Marnix Gijsen
Het huis
Meulenhoff

In 1976 verscheen de verzamelbundel Het huis van de Vlaamse dichter Marnix Gijsen. De bundel werd uitgegeven ter ere van de zeventigste verjaardag van de schrijver van de volledig ten onrechte vergeten hartkliefroman Klaaglied om Agnes.

Het huis is een prachtige serie gedichten die ik zeer geregeld ter hand neem als ik me droef voel bij het lezen van de zoveelste hedendaagse kutbundel vol zelfbeklag, lelijke zogenaamd moderne taal en oppertoppe kwatsch.

Gijsens taal is schoon, naïef, volledig uit de tijd en gelukkigstemmend.

Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur;

mijn lieve vader

en ik.

Bij elk klokgetik

kwam zijn stervensuur

nader en nader.

Het zou in deze tijd recensiale zelfmoord zijn om een regel als «mijn lieve vader» te laten stáán, terwijl ook dichters soms niets anders wensen te zeggen dan dat. Iets verderop in het gedicht, dat de titel «Geschenk van mijn vader» draagt:

Toen heeft hij zijn laatste daad gedaan;

hij gaf me zijn uurwerk,

eenvoudig, zonder één woord,

en monklend is hij te rust gegaan.

Ik weet niet wat «monklen» is (ik zou het kunnen googlen), maar ik neem het aan en adopteer het in mijn dagelijks idioom.

Trots en weenend ben ik van hem heengegaan, luidt de slotregel, die toch een mooie subtiliteit bevat, want wie gaat nu van wie heen bij het afsterven? Ik kan gemakkelijk honderd dichters opnoemen die beter zijn dan Marnix Gijsen, maar er zijn er maar weinig die me zo ontroeren en simultaan triest en gelukkig stemmen als hij.

Ik ben geen God in het diepst van mijn gedachten.

Ik ben een mensch, een snul, een ijdeltuit, een sukkelaar,

een moederskind, soms een belijder, dan weer een vulgaire leugenaar

Aldus zijn Willem Kloos-pastiche. En dan denk je toch, schaterend… een snul??