Een soort ruis

AXEL (Joop Admiraal) zit aan een kunststof tafel te roken. Hij praat met Ben (Jacques Commandeur). Nou, nee, praten is niet echt het woord: ze wisselen teksten uit alsof ze bedorven etensresten voor zich uit schuiven.

Axel: ‘Wat heb jij dat je omlaag haalt? Drank?’ Ben: 'Ja … misschien wel… In matige hoeveelheden, om te ontspannen.’ Axel: 'Om te ontspannen? Wat bedoel je daarmee? Je bent toch geen pedofiel?’ Ben: 'Ja… Vroeger misschien… Nu lees ik niet zoveel meer… Ik dacht dat je me vroeg of ik veel las… of ik graag las.’ Axel: 'Dat vroeg ik niet… Zijn wij alleen over op de wereld? Zijn wij de enigen die over zijn?’ Ben: 'Het is zondag. Het is toch zondag.’
Ik zit op het (van ons uit gezien) linkerdeel van de ellenlange tribune, met Axel en Ben pal voor me. Een eind verderop in de lange hoge ruimte zit Kalle (Gijs de Lange). Hij doet een slordige twee uur (schat ik) iets wat het moeilijkst is op het toneel: zwijgend voor zich uit kijken. De auteur schrijft voor dat hij huilt. Gijs de Lange huilt niet. Zijn blik is leeg. Hij huilt van binnen.
Axel (een voormalig leraar Grieks en Latijn) inhaleert en orakelt verder. Axel: 'Het is niet alleen een genot. Het schijnt ook je leven te bekorten. En Hitler rookte niet. Ik zei: Hitler rookte niet en hield niet van joden. Stalin ook niet. Ik ben ervan overtuigd dat als ze allebei tussen de twintig en dertig sigaretten per dag hadden gerookt, dan zouden ons zowel Auschwitz als de Goelag bespaard zijn gebleven… ons die daar niet zijn geweest… Ik weet in ieder geval dat als ik geen sigaret had gehad in de terreur tijdens de pauzes, dat ik dan waarschijnlijk een groot aantal leerlingen van het leven beroofd had tijdens mijn weggegooide jaren als leraar.’
Even verderop in deze geweldige openingsscène volgt wat misschien de sleuteldialoog van de lange avond is. Axel: 'Vroeger kon ik mijn eerste sigaret uitstellen tot na het ontbijt, maar nu rook ik de hele nacht door.’ Ben: 'Veel die naar huis gaan… Veel die naar huis zijn gegaan… die een huis hebben waar ze naartoe kunnen.’ Axel: 'Waar dat ook goed voor is… Daar worden ze niet beter van. Integendeel eerder. De meesten zijn er veel slechter aan toe als ze dan weer terugkomen… Alsof je uit de hel terugkeert op aarde.’
DE HEL waar Axel het over heeft is in Lars Noréns toneelstuk Een soort Hades (produktie: Toneelgroep Amsterdam, regie: Gerardjan Rijnders, ontwerp: Erik Kouwenhoven) ruim betegeld en schel, bijna rauw belicht. Het is geen vriendelijke ruimte, niet gewild gezellig zal ik maar zeggen, niet dat vreselijke Zweedse hout van de entree in de Jellinekkliniek, waar beroepssnuivers of straffe drinkers onvermijdelijk een keer onder curatele komen. Een echte hel is het ook niet. Er is geen vuur, zoals in het decor van de voorstelling Murx den Europäer, Murx ihn, Murx ihn ab in Berlijn, waar het hyperrealistische decor van Een soort Hades wel aan doet denken. In Berlijn was sprake van een gelambrizeerde hel waarin de strijdliederen van Oost-Europa werden verbrand in vuurovens - de klanken bleven, de ideologieën werden vernietigd. In Een soort Hades zijn er alleen nog maar klanken, de ideologieën zijn allang verbrand. De hel is hier een betegelde afdeling van wat in het jargon van ná de vernietigde ideologieën de 'zorgsector’ heet - als woord al een martelinstrument.
Om 19.00 uur, als de vier uur durende voorstelling begint, valt het laatste daglicht nog door de hoge ramen, we zien de onbereikbare bomen zwaaien in dat wazige licht. Wanneer Kalle op pagina 143 (we zijn een slordige twee uur verder) eindelijk stopt met van binnen te huilen en begint te praten over hoe hij als kind werd mishandeld, is de avond gevallen en wordt het ongenadige neonlicht onverdraaglijk. De voorstelling van Een soort Hades is dat dan allang: een onverteerbaar hyperrealistische manier van 'apies kijken’.
HET KROONJUWEEL van Toneelgroep Amsterdam, de produktie Een soort Hades, is vanaf 3 september nog acht keer te zien in het Transformatorhuis Toneelgroep Amsterdam (TTA) op het terrein van de Westergasfabriek nabij de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. De reprise geschiedt in het kader van de elfde editie van het Theaterfestival, waar jaarlijks de meest belangwekkende toneelprodukties van het voorbije seizoen zijn te bezichtigen.
Wie de moeite neemt om de inleiding van het juryrapport (in magazinevorm overal in Antwerpen en Amsterdam gratis te verkrijgen) rustig door te lezen, treft een merkwaardig fenomeen aan: niet alleen in de foto’s maar ook in de tekst wordt vooral gewag gemaakt van produkties die voor deze editie van het Theaterfestival niet zijn geselecteerd. De ruzies tussen de zeven theaterjournalisten (onder voorzitterschap van de Vlaamse publicist Johan Thielemans) moeten dit jaar wel heel erg hoog zijn opgelopen. Traditioneel houdt de jury daarover de kaken stijf op elkaar (ze hebben conform het juryreglement immers hun keuze moeten maken volgens het consensusmodel, bij meerderheid van stemmen, in voor ons geheim gehouden zittingen). Maar van die papieren lieve vrede geloof ik dit jaar helemaal geen sodemieter meer. Opvallend luid steekt juryvoorzitter Johan Thielemans in zijn introductie van het juryrapport de loftrompet over voorstellingen als Fröken Julie (De paardenkathedraal, regie: Dirk Tanghe), Het mens (tekst: Benno Barnard, spel: Chris Lomme), Titus Andronicus (Het Nationale Toneel, regie: Johan Doesburg), Vrijdag (Stella, regie: Alize Zandwijk) en De wilde eend (Art&Pro, regie: Frans Strijards). En dat zijn allemaal produkties die het niet hebben gehaald, en die dus in het kader van het Theaterfestival niet meer zijn te zien. Wat in Nederland en Vlaanderen onherroepelijk betekent: nooit meer.
Wat zich precies in de boezem van het erudiete gezelschap theaterpublicisten die de jury vormen heeft afgespeeld, weet ik niet, maar ik durf er vergif op in te nemen dat de introductie van hun juryrapport een indicatie is dat de Tiendaagse Veldtocht tussen Nederland en België (in omgekeerde richting) het afgelopen seizoen dunnetjes is overgedaan. Wat de Vlamingen prachtig vonden, vonden de Hollanders helemaal niks, en Nederland heeft gewonnen. Echt weten zullen we dat nooit: de discussies in de jury zijn verborgener dan de geheimen van ons Haagse Torentje en de Brusselse Wetstraat, respectievelijk die van onze paleizen. Het Theaterfestival heeft eindelijk de majesteitelijke proporties gekregen die initiatiefnemer Arthur Sonnen, de onverbeterlijke pleitbezorger van het Nederlandstalig theater, zich nooit en te nimmer heeft gewenst.
HET SPOOKBEELD dat het Theaterfestival achtervolgt, hebben de organisatoren over zichzelf afgeroepen: het instellen van een prijs, uit te reiken door een jaarlijks wisselende 'erejury’, waarvan de samenstelling ieder seizoen op zijn best koddig te noemen valt, maar feitelijk ridicuul is: heren wier achternamen eindigen op T(h)ijn, kunstredacteuren van landelijke dagbladen, museumdirecteuren, filmregisseurs.
Dit jaar hadden de broeders Van Warmerdam de erejury moeten vormen, maar die waren niet beschikbaar. De tweede keus wordt nu gevormd door drie leidende figuren uit het jeugdtheater - ook leuk, maar evenzeer een combinatie van onzin en ongein. Het fantoom dat aan die prijs (een halve ton) kleeft, heet: de beste produktie van het seizoen. En dat spookbeeld haalt de oorspronkelijke bedoelingen van het Theaterfestival onderuit: onbevangen kijken naar wat het voorbije theaterseizoen aan intrigerende produkties heeft opgeleverd. Want hoezo 'de beste’? Daar gaat het toch helemaal niet om!
Door die onzin heeft het Theaterfestival - bij wijze van spreken achter de eigen rug om - haar alternatieven gecreëerd. De Rotterdamse Schouwburg presenteert al jaren haar eigen keuze, een selectie door de medewerkers - dit jaar prijken van de veertien in Rotterdam gekozen produkties er precies vier ook op het lijstje van de jury van het Theaterfestival. De theaters in de Nes-theaterstraat presenteren in september ook hun eigen keuze. Als ik het goed heb begrepen, komt er in hun selectie geen enkele voorstelling voor die door het Theaterfestival is gekozen.
Het klinkt allemaal reuze democratisch, en - om met Wim Sonneveld te spreken - 'zo hoort het ook, eens per jaar’. Maar het doet het aanzien van het Theaterfestival als gezichtsbepalende manifestatie van het Nederlandstalige toneel geen goed. Ik weet het: alles in het Nederlandse cultuurbeleid is of niet goed óf het deugt niet - maar het kan wel beter. Bestuur en directie van het Theaterfestival zullen zich na de smoelloze keuze van de huidige jury (door mij in deze krant eerder dit jaar vergeleken met het te vrezen grijze gehalte van het nieuwe regeerakkoord van een volgende paarse coalitie) toch echt moeten beraden op hoe de selectie van 'de meest belangwekkende voorstellingen’ tot stand komt.
TERUG NAAR Een soort Hades, volgens de jury van het Theaterfestival een van de twaalf meest belangwekkende produkties uit het afgelopen toneelseizoen. Ik citeer uit het hart van het juryrapport: 'In het eerste deel organiseert Rijnders de tekst volgens muzikale principes. Hij is zeer gevoelig voor het ritme van het geheel, en omdat de spelers zich op ver uit elkaar liggende plekken bevinden, mengt hij regelmatig de dialogen door elkaar. Het is gedeeltelijk een welkome technische oplossing voor het teveel aan tekst. Maar deze ingreep heeft ook een interessant theatereffect. De gesprekken worden voorgrond en achtergrond, deels klank, deels mededeling. De toeschouwer moet zelf een keuze maken tussen de talrijke gebeurtenissen. Het geeft aan het eerste deel een diffuus karakter. De betrokkenheid van het publiek is gering, want de toeschouwer zoekt zich een weg in de vele verhalen. Na de pauze wordt de tekst in grotere gehelen geboetseerd. Het is alsof we nu inzoomen op bepaalde personages.’ Het juryrapport noemt hier een vader-dochterrelatie en een conflict tussen een man en een vrouw als voorbeelden van dat geslaagde inzoomen op 'bepaalde personages’. Verder is er veel lof voor 'de overtuigingskracht van het volledige gezelschap’.
Ik heb van die jubeltonen, die ook uit de dagbladrecensies opwalmden, weinig begrepen. Om te beginnen zou hier sprake zijn van een 'beklemmende montage’. Het enige waardoor althans het eerste deel van Een soort Hades verwant lijkt aan Gerardjan Rijnders’ vroegere 'montagevoorstellingen’ (Bakeliet, Titus geen Shakespeare, Ballet en Count Your Blessings) is dat er veel door elkaar wordt geschreeuwd en gepraat, met als prettig gevolg dat de voorstelling geen zes maar vier uur duurt. Verder is elke verwantschap zoek, vooral door het ontbreken van iedere metaforische, de anekdotiek overstijgende theatraliteit: ieder personage en iedere scène is wat het is, betekent wat het betekent - en verder niks.
Misschien wìl Rijnders dat wel, en dan kan ik alleen maar zeggen dat ik de wilde, verwarrende en vaak ook onderhuids woedende kracht van zijn vroegere montagevoorstellingen (die ook in zijn Berlijnse debuut Moffenblues was terug te vinden) als theaterliefhebber en fan van Rijnders’ werk gewoon vreselijk mis. Het is me allemaal te ordinair, te plat, te veel gootsteenrealisme.
Op den duur interesseren me de conflicten, het zogenaamde drama rond en in de ziekenhuisbedden volstrekt niet meer. Een man, een soort CDA-politicus met een hoop ambities (gespeeld door Kees Hulst), bezoekt met een zekere regelmaat zijn dochter (Roos Ouwehand), die hem van incest beschuldigt. Of haar verhalen kloppen, wordt in het midden gelaten (wat een zekere spanning oplevert), maar verder lijkt het gedrentel van de onhandige meneer om het bed van de met handenwringend pathos neergezette (en meestentijds neergelegde) hysterische dochter helemaal nergens naar. Het ziet er op zijn hoogst uit als opgerekte melodramatiek, waar ik in ieder geval niet of nauwelijks naar kon kijken. Ook de conflicten rondom het andere centraal geplaatste bed, een stukgelopen yuppenhuwelijk, gespeeld door Marieke Heebink en Pierre Bokma, interesseerden me al heel snel totaal niet meer.
ZOALS DE erudiete juryvoorzitter reeds opmerkte: 'De betrokkenheid van het publiek is gering, want de toeschouwer kijkt toe, en zoekt zich een weg in de vele verhalen.’ Nu is het bij mij zo dat ik in een theater graag verdwaal in de verhalen - daarin ligt een van de meerwaarden van dit medium, evenals in het werk van Gerardjan Rijnders. In Een soort Hades is de kans om te verdwalen uitgesloten. De verhalen worden - op een paar uitzonderingen na, zoals de verhalen van Joop Admiraal, Jacques Commandeur en Gijs de Lange - als hapklare brokken opgediend. Ik kreeg als toeschouwer van dit nare neprealisme op den duur nijdig de neiging om te roepen: 'Ik ga zelf wel naar de bezoekersruimten van Duin en Bosch in Bakkum of de Willibrordusstichting in Heiloo, dan zie ik boeiender dingen dan hier in het Transformatorhuis Toneelgroep Amsterdam.’
Als dit theater 'een toetssteen voor het hele Nederlandstalige toneel’ moet voorstellen, zoals juryvoorzitter Johan Thielemans schrijft, dan hou ik mijn hart vast voor de toekomst van dat Nederlandstalige toneel. Het is, althans wat mij betreft, niet te hopen dat we dit soort 'toetsstenen’ in de komende jaren vaker te zien krijgen.
BREED UITGEMETEN werd dat Een soort Hades voor Norén ook een verwerking is van een eigen psychiatrisch verleden. En dat Gerardjan Rijnders zich ter voorbereiding een volle week in een inrichting heeft laten insluiten. Misschien is dat wel wat me het meest tegenstaat: voor de auteur ligt de stof te dicht op zijn huid, en de regisseur is verzopen in de anekdotiek van zijn eigen observaties uit de eerste hand, waarbij hij zijn acteurs laat verdwalen in hoofdstuk één tot en met drie van het handboek van de Amerikaanse Actors Studio: psychologisch realisme van de koude grond.
Ik begrijp eerlijk gezegd niks van de hype die rondom deze voorstelling is ontstaan. Mij interesseerde het gebodene helemaal niks. En ik zal daarin wel vreselijk ongelijk hebben: in discussies over de produktie bleek ik op voorhand totaal kansloos. Mensen waren er in tranen uitgekomen, spraken er nog dagenlang over, waren in vervoering, wat al niet. En misschien is dat wel een grote kwaliteit van deze voorstelling - om in termen van het stuk te blijven: ik dacht dat ik langzamerhand zèlf gek geworden was.
Een andere selectie
Op mijn stuk in De Groene van 28 mei 1997 ('Geacht Theaterfestival’), kwamen nogal wat reacties. In dat stuk deed ik drie voorstellen voor de jury van het Theaterfestival: kies zeven voorstellingen bij meerderheid van stemmen, en laat vervolgens ieder jurylid een eigen voorstelling nomineren. Of zet de keuze van zeven theaterpublicisten tegenover die van zeven theatermakers. Het meeste commentaar kwam op het derde voorstel: 'Voordat het nieuwe theaterseizoen start, wordt de jury een weekend in een conferentieoord opgesloten. Daar wordt teruggekeken op het afgelopen seizoen, en vooruitgeblikt op het komend seizoen. Men stelt een kader vast, een richtsnoer voor de keuze. Denkbaar thema voor het afgelopen seizoen had bijvoorbeeld kunnen zijn: hoe worden de verworvenheden van het theater voor de middenzalen, de kleine podia en uiteenlopende locaties (alledrie al vijfentwintig jaar de grootste kracht van het Nederlandse theater) heden ten dage naar de grote zalen vertaald?’ Ik had eraan toe kunnen voegen: Aan welke voorstellingen die voor de kleine zalen gemonteerd zijn, kun je zien dat ze als het ware bijna uit die podia barsten?
Wat had zo'n thema aan andere voorstellingen opgeleverd? Ik ben niet zo dol op alternatieve jurylijstjes, maar goed, voor één keer dan: Coriolanus en Elektra (RO Theater, regie Koos Terpstra), Titus Andronicus (Het Nationale Toneel, regie: Johan Doesburg), Het Huis van Bernarda Alba (Caroussel, regie: Lidwien Roothaan), De wilde eend (Art&Pro, regie: Frans Strijards), Fröken Julie (De paardenkathedraal, regie: Dirk Tanghe), Othello (Stella, regie: Alize Zandwijk), Tramlijn Begeerte (Caroussel, regie: Matin van Veldhuizen), Hamlet (Toneelschool Amsterdam, regie: Ivar van Urk) en ten slotte Trojaanse vrouwen (Zuidelijk Toneel/Hollandia, regie: Johan Simons).