Leven in een sociaal pension

Een speelgoedbeest in bed

Een sociaal pension in een Amsterdamse arbeiderswijk, woonplaats van drinkers, gebruikers, psychiatrische patiënten en veelal combinaties van de drie. Een plek waar het leven zich afgeschminkt openbaart. Behalve hun voortdurende zucht naar medicatie hebben de bewoners nog iets gemeen: het verlangen naar een speelgoedbeest in bed.

Maandag

Mijn kantoortje is een tl-verlichte, raamloze ruimte tegenover de recreatiezaal. De deur staat altijd open. Claudia (48) komt binnen en laat haar grote lichaam in de stoel vallen. Ze wijst op haar opgezwollen wang: «Kiespijn. Ik heb de hele nacht niet geslapen.» Ik geef haar een paar paracetamols. Veel bewoners hebben problemen met hun gebit. Drugs zijn slecht voor je glazuur.

Claudia is een bewoner van een sociaal pension in een Amsterdamse wijk. Er wonen 52 mannen en zeven vrouwen in 24-uursopvang. Ze hebben een eigen kamer, krijgen hun medicatie, drie maaltijden per dag en altijd is er iemand bij wie ze terecht kunnen.

«Hoe vind je dit staan, Paul?» Rosita (41) staat in de deuropening, gekleed in een blouse met glitters, een lange zwarte rok en rode laarsjes. Ze heeft veel sieraden aan haar magere lijf. Ik zeg dat ze er heel mooi uitziet.

«Ik heb zo een afspraak met mijn psychiater.»

Rosita praat met geaffecteerde stem. Ze komt uit een goed milieu. Haar vader was burgemeester van een middelgrote Brabantse gemeente. Ze lijdt aan anorexia. Wekelijks moet ze zich laten wegen. Als ze minder dan 47 kilo weegt, moet ze een paar dagen ergens anders wonen. «Heb ik wallen onder mijn ogen?» Ze heeft enorme wallen. Ik zeg dat het heel erg meevalt. Jarenlang dronk ze dagelijks een liter whisky. Korsakov heet het gevolg. Rosita is een makkelijke prooi voor kwaadwillende medebewoners. Ze laat haar bezittingen overal slingeren.

Het pand heeft lage plafonds, grauwe muren en lange gangen met aan weerszijden kamers die door dunne gipswanden zijn gescheiden. De ramen in de recreatiezaal zijn als altijd gesloten. Er zit een tiental bewoners. Onophoudelijk zijn ze aan het roken. Zolang de voorraad strekt.

Ik werk hier ruim een jaar. Er zijn weinig plekken waar het leven zo zonder opsmuk wordt beleden als hier. Dag in, dag uit zie ik mensen worstelen met hun psychiatrische stoornis, hun verslaving en hun kinder te huis jeugd.

Voor ieder die een goede dag doormaakt, hebben er drie andere een slechte.

Overdag werk ik alleen op de groep. ’sAvonds zijn we met zijn tweeën. Ik deel het kantoortje met receptionist Hans (65), een oud-bewoner die zichzelf redelijk op orde heeft. Al neemt hij, zodra hij geld op zak heeft, een pofje (crack.) Hans vertelt er openlijk over: «Een pofje is het lekkerste dat er is. Ik beleef het heel seksueel.»

Dit belooft een onrustige week te worden. Zeven verhuizingen staan gepland. Er hangt een gespannen sfeer. Openstaande schulden moeten worden afgehandeld voor de verhuizer weg is. Al enige dagen klinken er luidkeelse aanmaningen door de zaal.

Vandaag verhuist Hassan naar een ander sociaal pension, omdat hij zich al wekenlang door een andere bewoner onder druk gezet voelt om mee te gaan stelen. Hassan zegt dat hij de enige dakloze Turk van Amsterdam is: «Je weet, ik ben gek.» Ik zeg hem dat hij alleen gek is als het hem uitkomt. Hassan begint te lachen, en zet twee vuilniszakken met spullen in het kantoor.

Mozes (29) verhuist naar een meer zelfstandige woonplek. Hij komt uit Guinee. Via een asielzoekerscentrum in Veendam kwam hij in een woning in Amsterdam terecht. Al snel bouwde hij schulden op en werden gas en licht afgesloten. «Maar ik had honger en maakte eten op een vuurtje in de huiskamer. Toen kwam de politie en zette me uit huis.» Op straat begon hij de bijbel te lezen. Door zijn schulden kwam hij in de bak terecht. «In de gevangenis kon ik niet meer blowen. Mijn lichaam werd stijf. Ik begon te lopen als een zombie.» Ook begon hij door de muren van de gevangenis heen verschijningen te zien. Hij zag prinses Diana hand in hand met zijn dochtertje lopen. «Toen wist ik zeker dat Diana een engel is.» Hij vraagt of ik ooit een visioen heb gehad.

«Nee.»

«Maak je geen zorgen», zegt hij troostend, «ook jou zal het eens overkomen.» Hij begint ontwapenend te lachen. Mozes lacht veel. In Guinee niet, zegt hij, «daar werd ik veel geslagen». Als het beter met hem gaat, wil hij zijn dochtertje hierheen halen en een christen van haar maken.

Medewerkers sluiten onderling weddenschappen af over de termijn waarop de verhuizers weer hier komen.

Nieuwe bewoner Jaap (34) meldt zich. Hij wordt gebracht door zijn bejaarde pleegouders. Nieuwe bewoners brengen onrust. Er moeten confrontaties komen om de plaats in de groep vast te stellen en uit te zoeken tot welk kamp iemand behoort: dat van de drinkers of dat van de gebruikers. Drinkers hebben over het algemeen een grote hekel aan gebruikers. In hun ogen zijn die ziek, omdat ze hun laatste cent uitgeven aan een shot en een pof. De gebruikers op hun beurt interesseren zich niet voor de drinkers. Het zijn slappelingen, in tegenstelling tot zijzelf.

De psychiatrische bewoners hangen er een beetje bij. Zolang ze hun medicatie innemen en zich rustig gedragen, worden ze met enige omzichtigheid behandeld. Zodra ze zich vreemd gaan gedragen, krijgen ze er ongenadig van langs. Het overgrote deel van de bewoners behoort tot meerdere kampen. Double troube. Of zelfs triple: verslaafd, persoonlijkheidsstoornis en crimineel verleden.

Ricardo Jones (37), een donkere man met lange dreadlocks, laat me een personeels advertentie zien. Hij is vegetariër, drinkt niet en rookt alleen af en toe een joint.

«Mag ik bellen?»

Twee jaar geleden vloog hij naar de Verenigde Staten. Daarna werd er niets meer van hem vernomen. Twee maanden geleden meldde hij zich weer. Jones had bij zijn reis twaalfduizend XTC-pillen bij zich. Twintig maanden zat hij in New York State Prison. Daar was hij Jones 54.

«Ik moet werk hebben toch, anders ga ik stoute dingen doen.» Al een paar weken zoekt hij werk. Als hij niet op zijn stem wordt afgekeurd, dan wel op zijn uiterlijk.

’s Middags komen een arts en een psychiatrisch verpleegkundige van het rehab-team, een ambulant psychiatrisch team voor daklozen, voor een gesprek met David. David is de afgelopen weken erg manisch. Onrustig loopt hij door het gebouw, met zijn sleutel tikkend tegen ruiten, muren en meubilair. Soms slaapt hij dagen achtereen niet. Twee jaar geleden heeft hij een ernstige psychose gehad. Volgens David kwam dat door overmatig tequila- en XTC-gebruik. In de voorbije weken vertelt David keer op keer dat hij de zwarte periode in zijn leven bijna heeft overwonnen. Zijn twee dochters gaan binnenkort naar de middelbare school. «Juist dan zullen ze de steun van hun vader nodig hebben», zegt hij. Ik ben zijn mentor en maak me zorgen over een nieuwe psychose. Daarom heb ik deze ontmoeting aangevraagd. David is vol argwaan. Hij is bang dat er een ster achter zijn naam komt te staan en dat hij daarna nooit meer een normale baan zal krijgen.

Voor zijn komst bekijken we zorgvuldig de stoel waarop David kan zitten. Hij moet hoog zijn, maar niet te veel afwijken van onze stoelen, want dat kan hem aan het denken zetten. Na een zeer voorzichtig kennismakingsgesprek stemt David in met een nieuwe afspraak, maar hij wil dag en tijd bepalen.

Dinsdag

Dinsdagochtend loop ik naar het park. Het is lekker weer. Om half negen gaat de buurt super van Joke open. Korte tijd later zitten Ans en Martin bij goed weer op hun bankje te drinken. ’s Zomers krijgen ze een bruine, looien huid. Uitgedroogd door alcohol en urenlang zon.

«Kom je ons hier ook al controleren?» roept Ans. In het pension zijn drank en drugs verboden. Martin schuift zijn blikje bier achter zijn rug. Ans en Martin hebben beiden bij een ongeluk met de auto hersenletsel opgelo pen.

«Vroeger was ik een heel actieve vrouw», zegt Ans. Ze werkte als kledingmaakster, deed veel aan sport, tot bij het ongeluk haar hersenen via haar mond naar buiten kwamen. Met Ans is de afspraak gemaakt dat ze dagelijks vijf euro krijgt. Anders drinkt ze alles in één keer op. Soms gaat ze even naar de detox van de Jellinek om op adem te komen. Mopperend vertrekt ze dan met een paar flessen cola.

Martin (43) is een verlegen Zeeuw. Hij heeft vandaag een afspraak bij het arbeids bureau. Dit is de laatste kans voor zijn uitkering wordt stopgezet. Hij is net jarig geweest. Ik geef hem een hand. «Het rampenkindje noemen ze mij in mijn familie. Geboren op de dag van de Watersnoodramp.»

«Denk je aan je afspraak bij het arbeidsbureau?»

«Komt wel goed», zegt hij nonchalant.

Verderop komt ook Henk aangelopen. Henk is altijd vroeg op. Als hem dingen dwarszitten, gaat hij een eind lopen. Vanmorgen is hij naar Muiden gelopen. «Ik kan maar beter een eind gaan wandelen dan iemand aanvliegen.» Als hem erg veel dwarszit, loopt hij naar Lelystad. Dan is hij een paar dagen onderweg en slaapt hij in het weiland. Zijn familie woont in Lelystad. Niet dat hij bij ze langs gaat, maar hij wil gewoon even in de buurt zijn. Henk verloor zijn vrouw bij een motorongeluk. Toen hij na een paar maanden uit coma ontwaakte, was het eerste wat de arts tegen hem zei dat zijn vrouw dood was. Henk wilde de man aanvliegen, maar hij kon zich nauwelijks bewegen met twee deels verbrijzelde benen.

«Jullie moeten me geld geven, zodat ik een kunstgebit kan aanschaffen», roept Ans. «Ik loop al een half jaar zonder tanden. Dat is toch geen gezicht.» Ze opent een nieuw blikje. Ans lijdt aan decorumverlies. Als ze moet, laat ze haar broek zakken, ook naast de kinderspeeltuin.

Sinds acht maanden wonen er ook vrouwen in het pension. Al snel ontstonden de eerste relaties. Vaak duurden ze niet langer dan een paar dagen. Ze verlopen in sneltreinvaart, als bij kinderen.

Bert en Trees zijn al maanden goed. Het liefst willen ze altijd samen zijn. Dat is een probleem geworden sinds Bert is verhuisd naar begeleid wonen. Trees sliep nooit meer in het pension. Nu is afgesproken dat ze minstens drie nachten per week hier slaapt. Soms vlucht Trees ongezien naar buiten om toch bij Bert te kunnen slapen. Bert wil graag een kind, maar Trees heeft er al vier, die allemaal bij pleeggezinnen zijn ondergebracht. Bovendien is ze hiv-besmet.

De vrouwen brachten behalve liefde ook een probleem in huis. Na de zakgeldverstrekking op vrijdag vertrokken nogal wat mannen naar de vrouwenafdeling. Alle betrokkenen werden berispt. Nu gaan Ali en Saskia na het avondeten opgedirkt de straat op.

Een groot deel van de dag loopt Bergwijk achter me aan om te kijken of hij ergens mee kan helpen. Bergwijk heeft een paar jaar geleden een klap op het hoofd gehad. Daarna lag hij drie weken in coma. Sindsdien beweegt hij alsof zijn ruggengraat van gelei is. Soms vraagt hij me om een paar euro. De meesten vragen weleens om geld, maar er zijn er niet veel die ik iets geef. Bergwijk kan ik niet weerstaan. Ook nu staat hij te dralen. Ik vraag wat er is. Hij wiebelt met zijn lichaam, draait zijn pupillen omhoog en begint te glimlachen. Na enkele seconden stilte begint hij langzaam te praten. Zijn televisie werkt niet goed. Of ik hem wil helpen met het instellen van de kanalen, vraagt hij.

Vrijdag zal hij gaan gebruiken. Wanneer hij ’s avonds terugkomt durft hij ons bijna niet onder ogen te komen van schaamte.

Harry, een grote man met een gebogen rug, komt voor zijn medicatie.

«Ook die van vanmiddag graag», zegt hij met monotone stem. Na ontvangst loopt hij terug naar zijn stoel in de recreatiezaal, waar hij het grootste deel van de tijd roerloos zal blijven zitten. Hij krijgt oxazepam, genoeg om een paard te vloeren, maar er valt met hem niet te praten over verlaging van de dosering. Hij vertelde me dat hij, toen hij vijftig werd en zonder geld zat, een supermarkt heeft overvallen. «Ik wilde niet vijftig worden zonder geld op zak.»

Gedurende de hele week komen bewoners voor hun medicatie: voor antipsychotica, antidepressiva, stabilisatoren en slaapmiddelen. Voor medicatie tegen bijwerkingen van die medicatie, als trillen, obstipatie en stijfheid. En voor hiv-medicatie, methadontabletten en gewone aandoeningen als keelpijn, griep of een ontsteking, waar zij door verminderde weerstand gevoeliger voor zijn. Die verminderde weerstand zie je ook wanneer ze hun armen of benen ontbloten. Velen hebben wondjes of uitslag die maar niet weggaan.

Rinus ook. Hij had longkanker met uitzaaiingen naar andere ingewanden, waaronder de lever. Zijn ogen en huid waren geel als de vingers van een kettingroker. Twee dagen voor zijn dood hielp ik hem in bad. Op zijn rug zaten allemaal donkere wondjes. Toen hij uit bad opstond, bleven er tientallen donkere korstjes achter. We deden allebei of we het niet zagen.

Rinus was hardnekkig in het ontkennen van het terminale stadium van zijn ziekte. Hij was dol op cowboyfilms. Toen we zijn kamer ontruimden, vonden we twee kisten vol videobanden met westerns.

Hij was de vierde bewoner die het afgelopen jaar overleed. Aids, toxoplasmose, zelfmoord en longkanker. Het begint te wennen. Ik lig er niet meer wakker van. Ik bezoek de begrafenis en ga verder met mijn werk.

De bewoners negeren het. Het is een harde wereld. De enige die geen begrafenis overslaat, is meneer Daalder. Zelfs al kent hij de overledene niet bij naam. Hij vindt het leuk om samen met een paar medewerkers op stap te gaan.

Woensdag

Rosita komt in paniek het kantoor in. «Ik ben mijn geld verloren», roept ze. «In het toilet.» Om haar geld beter te bewaren, had ze het in haar onderbroek gestopt, maar dat was ze vergeten toen ze ging plassen.

«Waar moet ik nu shag van kopen? Ik kan niet de hele week met een pakkie shag!»

Deze middag is er een tafeltennistoernooi. De winnaar krijgt een pakkie shag. Ik adviseer haar zich in te schrijven. «Een pakje shag, met vloei? Dan ga ik zeker meedoen.» Ik vraag haar of ze kan tafeltennissen. «Dat weet ik niet. Ik heb het nog nooit gedaan.»

Gerrit de Bie (38), een kleine man met snor en neusbelletje, meldt zich voor zijn dagelijkse gesprek. Zijn onderarmen zitten onder de krassen. Hij beweert dat dit door een ruzie op straat komt, maar hij heeft het zichzelf aangedaan. Naast een borderline-stoornis heeft meneer De Bie ook een theatrale persoonlijkheidsstoornis. In het verleden liet hij wc’s overlopen, het brandalarm afgaan of belde hij vanaf zijn kamer dat hij stervende was. Nu is afgesproken dat hij dagelijks met een van de medewerkers een onderhoud van dertig minuten heeft. Meneer De Bie schuifelt naar de waterkoeler. Zijn linkerarm willoos langs zijn lijf. «Verlamd», zegt hij. «Dit is al voor de dertigste keer.» Hij barst in tranen uit.

«Nu kan ik niet naar mijn werk.» Sinds twee maanden is meneer De Bie schoonmaker in het Lucas-ziekenhuis. Hij is bang dat hij zijn baan verliest. Ik spreek de hoop uit dat hij maar snel weer beter mag worden.

Koffietijd. Zo’n 25 man zit aan koffietafels. Naast me zit Winston. Een lange, donkere man. Hij draagt altijd een colbert. Hij begint voorzichtig tegen me te praten. Winston is schizofreen. Een gesprek met hem mondt al snel uit in een soort raadspelletje. Winston wil auto’s leasen, begrijp ik. Ik vraag hem wat voor auto hij op het oog heeft. Uit zijn gezicht en woorden maak ik op dat het een dure auto moet zijn. Ook wil hij kleine modellen bestellen voor het personeel dat hij van plan is aan te nemen. Winston is altijd bezig met handel. Zijn kamer ligt vol met netjes geordende stapels papier, met ellenlange rekensommen en schetsen. Laatst liet hij een indrukwekkende tekening zien van een wijk vol torenflats die hij wilde gaan bouwen. Rond Kerstmis kwam een grote donkere jongen binnen. Hij zocht zijn vader: Winston. De jongen studeerde al zes jaar op een basketbalbeurs in de Verenigde Staten en was nu voor het eerst weer terug in Nederland. Hij schrok toen hij hoorde dat zijn vader bij het Leger des Heils woont.

Een paar tafels van de overige bewoners vandaan zit meneer Heerma. Toen hij hier net kwam, ging hij aan het andere eind van de zaal zitten. Met de tijd is hij steeds een tafel dichterbij gekomen. Meneer Heerma breekt de plastic roerstaafjes in stukken en stopt ze in zijn mond. Ik loop naar hem toe en vraag hem waarom hij dat doet. «Om een sterk gestel te houden», antwoordt hij.

Vandaag komt een fotograaf langs, om van de bewoners portretten te maken, die we willen ophangen in de recreatiezaal. Rosita wil niet op de foto.

«Ik vind mezelf véél te lelijk», zegt ze, maar na wat vleiende opmerkingen gaat ze er toch voor zitten.

Ans wil ook niet. «Ik ga pas op de foto als ik mijn gebit heb.»

David wil eerst een uitgebreid gesprek met de fotograaf om te horen wat hij met de negatieven gaat doen. Het gesprek met de fotograaf neemt zijn argwaan niet weg. Hij waarschuwt de fotograaf dat als hij die camera op hem richt, hij het ding kwijt is.

Als het kantoor leeg is, komt Klaas van Dijk omzichtig binnen. Hij wil vertrouwelijk met me praten, zegt hij. Klaas woont hier nu een maand, na een langdurig ziekbed in verpleeghuis de Harscamp. Hij heeft gehoord dat je bij mij goed iets kwijt kunt. Tijdens zijn ziekbed nam hij de beslissing om definitief te stoppen met gebruik, «maar dat is moeilijk als ze voortdurend aan de deur komen om iets aan te bieden. Ik ben nu twee keer voor de bijl gegaan, nog even en ik schiet helemaal door. Die tweede etage hier is net de Zeedijk.»

Al enkele dagen horen we dergelijke berichten. Ook worden er namen genoemd van dealers. Ik zeg Klaas dat ik zal overleggen of hij een kamer op een andere gang kan krijgen.

Jasper (43), een jongen uit Oud- Zuid, is sinds een maand terug uit KBS, een drie maanden durend afkicktraject. Nadat hij was afgekickt, kwamen tal van lichamelijke kwalen boven: kapotte tanden, kapotte lever, hepatitis c en duizeligheid. Doordat hij ook de palfium (vergelijkbaar met methadon) moest afbouwen, kwamen zijn gevoelens weer tot leven: «Ik realiseerde me voor het eerst hoe het is om geen ouders meer te hebben.» Hij werd op anti depressiva gezet. «Maar ze vertelden me niet dat je eerst een spiegel moet opbouwen voor het werkt. Ik werd alleen maar depressiever.»

Het werd Jasper allemaal te veel en hij viel terug in zijn gebruik, harder dan ooit.

«Vier weken lang leefde ik van shot naar shot.» Tussendoor liep hij bij Blokker of Hema naar buiten met frituurpannen en koffieautomaten. «Grote dozen werken het best. Die kassameisjes zijn meestal te verbaasd om te reageren. Het nieuwe koffiezetapparaat van Douwe Egberts doet het heel goed. Als ik er de Albert Cuyp mee op loop, staan ze te smachten om het over te nemen.»

Het enige wat hij echt wilde die weken was dood. «Maar van gebruik alleen ga je niet dood.» Nu is hij weer terug op aarde, zegt Jasper. Hij moet een hoop regelen om zijn verblijf hier mogelijk te maken: uitkering, ziekenfonds en dergelijke.

’s Avonds is er een film over de Tweede Wereldoorlog op tv. Samen met een paar bewoners kijk ik ernaar.

«Ik heb er een boek over», zegt Robbie (38). Hij woont al sinds zijn achttiende bij het Leger des Heils. Als hij boos wordt, begint hij te stotteren. Hij wordt vooral boos als iemand iets doet dat in zijn ogen tegen de regels in druist. «Over Hitler. Ik geef het aan niemand. Het is een heel gevaarlijk boek. Zal ik het pakken?» Ja, graag. Hij rent omhoog en komt even later terug met een pocketboek. Het staat vol met portretten van Hitler. «Je mag het wel lezen, maar niet aan anderen geven hoor.»

Iemand heeft een grote emmer limonade gemaakt. Hij staat op tafel. David komt binnenlopen, kijkt er even naar en zet hem dan aan zijn mond. Bewoners roepen dat hij normaal moet doen. David zet de emmer neer en loopt stoïcijns weg. «Hij moet een paar klappen hebben», stottert Robbie.

Donderdag

Teamoverleg. Belangrijkste agendapunt: dealen in huis. De meest genoemde naam is die van Clyde. Hij is pas op familiebezoek in Suriname geweest. Er wordt gezegd dat hij met een paar honderd gram aan bolletjes is teruggekomen. Clyde is vorige week verhuisd naar een meer zelfstandige woning. Een andere naam die valt, is Klaas van Dijk, die gisteren zijn bezorgdheid bij me kwam uiten. Besloten wordt dat teamleider Katia de genoemde betrokkenen waarschuwt. Wanneer die berichten aanhouden, zullen sancties worden getroffen en de boosdoeners uitgezet.

Donderdagmiddag is er kamercontrole: van de bewoners wordt verwacht dat ze hun kamer schoonhouden. De meeste kamers zijn klein, twee bij drie meter. Er zijn ook grotere kamers. Die zijn toebedeeld aan bewoners die hier lange tijd zullen wonen. Sommigen maken iets leuks van hun kamer, stoppen hem vol met posters, poppen en lichtslingers. Opvallend veel mensen hebben een speelgoedbeest in hun bed.

Een enkeling heeft alleen een bed staan.

Sommigen presenteren vol trots hun schone kamer. Vooral nieuwe medewerkers worden met alle egards ontvangen. Zo vaak krijgen ze niet iemand over de vloer.

Alwin, een man met lange grijze haren en baard, houdt zich slapend met zijn hoofd onder de dekens. Wanneer ik hem wakker maak, begint hij te foeteren. «Een lijk haal je ook niet uit zijn graf», roept hij. Later op de dag zal hij veranderen in een vriendelijke man, die altijd bereid is naar je fiets te kijken. In het verleden was hij fietsenmaker. Soms als hij aan mijn fiets gewerkt heeft, schiet hij me dagen later aan met het bericht dat er nog een moertje moet worden aangedraaid.

In het bed van meneer De Bie ligt een plas. Weer staan de tranen in zijn ogen. «Hoe komt dat?» vraag ik. «Door de verlamming», zegt hij.

De kamer van David is een bende. Zelf oogt hij vermoeid. Hij wil weten welke dag het is en hoe laat. Ik vraag hem hoe het gaat. «Hoe… het… gaat», herhaalt hij. Daarna kijkt hij me indringend aan, draait zich om en sluit zijn deur.

Edwin (58) heeft een iets grotere kamer. Zijn huid is opvallend gaaf. Hij zit in een rolstoel, mist een onderbeen en aan zijn andere onderbeen heeft hij sinds tien maanden een grote wond. Zijn kamer ruikt naar de wond. Edwin is vandaag voor behandeling naar het AMC geweest. «Ik denk dat ik niet meer terugga. Ze willen me daar niet genezen maar bestuderen.» Edwin heeft zijn eigen behandelmethoden. In de jaren zestig en zeventig heeft hij medicijnen gestudeerd. «Mijn lichaam produceert bijna een liter vocht per dag. Afhankelijk van de hoeveelheid activiteit die ik verricht.»

Edwins verblijf is een probleem. Dagelijks probeert hij zijn verbanden onder de douche van de wond los te weken. Dan gilt hij het uit van de pijn, ondanks de zesduizend milligram ibuprofen die hij elke dag inneemt. Er zijn geen kamers op de begane grond, zodat Edwin de trap op en af moet kruipen, een activiteit die de productie van wondvocht flink verhoogt. Bovendien storen de bewoners zich aan de geur die de wond verspreidt. Edwin moet aan een aparte tafel zijn maaltijden nuttigen. Als mentor probeer ik hem in een verpleeghuis te krijgen. Maar Edwin weigert categorisch, omdat hij nergens zo makkelijk aan zijn drugs kan komen als hier. Edwin is een groot voorstander van druggebruik. Hij heeft wel duizend keer LSD geslikt. «Vroeger had ik de hoop dat Amsterdam het drugsmekka van de wereld zou worden, maar dat is vies tegengevallen.»

Na het eten komt Sjakie binnen. Hij heeft een grijze tanige kop. Elke dag struint hij de straten af, op zoek naar oud ijzer, lege flessen en ander bruikbaar afval dat iets opbrengt. «Ik ga niet op mijn reet zitten.» Hij haalt een speelgoedkassa uit een volle plastic tas en geeft hem aan mij. «Voor je zoontje.»

Als ik geen oppas heb, neem ik mijn kind van dertien maanden mee. Ik inspecteer de vloer of niemand medicatie heeft laten vallen. Onbekommerd kruipt hij tussen de bewoners door. Dronken of stoned, het maakt hem niet uit.

Het verrast me hoe vaak de bewoners naar hem vragen. Veel van hen hebben zelf ook kinderen, die vaak opgroeien bij pleeggezinnen. Eenmaal in de puberleeftijd raken ze benieuwd naar hun ouders. Meestal blijft het bij één ontmoeting. De echte ouder stemt meestal niet overeen met het door de kinderen gefantaseerde beeld.

Vrijdag

Zakgeld en extra geldverstrekking: een lange rij staat voor het kantoortje. Gedwee wachten de bewoners op hun geld. Een uur later is het pension zo goed als verlaten. Allemaal zijn ze op pad, voor dat wat ze het liefste doen, dat wat hen hier bracht. In verschillende portieken in de straat wachten de dealers op hun prooi. Jonge jongens uit de buurt. Sommigen kennen geen schroom en komen binnen vragen naar verschillende bewoners.

In de loop van het weekend komen de bewoners weer bovendrijven, moe maar voldaan, en zonder geld. De rest van de week wordt het weer shagjes bietsen en hosselen.

Onderweg naar huis kom ik David tegen. Ik vraag hem waar hij naartoe gaat.

«Geen idee. Misschien naar mijn moeder.»

«Wil je achterop?»

Dat is prima. Hij springt met zijn voeten op de bagagedrager en gaat zonder te steunen achterop staan. Zo fietsen we door de Javastraat. Na een paar honderd meter springt hij eraf. «Je moet niet te veel opvallen!»

De namen van de betrokkenen zijn gefingeerd