Hommage aan Minakata © Naoko Hiromoto

Wie haar werk nog niet kent, zou zomaar kunnen denken dat Anna Tsings De paddenstoel aan het einde van de wereld (2015), dat onlangs in Nederlandse vertaling verscheen, over de atoombom gaat: de paddenstoelvormige wolk, die symbool staat voor het einde van de wereld. Of in ieder geval voor onze angst daarvoor.

Maar het gaat over een veel kleinere, minder in het oog springende paddenstoel: de matsutake. Tsing houdt het klein. Want leven op de ruïnes van het kapitalisme – de ondertitel van het boek – vraagt er volgens antropologe Tsing om dat we stilstaan bij onbepaaldheid en kwetsbaarheid, en ons niet mee laten slepen door grootse verhalen over hét einde van dé wereld (en hoe we op het laatste moment gered gaan worden, door de techniek of zo). Het komt erop aan dat we oog ontwikkelen voor de toestand waarin onze wereld zich bevindt: een staat van precariteit.

Tsing: ‘Noch verhalen over vooruitgang, noch verhalen over ruïnes vertellen ons hoe we moeten nadenken over gezamenlijk overleven. Het is tijd om het over paddenstoelen plukken te hebben. Niet dat het ons zal redden – maar misschien brengt het ons wel op ideeën.’

Dit neemt niet weg dat er in haar boek wel degelijk een kleine rol is weggelegd voor de atoombom. Naar verluidt was de matsutakepaddenstoel het eerste teken van leven in het door de atoombom verwoeste landschap van Hiroshima. Kenmerkend voor de matsutake, zo legt Tsing uit, is dat deze paddenstoel het goed doet in door de mens verstoorde milieus. ‘Net als ratten, wasberen en kakkerlakken nemen ze ecologische puinhopen voor lief.’ Zodoende wijst de matsutake ons niet alleen op onze gedeelde kwetsbaarheid, maar houdt deze paddenstoel ons ook een voorbeeld voor van gezamenlijk overleven. En dat niet alleen vanwege het soort bossen waarin die paddenstoelen groeien, maar ook vanwege de mensen die zich er omheen verzamelen om ze te plukken – zij overleven aan de randen van het kapitalistische systeem.

Hoewel de handel in matsutake internationaal is en de weg volgt van kapitalistische global supply chains staat die op gespannen voet met twintigste-eeuwse ontwikkelingsdromen. De plukkers mogen dan hun eigen baas zijn, rijk worden ze er niet van. Precaire levensomstandigheden, precaire leefwerelden. Het punt van Tsing is niet zozeer dat we ons in moeten zetten om de leefomstandigheden van de matsutakeplukkers te verbeteren, maar veeleer dat we in moeten zien dat de hele wereld zich in een staat van kwetsbaarheid bevindt, al wordt dat door de een (nog) beduidend minder gevoeld dan door de ander. Het gaat erom oog te ontwikkelen voor onze gedeelde precariteit, voor scheuren in de mondiale economie, die de betovering doorbreken van het soepel functioneren der dingen.

Tsings werk is verwant aan dat van filosofen als Bruno Latour en Donna Haraway, die zich net als zij verzetten tegen het voorwaartse ritme van het tandem kapitalisme-moderniteit en zich proberen te oriënteren in het Antropoceen, zonder opnieuw in grote verhalen te vervallen. Net als Latour vraagt Tsing zich af hoe we opnieuw kunnen aarden nu de grond onder onze voeten onvast blijkt (al heeft Latour het niet zo op denken in termen van ruïnes) en net als Haraway heeft ze oog voor de manier waarop ze onderzoekt en schrijft. ’It matters what stories we tell stories with’, zo herhaalt Haraway met enige regelmaat. Daar is ook Tsing van doordrongen, die een paddenstoel aangrijpt om over het einde van de wereld zoals we die kennen te schrijven, en voor de atoombom slechts een bijrol laat. Dat ze het klein houdt, betekent overigens niet dat haar werk geen grote invloed heeft. Zo heeft haar Arts of Living on a Damaged Planet-conferentie van 2014 een belangrijke draai gegeven aan het (academische) debat over het Antropoceen. Het gaat sindsdien niet alleen meer over de mens (antropos) als ‘geologische kracht’ – een weinig bescheiden benadering die bovendien geen oog heeft voor de specifieke geschiedenis die eraan ten grondslag ligt (kapitalisme, kolonialisme), en voor het feit dat niet iedere mens op dezelfde manier debet is aan het hele gebeuren – maar veeleer over de mens als verstorende kracht en de vraag hoe we (en die ‘we’ omvat ook de niet-mensen) het nu moeten zien te rooien op een beschadigde planeet.

In de inleiding geeft Tsing aan dat het haar er niet zozeer om te doen is om twintigste-eeuwse droombeelden over modernisering en vooruitgang onderuit te schoffelen, maar veeleer om te onderzoeken hoe het mogelijk is te leven zonder de overtuiging dat we collectief weten waar we naar op weg zijn. Leven in een precaire wereld betekent leven in een wereld zonder teleologie. En daar kunnen we maar moeilijk bij. Ze merkt op dat vooruitgang zelfs ons denken over verval en ruïnering voedt: iets is heel óf gebroken, iets slaagt óf faalt. Het laat geen ruimte voor ambiguïteit, geen surplus. Wat als we niet vooruitkijken, vraagt Tsing zich af, maar om ons heen?

‘Vooruitgang is een mars voorwaarts die andere soorten meesleurt in zijn eigen ritmes’

‘Vooruitgang is een mars voorwaarts die andere soorten meesleurt in zijn eigen ritmes’, schrijft Tsing. Het is het ritme van de kapitalistische handel, die drijft op (op)schaalbaarheid. Om dingen op te kunnen schalen, moet je ze abstract maken, ze loszingen uit hun context, uitwisselbaar maken en kunnen uitdrukken in kapitaal, onderdeel maken van de global supply chain. Tsing merkt op dat we ons graag laten betoveren door dergelijke abstracties omdat ze zo elegant zijn – helder, aansprekend – en dat maar weinigen geneigd zijn zich af te vragen welke wereld er precies achter schuilgaat en of ons beeld daarvan een beetje klopt. Kijken we beter, dan zien we dat de verhalen over de gouden bergen van economische groei niet overeenkomen met de daadwerkelijk geleefde levens die daarachter schuilgaan – de meeste mensen gaan er immers niet op vooruit.

Tsing stelt een ander ritme voor, een salvage rhythm. Wanneer we ons op dat ritme afstemmen, ruilen we abstracte vooruitgang in voor concrete manieren waarop mensen proberen in hun levensonderhoud te voorzien. Zoals de matsutakeplukkers. Het is moeilijk om een gevoel te ontwikkelen voor wat Tsing daar precies mee bedoelt, wat volgens mij mede komt door de keuze om het Engelse ‘salvage’ als ‘winnen’ te vertalen. Hierbij gaat verloren dat er in de betekenis van ‘salvage’ ook besloten ligt dat er iets in veiligheid wordt gebracht, dat er iets gered wordt. Het ‘ritme van winnen’ zet mij als lezer op het verkeerde been, omdat het suggereert dat er niets verloren gaat – hier wordt alleen gewonnen. Bovendien is de connotatie met grondstoffendelving – denk win gebied, win gewest – ongelukkig, omdat die een instrumentele, abstraherende verhouding tot de omgeving suggereert. En is dat niet precies waar Tsing zich tegen verzet?

Hommage aan Minakata © Naoko Hiromoto

Dat wil overigens niet zeggen dat ik niet van de vertaling onder de indruk ben. Hoe zou je ‘salvage’ ook anders moeten vertalen? Redden? Bergen? Het is een weerbarstig, gelaagd boek waarin zich bij iedere herlezing weer iets nieuws opent, en dat geldt ook voor de Nederlandse editie. Mooi is ook de analogie tussen het onderhouden van een bos en het vertalen van een boek, die vertaler Janne Van Beek heeft opgenomen in haar ‘noot van de vertaler’. Ze legt uit dat ze Tsings genuanceerde interpretatie van het begrip ‘verstoring’, die het onmogelijk maakt de vraag of er sprake is van een verstoring met een simpel ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden – het is een kwestie van perspectief – als leidraad heeft genomen voor haar vertaalstijl. Van Beek: ‘Ik heb net zoals de beheerders van de Japanse satoyamabosgebieden, die in dit boek uitgebreid aan bod komen, gestreefd naar “een leefbaar hier-en-nu”: een balans tussen te veel en te weinig verstoring – geen woekerende wildernis, maar ook geen opzichzelfstaande, vervreemde houtplantage of geërodeerde berghelling.’

Het is precies dit besef van altijd tekortschieten, van het zoeken naar een passende verhouding tot de omgeving waarmee we verstrengeld zijn, dat het ritme van de vooruitgang, oftewel het kapitalisme, ontbeert. Volgens Tsing kan het kapitalisme het best begrepen worden als een vertaalmachine, die onophoudelijk levenswijzen omzet in kapitaal. Daarbij is het afhankelijk van een vorm van vervreemding, die zowel mensen als dieren en dingen uit hun omgeving losweekt en transformeert tot iets op zichzelf staands: verplaatsbaar bezit. Het maakt verstrengeling met de leefomgeving – ogenschijnlijk – overbodig. Tsing: ‘Het hout is gehakt; de olie is gewonnen; de grond is niet meer vruchtbaar. De zoektocht naar goederen zet zich elders voort. Simplificatie met vervreemding als doel creëert dus ruïnes, verlaten ruimtes waar ooit goederen geproduceerd werden.’

Terwijl ik Tsings boek lees, moet ik vaak denken aan de dichtbundel Shop Girl (2017) van Dominique de Groen. Ze werkte een tijd bij een fast-fashionketen en neemt je in haar gedichten mee de krochten van het kapitalisme in. Zoals in dit fragment uit Supply Chain Management:

De supply chain manager weet
dat de supply chain een machine is
die gevuld wordt met een grijze massa
waaraan arbeid wordt toegevoegd
en waar grijze valuta uitkomen.

De supply chain manager weet
dat je katoenplant
niet kan spellen zonder klant
en ook niet zonder $$$

De supply chain manager weet
dat in de efficiënte bevoorradingsketen
het begin het einde in zich draagt

Hoewel Tsing ook van de supply chain een genuanceerd beeld schetst – er zijn verschillende soorten, ze zijn niet allemaal slecht – resoneren De Groens gedichten wel treffend met het beeld dat ook Tsing van binnenuit van de kapitalistische ruïnes probeert te schetsen. We zijn erin opgenomen, we zijn ervan doordrongen.

Dit betekent overigens niet dat Tsing suggereert dat er geen ontsnappen is aan het kapitalisme omdat het een of ander ‘natuurlijk’ en onoverkomelijk proces is. Kapitalisme is bij Tsing nadrukkelijk afhankelijk van instituties en mechanismen die het in stand houden. En die zullen niet zonder slag of stoot opgeven. ‘Een leger van technici en managers staat daarom klaar om ongewenste onderdelen te verwijderen – en zij hebben de macht van justitie en het leger aan hun zijde’, zo merkt ze fijntjes op. Het is precies dit leger dat we steeds nadrukkelijk aan het werk zien, dat zich steeds gewelddadiger opstelt tegenover klimaatactivisten en -wetenschappers.

Terwijl ik afgelopen kerstvakantie Tsings boek las, zag ik ook Don’t Look Up. Er is al veel gezegd over deze film en het ligt niet voor de hand er aandacht aan te besteden in de bespreking van een boek dat ons uitnodigt om toch vooral om ons heen te kijken, en ons bovendien waarschuwt voor grootse en alomvattende verhalen. Al dat denken in termen van een wereld die eindigt met een knal ontneemt ons het zicht op het feit dat het einde van de wereld zoals we die kennen al lang gaande is, maar domweg nog niet door iedereen even duidelijk gevoeld wordt. Het suggereert bovendien dat het er op aankomt met vereende (technologische) krachten de wereld te redden, terwijl Tsing zich juist richt op het leren leven in de ruïnes. Maar toch. Het gaat me ook niet zozeer om de film zelf, maar om de reactie erop van klimaatwetenschappers. De een na de ander liet weten zich gehoord te voelen. Ze deelden filmpjes van mediaoptredens die ze zelf hadden gehad en hoe ze daarin, net als in de film, buitenspel werden gezet – dus jij bent in de auto hierheen gekomen? Dus jij stapt nog wel eens in een vliegtuig? Het bleek soms erger dan in de film. Ik zag twee van hen breken. In beide gevallen op het moment dat ze het over hun kinderen hadden en zich afvroegen of ze het voor hen goed genoeg doen, of hun kinderen straks nog te eten hebben.

Ook Tsing kreeg tranen in haar ogen toen ik haar afgelopen najaar interviewde tijdens het Brainwash-festival in Amsterdam en het over haar kleinkinderen ging. Het zijn tranen die niet om troost vragen, maar die iets in ons openen. Ze komen op het moment dat ons denken over het einde van de wereld (of preciezer: het einde van onze beschaving) opeens zijn abstractheid verliest en tastbaar wordt. En dáár gaat het Tsing om: een gevoel ontwikkelen voor concrete praktijken, concrete verstrengelingen, en daarbinnen te ontwikkelen wat zij de ‘kunst van het opmerken’ noemt. We moeten niet vooruitkijken, of naar boven, maar om ons heen.