Een spoor van verbroken verdragen

Wie aan beroemde Amerikaanse auteurs als Dave Eggers of Jonathan Franzen zou vragen welke levende schrijver écht ver boven zijn collega’s uitsteekt, en zeker niet alleen kwantitatief, krijgt ongetwijfeld het antwoord: William T. Vollmann.

Vollmann? Wie is dat? De romancier (1959) die in 2005 de National Book Award won met de indrukwekkende oorlogsroman Europe Central; de documentaire-journalist die in 2004 met het veeldelige Rising Up and Rising Down liet zien wat echte, wereldwijde betrokkenheid betekent. Het is maar een bescheiden greep uit zijn oeuvre. Geen boek van hem is in het Nederlands vertaald. Hoe komt dat? Te dik, te geëngageerd, te ingewikkeld, te scabreus, gewoon te véél. Luie uitgevers branden zich niet graag aan een oeuvre dat onverkoopbaar lijkt. Viking/Penguin gaat stug door en heeft onlangs het vijfde deel van Vollmanns op zeven delen begrote romanserie Seven Dreams: A Book of North American Landscapes voorbeeldig verzorgd uitgegeven: The Dying Grass. Wie die serie leest – deel 4 en 7 komen nog – krijgt dankzij Vollmanns ingenieuze verknoping van documentatie en fictie op z’n minst een andere kijk op de Amerikaanse geschiedenis vanaf het prille begin en de problematische relatie tussen kolonisten en native Americans.

In geen enkel boek van Vollmann ontbreken Eros en Thanatos. Zijn omvangrijke verzameling Last Stories and Other Stories (2014), spelend in diverse windstreken, wil zelfs de grens tussen de onderwereld en de bovenwereld, dood en leven, opheffen: meer dan gothic. Sterker nog, in zijn dankwoord heeft Vollmann het over het dossier dat de fbi van hem heeft aangelegd. De ‘literaire’ afdeling van de geheime dienst meent namelijk dat Vollmann maatschappelijk subversief is en een ‘ondergondse’ terrorist kan worden… Domheid die de democratie eerder doodt dan redt.

De dood is op elke bladzijde van The Dying Grass aanwezig en trekt een bloedspoor door de prairies, die systematisch zijn gezuiverd van bizons door kolonisten en de Union Pacific Railroad. Dat bloedspoor valt samen met het spoor van verbroken verdragen tussen de imperialistische Amerikaanse regering en vele indianenstammen: Crows, Blackfeet, Flatheads, Kootenais, Pend d’Oreilles, Walla Walla’s, Yakima’s, Sioux, Modocs, Apaches, Umatilla’s, Navaho’s, Comanches, Cayuses en de Nez Perce (Nimiipu), de stam die zich rond 8000 voor Christus in Noord-Amerika vestigde. Vollmann concentreert zich in The Dying Grass op de oorlog in 1877 tussen de Nez Perce in Oregon en het Amerikaanse leger onder leiding van de eenarmige generaal O.O. Howard. Die oorlog is veel minder bekend dan de bloedige botsing in 1876 bij Little Big Horn tussen generaal Custer en de Sioux van Sitting Bull, waarbij Custer en zijn leger in de pan werden gehakt. Die nederlaag werd in 1890 gewroken bij Wounded Knee, de laatste grote slag tussen het leger en de indianen (Sioux).

Medium 3a03795u
De legertaal van de blanke soldaten is ruw en zakelijk. De taal van de Nez Perce is veel meer poëtisch en metaforisch

Tussen de Nez Perce – die in 1856 het Amerikaanse leger hielpen tijdens de Yakima-oorlog – en de regering bestond een verdrag met territoriale afspraken: de Nez Perce mochten het grootste deel van hun oorspronkelijke grondgebied behouden en hadden het recht er delen van te verkopen. Een deel van de Nez Perce, onder leiding van Toohhoolhoolzite, was tegen dat verdrag. Land afstaan of verkopen kón helemaal niet omdat indianen geen land bezaten. Het was juist andersom: zij waren deel van Moeder Aarde. De ‘Bostons’ (kolonisten) trokken illegaal de vruchtbare Wallowa-vallei in Oregon binnen, met alle botsingen van dien: die groeiden in het Nez Perce-gebied op ‘als vergiftigde paddenstoelen’. Op die vruchtbare vallei aasde de regering in Washington. Generaal Howard, held van de Burgerloog, werd het vleesgeworden verlengstuk van Washington (Go West!) en de brave uitvoerder van een genocidale politiek. De Nez Perce onder leiding van ‘Chief Joseph’ (Heimot Tooyalakekt) kregen een, steeds verder krimpend, territorium ‘aangeboden’ – met veel dying grass. Dat moest wel uitlopen op een botsing met vooral jongere Nez Perce, die Chief Josephs meegaandheid beu waren. Op 17 juni 1877 was het zo ver: in de White Bird Canyon liep Howards leger in de val van de Nez Perce. Die smadelijke nederlaag diende natuurlijk gewroken te worden. De Nez Perce-oorlog was begonnen. De achtervolging zou maanden duren en zich over twaalfhonderd mijl uitstrekken, door Oregon en Montana richting Brits-Canada. Plundering, verkrachting, moord en veldslagen wisselden elkaar af. Een deel van de Nez Perce wist te ontkomen naar Canada en voegde zich bij Sitting Bull.

Voor die oorlog en die twaalfhonderd mijl heeft Vollmann twaalfhonderd pagina’s nodig. Het verhaal van de jagers en de opgejaagden is adembenemend, schokkend en verwarrend omdat Vollmann een ingenieus vertelprocédé praktiseert. Niet alleen wisselt hij steeds van vertelinvalshoek – de jagers wisselen de opgejaagden af –, ook de taalregisters wijken sterk van elkaar af. De legertaal van de blanke soldaten is ruwer, zakelijker en minder observerend (de wisselende landschappen) dan de veel meer poëtische en metaforische van de Nez Perce. Alleen al de namen! Een dochter van Chief Joseph heet Sound of Running Feet, de eenarmige generaal Howard wordt ‘Cut Arm’ genoemd. En verder: al naar gelang de zinnen gedachten, innerlijke monologen of beschrijvingen weergeven, verspringt de kantlijn. Als de lezer door krijgt hoe door die zichtbare ingreep op de pagina de vertelling panoramisch en veelomvattend wordt, inclusief het commentaar van de schrijver ‘William the Blind’ in de 21ste eeuw, beseft hij tegelijkertijd dat hij een razendsnelle vertelling – als een draaiboek – leest met een onafwendbare afloop: de vlucht naar Canada, de dood in het onvruchtbare reservaat vol drank.

The Dying Grass is geen zwart-witroman, het bekende verhaal van de slechten en de goeien. Vollmanns documentatie is zo grondig (aan het slot legt hij uitgebreid uit waar de documentatie in fictie overgaat) dat alle nuances in de gecompliceerde verhouding tussen blank en rood aan bod komen, van de squaw man tot de christelijke Nez Perce, van de gedesoriënteerde halfbloed tot de pure verrader. The Dying Grass is een aanklacht, maar stijgt ook hoog uit boven het ‘wij en zij’. De regering in Washington en president Hayes, die niet alleen de roden maar ook de zwarten verraadde, maken als een meedogenloze machine korte metten met andere dwarsliggers: spoorwegstakers, steenkoolmijnwerkers, opstandige Chinezen in San Francisco.

Er bestaat een rijke native American-literaire traditie: Louise Erdrich, Leslie Silko, Joseph Bruchac, N. Scott Momaday, Jamake Highwater, James Welch, Peter Blue Cloud en vele anderen. De nog immer ondergewaardeerde Vollmann zou in deze opsomming niet misstaan, ware het niet dat hij een zogenaamde volbloed blanke is. Maar is dat niet het streven van alle goede literatuur: de ultieme vermenging, het ondermijnen van de hokjesgeest en het bekritiseren van rancuneuze wij-en-zij-denkers? Er is één ras: de problematische mens.


Beeld: Chief Joseph van de Nez Perce, gefotografeerd door Edward S. Curtis, 1903 (Library of Congress)