Essay: Nieuw rechts populisme

Een sprong uit het niets

In de persoon van Pim Fortuyn maakt Nederland kennis met nieuw rechts populisme. Elders in het Westen kreeg nieuw rechts al eerder voet aan de grond. Waardoor trekt deze beweging zulke grote groepen kiezers, met standpunten die voorheen slechts in de politieke marge werden verkondigd?

Begin jaren negentig broedde makelaar en Pim-vriend Harry Mens op de oprichting van een nieuwe politieke partij, de Liberale Partij Nederland. «De door Harry beoogde lijsttrekker zou professor dr. W.S.P. Fortuyn kunnen zijn», schreef Fortuyn nadien in een van zijn boeken. «Ik voelde me uiteraard zeer vereerd, maar heb ervan afgezien. Niet omdat ik niet in de politiek zou willen, maar omdat ik de tijd daar niet rijp voor acht. Er moet ook iets te doen zijn in de politiek en zover is het nog niet.»

Inmiddels is het zover, althans te oordelen naar de peilingen. Terwijl de Politieke Barometer alweer een licht verlies voor de Lijst Pim Fortuyn aanwijst, proberen rivalen en waarnemers nog altijd vat te krijgen op de doorbaak van de Rotterdamse politprofessor. Hoe is het mogelijk dat een nieuwkomer — en wel een die jarenlang vreemdelingenhaat predikte — vanuit het niets meer dan twintig kamerzetels kan halen? Wat is dat «niets» waaruit Fortuyn voortkomt en waarin hij, als het aan zijn tegenstanders ligt, binnen de kortste keren weer wegzakt? Heeft hij het eigenhandig opgeroepen met zijn onmiskenbare charisma, zijn Elsevier-columns en zijn egoboeken? Of is hij in een «niets» gestapt dat al voorhanden was, een leegte in de Nederlandse politiek die wachtte op vervulling door een man met een missie, zoals hij het zelf ziet?

Opiniepeilers hebben twee weken geleden voor het eerst toegegeven dat ze geen greep kunnen krijgen op zijn electoraat. Fortuyn-kiezers behoren niet louter tot de groep van laaggeschoolde, ontkerkelijkte mannelijke vijftigers en ook niet tot het vaste bestand van extreem rechtse kiezers in de achterstandswijken van de grote steden. Ze gaan schuil tussen de meer dan veertig procent van de mensen die weigeren zich te laten enquêteren. Toch is de mist enigszins opgetrokken na een kiezersonderzoek in Rotterdam, waaruit bleek dat de meeste mensen die op 6 maart op Leefbaar Rotterdam stemden dat deden vanwege Fortuyns opvattingen over migratie. Niet vanwege zijn stellingname tegen het politieke establishment, zijn visie op de gezondheidszorg of zijn plan voor een sociale dienstplicht voor alle jongeren, maar vanwege zijn mening dat de grenzen dicht moeten. Uit een kiezersonderzoek in opdracht van Het Parool bleek dat hetzelfde gold voor randgemeenten van Amsterdam zoals Almere en Purmerend, waar het succes van de Leefbaar-partijen grotendeels te danken was aan hun (al dan niet terechte) associatie met Pim Fortuyn en zijn anti-immigratiestandpunt.

Fortuyn is geen Janmaat. Maar een gesoigneerde academicus die migranten verantwoordelijk stelt voor stijgende criminaliteit, die het Vluchtelingenverdrag wil opzeggen, de grenzen sluiten en per stad, buurt of school raciale quota instellen, is evengoed een racist. Buitenlandse kranten hadden geen enkele moeite met de conclusie dat ons land sinds 6 maart over een «Nederlands Blok» beschikt.

Het is een onverkwikkelijke waarheid, in strijd met een jarenlang gekoesterde mythe van Nederlandse tolerantie en consensuspolitiek. Fortuyn speelt hierop in door zich tot 16 mei te onthouden van nieuwe uitspraken over migratie. Die laat hij over aan de andere partijen — met name de VVD en Leefbaar Nederland — die hun kiezers massaal naar de Lijst Fortuyn zien overlopen. Het «Fortuyn-effect» wordt er des te groter door. «Kennelijk past het slecht in ons nationale ‹zelfbeeld›, waarin de Haiders van deze wereld altijd elders wonen», schreven Paul Kalma en Frans Becker van de Wiardi Beckmanstichting vorige week in de Volkskrant: «Nog merkwaardiger is dat ook Fortuyn zelf niets met extreem of populistisch rechts van doen zegt te hebben, terwijl hij als columnist in Elsevier regelmatig steun heeft betuigd aan Haider (die ‹gelijk heeft› met zijn kritiek op de ‹ongebreidelde toestroom van vluchtelingen›) én aan Janmaat (een ‹goed waarnemer› van de multiculturele samenleving).»

Dezelfde reactie viel in 1999 in Oostenrijk te noteren toen Haiders FPÖ bijna dertig procent van de stemmen haalde. Vrijwel alle commentatoren verklaarden geschrokken dat een dergelijk succes niet op vreemdelingenhaat kon berusten: Oostenrijk was toch zeker geen racistisch land. Hier was meer aan de hand, er was sprake van een massale onvrede die zich kristalliseerde op het punt van de migratie en in werkelijkheid aan andere oorzaken te wijten was. De leider van de Oostenrijkse Groenen maakte zich zelfs op voor een reis langs de Europese hoofdsteden om uit te leggen dat zijn land «geen nazi-land was». De uitslag van de eerstvolgende Eurobarometer weerhield hem daarvan. Volgens de peiling noemde 14 procent van de Oostenrijkers zich «zeer racistisch», 28 procent «tamelijk racistisch» en 23 procent «een beetje racistisch».

De doorbraak van het Vlaams Blok in 1991 was voor België een bijna even grote schok. De Vlaamse socialisten verzochten de Leuvense hoogleraar Luc Huyse te onderzoeken waarom het Blok erin was geslaagd een deel van hun oude achterban te mobiliseren met een programma van chauvinisme, vreemdelingenhaat en afkeer van de politieke democratie.

Huyse verzamelde een groep zwaargewichten, onder wie de politicologen Kris Deschouwer en Mark Elchardus, en schreef een beknopte, heldere analyse getiteld 24 November 1991: De betekenis van een verkiezingsuitslag (Kritak, 1992). Een stem op het Blok is meer dan een uiting van machteloze woede, schrijven de onderzoekers. Onvrede is wel vaak de eerste aandrift. De afkeer van migranten is een antwoord op de maatschappelijke uitsluiting van autochtone burgers in de oude stadswijken. Collectieve verbanden zijn «weggeïndividualiseerd» door een samenspel van ontkerkelijking, terugtrekking van de overheid en de werking van de «vrije markt». Een vaste arbeidsplaats (of het recht daarop) is geen vanzelfsprekendheid meer, de naoorlogse sociale-zekerheidsarrangementen gaan op de helling, de samenstelling van buurt of wijk verandert door het wegtrekken van jongeren en de intocht van veelal arme migranten. De stedelijke parochies vallen uiteen, de sociale controle verdampt en de gevestigde partijen tonen voor dit alles een «maatschappelijke blindheid» waardoor ze de rancune alleen maar voeden.

Een Blok-stem is echter meer dan een proteststem. Het is ook een blijk van afgunst: extreem rechtse kiezers benijden de migranten om de sociale weerbaarheid die zij zelf missen, een weerbaarheid die vaak berust op premoderne tradities en arrangementen. Migranten hebben niet alleen bijna per definitie initiatief, ze hebben ook sterke familiebanden, steunen elkaar financieel en worden bijeengehouden door een gemeenschappelijke godsdienst en culturele traditie. De afgunst van de allochtonen wordt gevoed doordat migranten zich beter staande houden in de neoliberale vechtmaatschappij en de strijd om almaar schaarser wordende openbare voorzieningen. Daarom is een stem op het Blok ook een roep om nieuwe sociale samenhang, een roep om de solidariteit binnen de eigen kring te herstellen ten koste van de nieuwkomers. De sociale weerbaarheid van de migranten wordt beantwoord met een kunstmatige Vlaamse «eigenheid» die dat gebrek aan onderlinge solidariteit moet compenseren.

Onvrede met de machthebbers, de ongelijke welvaartsverdeling of het heersende leergezag is van alle tijden en inspireerde talloze populis tische bewegingen, van de Franse sansculottes tot de vele protestbewegingen onder Amerikaanse boeren en van de zestiende-eeuwse protestantse opstand in Noord-Europa tot het Latijns-Amerikaanse caudillismo (Perón, Castro) van de twintigste eeuw. De bindende factor in al die bewegingen was een beroep op de «onterfden» en hun recht op een plaats onder de zon. Het nieuw rechtse populisme is echter geen opstand van de onterfden, het is een afweerbeweging van de middenklasse tegen de krachten die zijn bestaanszekerheid bedreigen. Dat zijn de krachten die doorgaans worden samengevat onder het kopje «mondialisering», te weten migratie, economische onzekerheid en het verdwijnen van vertrouwde referentie kaders (godsdienst, natie, gezin) die het leven voor de middengroepen overzichtelijk maakten. Deze middengroepen voelen zich zowel «van onderen» bedreigd (door migranten, straat geweld, drugsgebruik) als «van boven» (door bureaucratische regelgeving, incompetente managers en ongrijpbare machten zoals de Europese Unie en het IMF). Ze eisen een «normalisering» van het maatschappelijk leven en met name van de privileges die ze door toedoen van de naoorlogse welvaartsstaat hebben verworven, waarbij ze hun eigen normen op het gebied van arbeidsmoraal, kindertal of onderwijs willen opleggen aan nieuwkomers en jongere generaties.

Hetzelfde verschijnsel doet zich voor in andere westerse landen: het protest tegen de instroom van migranten gaat gelijk op met het zoeken naar nieuwe saamhorigheid, herwaardering van het «nationale erfgoed» en herstel van het sociale contract tussen burger en overheid waarbij de laatste weer ouderwets moet waken over een aantal gemeenschappelijke waarden, in de eerste plaats de openbare veiligheid. Dat maakt het «effect-Fortuyn» groter dan de man zelf, ongeacht de politieke of particuliere capriolen waarop hij ons de komende tijd gaat trakteren. En het vraagt om meer dan een tegenaanval, het vraagt om een verklaring. In de persoon van Pim Fortuyn maakt Nederland voor het eerst sedert de Tweede Wereldoorlog kennis met het nieuw rechtse populisme en gezien de grote aantallen zwevende kiezers die erdoor worden aangesproken, zal het voorlopig niet verdwijnen. De nieuw rechtse bewegingen in Europa (Front National, Forza Italia, de Noorse Vooruitgangspartij, Jörg Haiders FPÖ), de Verenigde Staten (Ross Perot, de rechtervleugel van de Republikeinen) en Australië (Pauline Hanson) zijn in de eerste plaats anti-establishmentpartijen. Ze verwerpen de totalitaire erfenis van het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog en stellen zich juist op als verdedigers van de democratie, als vertegenwoordigers van de «gewone man» in wiens naam ze de veronderstelde almacht, arrogantie en baantjesjagerij van de «oude» partijen aanklagen. Wat is er nu zo nieuw aan deze partijen waardoor ze grote groepen kiezers trekken met standpunten die voorheen slechts in de politieke marge werden verkondigd? Het kader van nieuw rechtse partijen is bijna altijd afkomstig uit de gegoede middenklasse. Dit verklaart waarom Fortuyns denkbeelden in een aantal opzichten afwijken van de nieuw rechtse canon. Aangezien de Nederlandse middenklasse zich andere normen heeft eigengemaakt dan de Franse of de Oostenrijkse, neemt die normalisering hier andere vormen aan. Jean-Marie le Pen en Jörg Haider zijn ouderwetse macho’s, Fortuyn is daarentegen het prototype van de geëmancipeerde homoseksueel die van zijn geaardheid geen punt maakt en niet toestaat dat anderen er een punt van maken, zeker niet de «achterlijke» migranten die de klok van de seksuele bevrijding willen terugdraaien. Het geeft zijn retoriek een ongekend progressieve lading waardoor hij zich onderscheidt van andere nieuw rechtse politici. Toen hem tijdens de Rotterdamse college-onderhandelingen werd gevraagd naar zijn standpunt over migratie, repliceerde Fortuyn met een vurig pleidooi voor de emancipatie van allochtone vrouwen waarmee hij de woordvoerders van PvdA en GroenLinks alle wind uit de zeilen nam.

Niettemin past zijn visie op migratie in het patroon van nieuw rechts. Zo zegt Fortuyn keer op keer dat migranten zichzelf buitensluiten door hun afwijkende normen. Degenen die hier willen binnenkomen of blijven, zullen die normen moeten afleggen. «Het wordt tijd uiterst beheerst, maar effectief en keihard terug te slaan en de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen zonder omwegen medeverantwoordelijk te stellen voor de misdragingen van groepen mensen uit hun gemeenschap. We hebben hier een volk en een natie te vormen om te kunnen overleven en dat betekent dat ze óf ten volle meedoen en zich Nederlander voelen, óf teruggaan van waar ze zijn gekomen» (Het Parool, 26 november 2001). De nieuwe saamhorigheid waarmee de maatschappelijke desintegratie moet worden bestreden, krijgt bij Fortuyn de gestalte van een herboren «patriottisme» dat met name via het onderwijs moet worden doorgegeven.

Het nieuw rechtse populisme onderscheidt zich nog in een tweede opzicht van zijn voorgangers: het huldigt ultraliberale economische opvattingen. Het corporatisme van weleer heeft plaatsgemaakt voor de trits privatisering, deregulering en flexibilisering. Om de daaruit resulterende maatschappelijke onrust en ontwrichting te bestrijden, wordt een beroep gedaan op sociale dwang en overheidsrepressie. Dezelfde mix is terug te vinden bij Fortuyn, met name in zijn laatste boek De puinhopen van acht jaar paars. Hij wijdt daarin bewust geen woord aan de economie, want die is volgens hem een zaak van ondernemers en beleggers. Overheid, vakbonden en sociaal-economische overlegorganen als de Ser dienen zich er niet mee te bemoeien. In Den Haag staat nu eenmaal geen «banenmachine», aldus Fortuyn. Inkomenspolitiek en (her)verdeling van de welvaart zijn voor hem geen politieke issues; huursubsidies en gemeentelijke kwijtschelding aan de laagste inkomens moeten worden afgeschaft. Zijn beleid voor de gezondheidszorg komt er simpelweg op neer dat deze door marktwerking uit het slop moet worden gehaald.

Niet alleen de Socialistische Partij komt in haar reactie op het boek tot de slotsom dat Fortuyn pleit voor een voortzetting van Paars in het kwadraat, oftewel «pimpelpaars». Ook Het Financieele Dagblad noemt het Nederland van Fortuyn hardvochtig: «Wie de samenleving niet kan bijbenen, heeft net als in het door Fortuyn zeer gewaardeerde Amerika pech. Het is de vraag of de kiezers die op Fortuyn hebben gestemd, zich dat realiseren.» De Fortuyn-kiezers in de achterstandswijken hebben daar wellicht niet bij stilgestaan (of het kan ze niet zoveel schelen). Maar de vrij zwevende VVD-ers («surfplank-liberalen») die Fortuyn naar zich toe weet te trekken, beseffen het waarschijnlijk maar al te goed en zien er een extra reden in om op hem te stemmen. Niet alleen zijn beleid, ook een aanzienlijk deel van zijn kiezers is kennelijk pimpelpaars. Het feit dat Fortuyn geen enkele partij vertegenwoordigt, verleent hem ook nog eens een aura van ongebondenheid en oprechtheid die aansluit bij hun door en door geïndividualiseerde wereldbeeld.

In de persoon van Pim Fortuyn krijgen de partijen de rekening gepresenteerd voor hun «no-nonsense» beleid van drie kabinetten-Lubbers en twee kabinetten-Kok. Door de keuze voor liberalisering en marktwerking is een vechtmaatschappij ontstaan waarin de solidariteit in veel opzichten is «geprivatiseerd». Ook burgers die in redelijke welstand leven, voelen zich onveilig, onzeker en teruggeworpen op zichzelf in hun strijd tegen de meest uiteenlopende bedreigingen, variërend van luchtvervuiling en ziekmakend voedsel tot onverhoeds ontslag of het afglijden van hun kinderen in drugsgebruik. Het is een maatschappij die op alle gebieden «onzekerheid produceert» (Anthony Giddens) en waarin steeds meer traditionele, collectieve opvangmechanismen wegvallen zodat we geen gezamenlijke zorgen, angsten en emoties meer onderkennen, maar alleen nog individuele problemen die ieder voor zich maar moet verwerken. De verleiding wordt dan groot om te stemmen op een politicus die jouw persoonlijke zorgen en grieven tot de zijne maakt en radicale oplossingen biedt, ook al gaan die ten koste van andermans rechten en vrijheden.

De Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman, die verschillende boeken heeft gewijd aan de groeiende politieke onmacht in de postindustriële samenleving, wijst op een paradox in onze westerse opvatting van vrijheid. Enerzijds weten we ons vrijer dan ooit tevoren. We beschouwen onze politieke vrijheidsrechten als onomkeerbare verworvenheden en houden die aan de rest van de wereld ten voorbeeld, maar staan niet stil bij de vraag wat ze ons hebben gekost. We weigeren zelfs daarover na te denken: «Limits are off-limits.» Anderzijds voelen we ons machteloos tegenover politieke en economische ontwikkelingen, achten we onszelf niet in staat individueel of collectief de loop van de geschiedenis te beïnvloeden.

Individuele vrijheden kunnen alleen collectief worden veilig gesteld, aldus Bauman, maar we weten niet eens meer wat collectieve actie is. Als we er al in zouden slagen de handen ineen te slaan, zouden we niet weten in welke richting we onze samenleving moesten sturen of veranderen. We hebben afgeleerd te dromen van een betere wereld, we dromen alleen nog van een verbetering van ons persoonlijk lot. Maatschappelijke verandering is geen wilsbesluit meer, geen project waarover van tevoren kan worden nagedacht en rationeel beslist, maar een blinde uitkomst van individuele beslissingen, een kwestie van vraag en aanbod. Daarom zijn niet alleen onze politici fantasieloos en onbetekenend, ons hele begrip van politiek is uitgehold tot aan de grens van de betekenisloosheid. «Een eeuw geleden was het liberalisme een uitdagende ideologie die een ‹grote sprong voorwaarts› beloofde. Vandaag de dag is het niet meer dan een excuus voor capitulatie. Wie zoekt naar de oorzaken van de hedendaagse politieke apathie, hoeft niet verder te kijken. Waarom zouden we ons nog bezighouden met politiek als die ons enkel meer van hetzelfde belooft?» (In Search of Politics, 1999).

Bij gebrek aan nadere duiding, die ongetwijfeld nog in de vorm van vuistdikke academische analyses tot ons zal komen, lijkt dit het geheim van Fortuyn te zijn: hij belooft de kiezer een ander land of ten minste een ander beleid, maar niet méér van hetzelfde. Hij laat zijn programma niet doorrekenen door het Centraal Planbureau en laat zich niet verstrikken in haalbaarheidsdiscussies of kongsi’s met toekomstige coalitiepartners. Als het gewenste migratiebeleid botst met het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag van Schengen, dan zeggen we die verdragen op. Als het vaststellen van raciale quota voor steden en wijken botst met artikel 1 van de Grondwet, dan moet artikel 1 maar wijken. Als de Europese Unie ons dwarszit, schaffen we hem af. Als we ons storen aan de toenemende regelgeving voor onze almaar complexer wordende samen leving, dan versimpelen we de samenleving door een terugkeer naar de kleinschaligheid van weleer en ontslaan in een moeite door een kwart van de ambtenaren. Het is illusiepolitiek, maar de aard van de illusie zegt genoeg over het soort maatschappij waarin we leven. Fortuyns politieke visie is een bundeling van zijn hoogstpersoonlijke grieven en tegelijk acht hij het Nederland van zijn dromen maakbaar. Dat maakt hem tot een per fecte exponent van de tijdgeest die de grote partijen zelf hebben opgeroepen.