijdens de Koude Oorlog actief stelling tegen het communisme. In haar ogen was het een voortzetting van de strijd uit de jaren dertig. Vandaar dat ze bij het uitbreken van de Hongaarse opstand in oktober 1956 onmiddellijk hulpgoederen begon in te zamelen. «Met één dag telefoneren naar grote bedrijven had ik tien wagons vol. Karel van Staal van de Expogé vond dat Joop die spullen naar Boedapest moest brengen, maar die weigerde. Hij was bang dat hij binnen de kortste keren mee zou vechten en toen hij thuiskwam zei hij: ‹Beppie, trek je jas aan, je moet naar Wenen en Boedapest.› Nou, daar had ik wel zin en zodoende nam ik de nachttrein naar Wenen. Van daaruit ben ik op 1 november naar Boedapest gereisd, met een groot konvooi voedsel en medicijnen. Het was heel indrukwekkend, die burgers met hun kalasjnikovs. Ze waren zo vastberaden en zo optimistisch. Op dat moment sloten de sovjets de stad in en de volgende dag konden wij er net op tijd uit. Daarna ben ik dagenlang in de weer geweest met het over de grens helpen van vluchtelingen en het opzetten van vluchtelingkampen. Toen ik thuiskwam lag op bed het bordje van de Stalinlaan. Een cadeautje van Joop, dat had hij er samen met Bas afgesloopt.»

In 1967 trouwde Elisabeth met Frank Fisher, die in 1912 als Franz Jakubowski in Polen was geboren en in de jaren dertig als linkse politicoloog voor Hitler naar Amerika was gevlucht. Een jaar later brachten ze een bezoek aan Karel van het Reve, die kort tevoren een jaar als Parool-correspondent in Moskou had gewerkt. Van het Reve liet de Engelse drukproeven van een boek van Pavel Litvinov lezen. Elisabeth zorgde er binnen enkele weken voor dat het in Duitsland werd uitgegeven door Hoffmann & Campe, de uitgeverij van de lievelingsschrijver van Van het Reve, Heinrich Heine. Nadat zij de rechten van nog enkele andere boeken aan uitgevers in diverse landen had verkocht, werd de Alexander Herzen Stichting opgericht, waarvan Van het Reve de secretaris werd.

«Ik bracht het geld binnen door de rechten van die boeken te verkopen. Dat werd een succes, want uitgevers ontdekten dat dissidenten een groeimarkt vormden. Ze roken geld. Toen Amalrik naar Nederland kwam, had ik alleen voor hem drieënhalve ton in guldens op de bank staan.»

Rond de kerstdagen van 1972 ging ze vanuit Berlijn met een vriendin, de fotografe Sabine Reichwein, naar Leningrad en Moskou. «Ik had van tevoren niets tegen Karel gezegd, want die kreeg daar toch maar de zenuwen van. Wel vertelde ik het aan Jozien, zijn vrouw, die vroeg of ik een pak kleding wilde meenemen voor een naar Siberië verbannen wetenschapper. Dat leek me een goede deuropener en op nieuwjaarsdag klopten we aan bij Sacharov. De zoon van Jelena Bonner deed open en opende vervolgens nog een deur, en daar lag Sacharov in bed met zijn vrouw. Hij trok een versleten groen trainingspak aan en ik ontdeed me op het toilet van allerlei truien, die ik over elkaar had aangetrokken. We zaten in de keuken en communiceerden met handen en voeten. Hij sprak nauwelijks Duits of Engels. Ondertussen vroeg Sabine of ze mocht fotograferen. Dat mocht en toen legde Jelena Bonner, die een praktische vrouw was, een getypte lijst op tafel. Het waren de namen van kinderen van gevangen gezette wetenschappers, van dissidenten. Ze keek me aan, wees op de lijst en zei: ‹Money.› Sabine heeft de lijst gefotografeerd en bij terugkomst hebben we er onmiddellijk voor gezorgd dat Amnesty International geld overmaakte naar de Russische staatsbank.»

Met zijn weinige Duits had Sacharov ge zegd: «Die Deutsche Stimme hat sehr viel Ge wicht», waarbij hij naar boven had gewezen. Elisabeth knoopte dat in haar oren en bezocht enige tijd later de West-Duitse bondskanselier, Willy Brandt. «Willy kende ik sinds 1934, toen we in Laren een internationale conferentie van de revolutionaire jeugd hadden georganiseerd. In ’47 waren Joop en ik hem in Berlijn weer tegen het lijf gelopen. Ik vertelde hem dat Sacharov veel prijs stelde op steun uit Duitsland. Willy zei dat hij niet alles kon doen, maar dat hij zou kijken wat mogelijk was. Ik maakte hem duidelijk dat hij Sacharov moest laten uitnodigen door de Duitse ambassade in Moskou. Zo’n officiële brief van de Bundeskanzler betekende een belangrijke bescherming. De autoriteiten zouden dan doorkrijgen dat ze moesten oppassen.

Sacharov had ook gevraagd om contact op te nemen met Viktor Weisskopf, een kernfysicus van het Massachussetts Institute of Technology en het CERN. Die heeft toen de kinderen en schoonzoon van Jelena uitgenodigd. Sacharov wilde die kinderen eruit hebben, zodat ze hem en zijn vrouw daar niet langer mee onder druk konden zetten.»

Het werk ten behoeve van de dissidenten schonk Elisabeth veel voldoening. «God man, ik ben bijna overal geweest en heb zelfs vertalingen in het Japans en Arabisch geregeld en ik heb er veel leuke contacten en vriendschappen aan overgehouden. Maar wat zo merkwaardig is, is dat het helemaal weg is. Wat ik zo uit Moskou hoor, is dat niemand meer over die dissidenten praat, het lijkt wel of niemand er nog aan herinnerd wil worden. Een deel van degenen die toen zijn geëmigreerd, is mislukt. Hun bestaansreden was natuurlijk weggevallen. Eigenlijk lijken ze een beetje op mannen als Joop en Frans Goedhart, die in de oorlog boven zichzelf waren uitgestegen en na de bevrijding enige tijd invloed hadden gehad, maar die daarna al snel buitenspel kwamen te staan en verbitterd raakten. Dat is een enorme tragiek geweest voor die jongens. De ideologie was weg, ze hadden in wezen geen echt doel meer, alleen dat obsessieve anticommunisme. Dat was terecht hoor, maar wanneer het daarin blijft steken, wordt het louter negatief.

Door dat werk voor de stichting, voor die dissidenten, had ik later tenminste het gevoel dat ik met iets positiefs, iets inhoudelijks bezig was. Daardoor kijk ik nu ook niet verbitterd of rancuneus terug. Ik heb er eigenlijk van jongs af aan alleen voor gestaan, ik ben altijd aan het trespassen geweest, ik hoorde er nooit helemaal bij. Maar eigenlijk heb ik dat wel prettig gevonden. Ik heb fouten gemaakt, ben roekeloos geweest, maar aan de andere kant, als ik dat niet had gedaan, had ik Bas ook niet gehad. Dat was een heel bijzonder, veelzijdig en getalenteerd mens. Hij stierf in 1999. Dat ik hem overleefd heb doet nog altijd pijn, dat gaat nooit meer weg.

Ondanks alles is het de moeite waard. Het is een boeiend leven, een slordig leven misschien, maar wel verdomde interessant.»