Een soort vrijheid

IN HET JEUGDLITERAIRE landschap neemt Joke van Leeuwen (1952) na zo'n twintig jaar en boeken als Deesje (1985), Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden (1987), Wijd weg (1991) en Iep! (1995) een goed zichtbare plaats in. De paden waarlangs haar verhaallijnen zich slingeren, zitten vol onverwachte hobbels en bochten, en haar zelden omvangrijke boeken bruisen van ondernemingslust, vrijheidsdrang en onbekommerd anarchisme. Als schrijfster is zij een vrouw van weinig maar precies gekozen woorden en van een zekere kortaangebondenheid, die vaak een komisch effect heeft. Op de vele plaatsen waar woorden niet zo goed passen, ritselen de bladzijden van de tekeningetjes. In snelle, soms wat bozige lijnen verschijnen daar de vertrouwde spillebeenfiguren op enorme halfhoge schoenen, de te lange nekken weerloos oprijzend uit onbestemde pakken. De hoofden hebben vreemde pruikjes haar, groteske neuzen en kamerbrede lachmonden.

Binnen dit opgewekte oeuvre is het onlangs verschenen Bezoekjaren een nogal afwijkend boek. Het bevat geen enkele illustratie, het wortelt in de realiteit van Marokkaanse politieke gevangenen en het is een ernstig verhaal.
Daar wil de schrijfster onmiddellijk iets over kwijt, als ik haar spreek in haar Maastrichtse huis: ‘Vaak wordt er niet begrepen wat de ernst van humor is. Mijn boek Iep! bijvoorbeeld mag dan luchtig en grappig zijn, het gaat wel over verlies. Net als in het cabaret draai je de dingen een kwart slag. Ik heb de laatste tijd veel contact met mensen uit voormalig Joegoslavië en dan merk je hoeveel grappen er in oorlogstijd worden bedacht. Voor mij is dat een heel bruikbare manier om in het leven te staan.
Daarbij komt dat ik grote woorden wantrouw. Je kunt over vreselijke dingen niet te expliciet zijn. Een auteur uit Sarajevo kreeg geen letter meer op papier. Het eerste waar hij weer woorden voor vond, waren twee kevertjes die elkaar tegenkomen op een tafel in een kapotgeschoten kamer.’
BEZOEKJAREN HEEFT een lange wordingsgeschiedenis. Eind jaren zeventig was Joke van Leeuwen actief voor Amnesty International in Brussel. De groep kreeg het dossier van een Marokkaanse student die vanwege zijn protestacties tegen het regime van koning Hassan(II was opgepakt en ruim acht jaar vastzat als gewetensgevangene. Tijdens het laatste jaar werd ook een jongere broer van hem gevangen gezet.
Van Leeuwen: 'Het begon allemaal met een kaartje van een zonnig Vlaams landschap met “We denken aan je” erop; het groeide uit tot een correspondentie die vijf jaar geduurd heeft. Die jongen had alle tijd van de wereld en ik bleek een goede praatpaal, bemoeide me met zijn leven zonder er onderdeel van te zijn. De steeds dikker wordende brieven werden onder de omvangrijke borsten van zijn moeder de gevangenis in en uit gesmokkeld. Voor mij was het bijzonder om verwantschap te ervaren met mensen uit een heel andere cultuur. Langzamerhand ging ik een beetje bij dat gezin horen, zonder dat ik iemand van hen ooit had ontmoet.
In de eerste brief na de vrijlating werd ik uitgenodigd naar Casablanca. Ik bleef er twee weken. Alleen, want dan ben je veel meer daar dan wanneer je in Nederlands gezelschap zou zijn. Meer dan tien mensen woonden in een appartement met vier hokjes. Wij hebben dat afgeleerd, met zoveel mensen op een kleine plek en nooit gelegenheid om je terug te trekken, maar ik had niet zo'n moeite om in dat roezige gezin te plonzen. Ik ken dat aan den lijve uit de tijd van vóór de televisie, toen wij een huisorkestje hadden en een huiskrant. En verder was er ook altijd wat. De losse manier waarop ze de islam beleefden, deed me ook denken aan hoe wij thuis met het protestantisme omgingen. Ze waren Berbers met het progressieve van stadsmensen. Ze waren erg op elkaar aangewezen, omdat ze niet meer in een grootfamilie leefden.
De enige echte slaapkamer met een bed, waar je met z'n drieën in kon, was voor mij. Alle anderen lagen gedrapeerd op die Marokkaanse banken met bolle kussens. Er was ook nergens een tafel. Uren werd er op de keukenvloer gekookt en dan moest ik eten. Het duurde even voordat ze begrepen dat ik hun gastvrijheid ook waardeerde zonder dat ik dat allemaal op kon.
Ik ben erg ontvankelijk voor het met andere ogen zien van de eigen gewone dingen. Misschien omdat ik op mijn dertiende uit Nederland naar Brussel ben verhuisd. Wat in Marokko bijvoorbeeld veel indruk maakte, is dat er maar een paar planken met boeken waren, maar dat ze wel van elk boek precies wisten wat erin stond. Dan realiseer je je hoe het met de kennis van je eigen boordevolle kast staat.’
In de loop der jaren volgden meer bezoeken en werd Van Leeuwen min of meer onderdeel van de familie. Een jonger zusje - Malika Blain, die als co-auteur op de titelpagina staat vermeld - bleek het verhaal van haar broers te willen opschrijven. De bevriende schrijfster uit Nederland gaf tips en goede raad, maar het wilde niet lukken. Zo kwam het dat Van Leeuwen uiteindelijk zelf de geschiedenis ter hand nam, zonder ooit het idee gehad te hebben dat ze daar wel eens een boek over kon schrijven.
'Ik kon het alleen als ze me de vrijheid lieten mijn verbeelding op hun leven los te laten en er een roman van te maken. Al mijn andere boeken groeien altijd al schrijvend - tenslotte heb ik mijn eigen hoofd altijd bij me - maar nu was ik gebonden aan het materiaal. In het Centre Pompidou heb ik allerlei kranten zitten napluizen uit de betreffende tijd. Opnieuw heeft de familie eindeloos verteld, ieder met zijn eigen details en beleving. Dit is nu eenmaal geen verhaal dat je kunt schrijven door eens een keertje in Marokko op bezoek te gaan en een beetje te interviewen. Het gezin uit Bezoekjaren bestaat dan wel alleen in dat boek, maar ik voelde me toch erg verantwoordelijk ten opzichte van de muze die mij het verhaal heeft aangereikt.’
EEN MOEILIJK PUNT was de perspectiefkeuze. De verteller is het zusje, dat tussen haar vierde en zestiende de gebeurtenissen waarneemt en van commentaar voorziet. Als gezinslid is ze betrokken, temeer omdat ze dol is op haar grote broers. Lange tijd blijft ze echter ook (zeer tegen haar zin) buitenstaander, omdat ze nog te klein is. Van Leeuwen wilde niet te expliciet worden over de politieke situatie en zeker niet over hoe het er in de gevangenis aan toeging. Zo kwam ze uit bij het perspectief van een kind en daarmee bij precies die toon die het boek organisch bij haar andere werk laat horen. Zo is de moeder: 'Ze was niet groot, maar ze had veel in de breedte, een zacht kussen van borsten en veel schoot.’ En zo zijn (jaren later) de jongens: 'Jongens konden je beste vrienden zijn, als ze maar niet gingen zeuren over uitgaan, want dan hoorde je opeens bij zo'n jongen en ik wilde bij mezelf horen.’
Van Leeuwen: 'Met dit perspectief leek het verhaal de meeste kans van slagen te hebben. Toen ik Malika leerde kennen, voelde ik direct een zekere verwantschap. Ze had zo haar eigen ideeën. Wilde liever een jongen zijn, want die mochten dingen die zij ook wilde. Op straat spelen bijvoorbeeld. En later is ze informatica gaan studeren in Frankrijk. Maar het belangrijkste is dat ik zo'n meisje van onderaf tegen de wereld van de volwassenen aan kan laten kijken. De open, oningevulde blik van beginnende mensen brengt een soort vrijheid en lichtheid met zich mee, die mij past.
Ik zie dat een beetje anders dan Annie Schmidt, die zei altijd acht gebleven te zijn. Dat klinkt alsof je stil bent blijven staan. Ik wil vooral iets open houden, in staat blijven om niet iedereen en alles serieus te nemen of gewichtig te vinden. Ze noemen me inmiddels mevrouw, maar mijn mevrouwgevoel is niet echt goed ontwikkeld. Sommige volwassenen krijgen iets minzaams tegenover de kinderwereld, alsof ze daaraan ontstegen zijn. Daar heb ik medelijden mee, want dan zijn ze ook het vermogen kwijt om niet ingepakt en vastgeroest te raken.’
ZE IS ABSOLUUT niet op zoek naar een vergelijkbaar boek als volgend project. 'Dat zou veel te geconstrueerd worden. Ik zie dit als twintig jaar die gestold zijn geraakt. Ik heb iets teruggegeven van wat ik ontvangen heb. Die moeder was een uitzonderlijke vrouw. Ze sprak geen Frans, was analfabeet, zat altijd in een hoekje en keek. Maar net als de Dwaze Moeders is ze actief geworden. Ze verruilde haar sluier voor een hoofddoek die haar mond vrijliet en maakte de autoriteiten het leven zuur. Met de moed der wanhoop, waar vrouwen over beschikken wanneer er iets met hun kinderen gebeurt. Inmiddels is ze veel te jong overleden. Als je schrijft heb je de mogelijkheid om iemand een gezicht te geven. Dat vind ik een mooie gedachte.’