Een stad-in-miniatuur

De Nederlandse Spoorwegen zijn bezig iets aan hun imago te doen. Zij gaan op het perron de kaartjes controleren ter bestrijding van de zakkenrollers onder ons. Er komt in de trein een speciale service die, via de intercom, zal laten weten waarom wij dit keer slechts een half uur vertraging hebben. Bovendien zijn de Nederlandse Spoorwegen van plan een aantal stations eens fris in de verf te steken.

Mag van mij allemaal.
Hoeft van mij niet.
Mijn favoriete spoorwegstations stammen uit het verleden. Het zijn die even foeilelijke als sfeervolle steenkolossen als Victoria Station of Munchen Hauptbahnhof, grandioze instituties waar ik moeiteloos uren kan rondhangen. Zij zijn een reisdoel op zich. Anders dan het merendeel der Nederlandse stations. Die zijn, van Tilburg tot Winschoten, even uniform als de winkelpromenades in Ede en Middelburg. Frikadel uit de muur. Uitsmijter ros in de stationsrestauratie. Een stationskiosk met een zo beroerd aanbod dat je je afvraagt waarvoor de boekdrukkunst eigenlijk is uitgevonden.
Elders in de wereld, in grote, serieuze landen met grote, serieuze steden, is het anders. Daar beschikt het betere station over een excellente boekhandel, zodat men zich al lettervretend tegen de aanstaande kilometers kan wapenen. Natuurlijk bevat het gebouw diverse uitstekend bevoorrade winkels in spijs en drank, want van kilometervreten kan een mens niet leven.
Een spoorwegstation is een stad-in-miniatuur, een stad die zich niet om sluitingstijden bekommert. Je kunt er alles krijgen wat je al reizende nodig denkt te hebben: batterijen voor de walkman, een blocnote voor je scherpzinnige invallen, je favoriete merk sigaren en de last minute-cadeautjes waar je, al confererend, recenserend of hoererend, weer eens niet aan bent toegekomen.
Het betere station stinkt naar reizigerszweet. In Munchen Hauptbahnhof ruik je dat de reiziger een interessant reisdoel heeft. Is het niet Wenen, dan is het wel Boedapest. Het Nederlandse station ruikt daarentegen voornamelijk naar kroketten. Allicht, de Nederlandse reiziger komt veelal niet verder dan Woerden of Grootebroek.
Stations, echte, multidisciplinair ingerichte stations, zijn in Nederland zeldzaam. In theorie komt Utrecht CS nog het meest in de buurt, omdat dit station toevallig met het winkelcentrum Hoog Catharijne is getrouwd. Met helaas de bijbehorende oren en ingewanden verschroeiende pokkemuziek, die elke minuut van het verblijf aldaar tot een ware marteling maakt.
Nee, het is de dood in de pot, zowel station Leeuwarden als station Emmen, zowel station Rotterdam als station Roermond. Vreemd dat een traditioneel in bereisde Roelen gespecialiseerde natie zo fantasieloos met de infrastructuur van het reisgenot omspringt. Ik heb beroepshalve overal een mening over of een verklaring voor, maar hier schiet mijn fantasie tekort.