Willem-Alexander in Indonesië

Een stap naar meer ruimhartigheid

Een pandemie en excuses van de koning: ze komen zelden tegelijkertijd voor. Toch zijn deze twee historische gebeurtenissen – weliswaar compleet van elkaar verschillend – inmiddels onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima tijdens een rondleiding door de wijk Connected Kampong. Op de tweede dag van het staatsbezoek aan Indonesie is het koningspaar in Yogjakarta. © ANP / Frank van Beek

Historische gebeurtenissen zoals pandemieën en excuses van koningen komen maar zelden voor, en al helemaal niet tegelijkertijd. Maar toch was dat wat er gebeurde vorige week in Indonesië, toen koning Willem-Alexander in Bogor excuses maakte aan de Indonesische president Jokowi voor het Nederlandse buitensporige geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in 1945–1949. De in het kielzog meereizende minister van Infrastructuur en Waterstaat Cora van Nieuwenhuizen zit inmiddels thuis in quarantaine na een ontmoeting met de met corona besmette Indonesische minister van Transport. De lading van de twee historische gebeurtenissen is weliswaar van een geheel andere orde, maar toch zijn ze inmiddels onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De bewuste ochtend na de excuses werd ik wakker met een bericht van de verslaggever van Nieuwsuur die het item voorafgaand aan het staatsbezoek van het koningspaar had gemaakt, met als kop: ‘Staatsbezoek moet in het teken van excuses staan.’ ‘Wow! Excuses!’ berichtte hij vanaf vakantieadres. ‘Ongelofelijk!’ schreef ik terug, ‘absoluut niet meer verwacht.’ Veel tijd om te lezen of erover na te denken had ik niet, ik moest met mijn jongste dochter naar het consultatiebureau. Terwijl ze met een ‘piratenbrilletje’ op haar neus de juiste letters op een bord opdreunde, belde de redactie van Nieuwsuur. ‘De koning heeft excuses gemaakt. Wat is uw reactie?’

Op de gang, waar een groepje kinderen luidruchtig met elkaar aan het stoeien was, probeerde ik mijn gedachten te ordenen. Mijn collega Roel Frakking en ik hadden een week ervoor een stuk voor De Groene Amsterdammer geschreven over de Nederlandse reflex om het koloniale verleden steeds maar te willen afhechten, waarmee echte erkenning voor de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd achterwege bleef. We vonden het een gemiste kans dat de koning niet op de vrijheidsviering van 17 augustus naar Indonesië ging en er ook geen excuses leken te komen. Waren deze excuses een nieuwe poging om het koloniale ongemak maar weer af te romen, of had de koning hiermee een belangrijk gebaar gemaakt?

Ik stuurde het bericht over de excuses aan Jeffry Pondaag, degene die de Nederlandse staat in 2011 op de knieën wist te krijgen met de rechtszaak over Rawagede. Hij heeft dit dossier destijds opengebroken, daarin gevolgd door een klein groepje zelfstandige onderzoekers. ‘Moet ik daar blij mee zijn?’ reageerde hij. De excuses zijn te laat, de Indonesische onafhankelijkheidsdatum van 17 augustus 1945 is er nog steeds niet mee erkend en de nog vele lopende rechtszaken vanuit Indonesië zijn er niet mee opgelost.

De in Nederlands-Indië geboren Joty Ter Kulve–Van Os (1927), een van de oprichters van de Indonesia Nederland Society, belde juist verheugd op. Ze was geëmotioneerd door de woorden van de koning. ‘Dit is zo’n belangrijke stap naar de toekomst’, riep ze uit.

Ondertussen stuurde de Balinese journaliste Ni Ketut Sudiani, die mij assisteert bij mijn onderzoek op Bali, een zonovergoten foto van koning Willem-Alexander en koningin Maxima, die samen met de Indonesische president Jokowi en zijn vrouw op een trap poseren. ‘Look at this’, appte ze. ‘Yes, it’s amazing!’ antwoordde ik. ‘The king made an apology!’

Het bleef even stil. Want waar had Nederland nou precies excuses voor gemaakt? De meeste Indonesiërs, ook journalisten, begrepen niet meteen waar de excuses nu over gingen. Ook viel het haar op dat er door collega’s geen reactie werd gevraagd aan Megawati, de dochter van Sukarno. Op mijn uitleg, dat het afgebakende excuses waren, zowel qua tijdsperiode als qua aanduiding van het geweld – buitensporig is in historische kring vervangen door structureel – antwoordde ze: ‘Ja, voor de acties na de onafhankelijkheidsverklaring dus, niet voor de koloniale tijd.’

Voor Sudiani impliceert het, ‘dat de Nederlanders denken dat ze voor die onafhankelijkheidsverklaring het récht hadden op het koloniseren van Indonesië’. Want wat betekent het dat hij geen excuses maakte voor driehonderdvijftig jaar kolonisatie? Ik moest haar het antwoord schuldig blijven. En hoe komt dit nieuws aan bij Nederlandse veteranen die hier gevochten hebben? Daar was ze erg benieuwd naar.

Een halfuur later stond Nieuwsuur al op de stoep. In het item dat er voor die avond van werd gemaakt stond de reactie van een Nederlandse KNIL-veteraan centraal, de heer John Bruininga. Hij vond de excuses van de koning ‘een steek in de rug van onze Indische Nederlanders, Nederlanders en Molukkers’. Hij zei met tranen in zijn ogen dat hij de rood-wit-blauwe vlag had verdedigd, en alles verloren had wat hij liefhad. ‘Wij zijn vechters die voor jou opgekomen zijn in het koloniaal Nederlands-Indië om alleen maar datgene terug te brengen dat jij graag wilde. En is dit de dank, dat de koning als een kleine jongen excuses aanbiedt?’ Zijn medailles smeet hij emotioneel op de grond.

Bruininga benoemde eigenlijk hetzelfde probleem als Sudiani had gedaan. Het behoud van Nederlands-Indië, het vermeende Nederlandse ‘recht’ op een kolonie – hoe verhield dat vraagstuk zich tot deze excuses?

Ni Made Frischa Aswarini, historica en publiciste die mij eveneens ondersteunt met onderzoek op Bali, was diep onder de indruk van de reactie van Bruininga en vond zijn emoties zeer begrijpelijk. ‘De Nederlandse regering zou ook een excuus moeten maken aan de Nederlandse veteranen’, zei ze. ‘De regering moet erkennen dat ze fout zat om hen die oorlog in te sturen, een oorlog die de regering zelf nooit hadden moeten beginnen.’ Frischa hoopt op verzoening, niet zozeer tussen Nederland en Indonesië, maar tussen Nederlanders onderling. Want de verdeeldheid over het verleden leek haar hier een stuk groter.

Een dag later kreeg ik een bericht van Rob Sweebe, de zoon van een inmiddels overleden KNIL-veteraan die ik meermaals heb geïnterviewd over zijn optreden op Bali. Zijn vader had zware ontberingen ondergaan bij de aanleg van de Birma-spoorweg tijdens de Japanse bezetting en werd in 1945 naar Bali gestuurd. Zijn moeder was als jong meisje voor de ‘Bersiap’ van Java naar Bali gevlucht. Rob was op het eiland geboren en later zelf marinier geweest. Van Rob leerde ik over wat hij ‘de slavencultuur’ van Nederlands-Indië noemt. ‘Mijn zus Alice en ik waren geschokt door de woorden van de koning in Indonesië en de woorden van John Bruininga’, zei hij. ‘Bruininga drukt met weinig woorden en met zijn emotionele reactie precies op de angels in onze Indische ziel.’ De Indonesiërs hadden ook na de Bersiap nog enorm gemoord onder de Chinese bevolking, schreef Rob. Zijn Indo-Chinese neef met zijn gezin in Jakarta moest vluchten in de jaren zestig en leeft nog steeds in diepe armoede.

Ik was dan wel historicus en geen antropoloog, maar mijn commentaar in de uitzending, waarin ik had gezegd dat de excuses van een staatshoofd een belangrijke stap vooruit kon zijn, was ‘onvoldoende!’ voor hem en zijn zus. Waar bleef de verzoening van de Indonesische kant?

Ik vertelde hem dat er ook Indonesiërs zijn, zoals Frischa op Bali, die begrip hebben voor de emoties van Bruininga, ook al stond hij in haar ogen aan de verkeerde kant van de geschiedenis. ‘Ik zit momenteel te janken als een kind’, schreef Rob terug. ‘Wat blijft deze tragiek toch diep hangen, bij alle vluchtelingen in de wereld.’ Volgens de huidige moraal waren de Indo’s fout geweest, schreef hij, ze maakten onderdeel uit van de apartheid van de koloniale maatschappij. Dat was toen zo. ‘Maar nu verder, naar een betere en wijzere toekomst.’

Een dag later schreef Sudiani dat ze in Indonesië veel drukker waren geweest met het coronavirus dan met de excuses van de Nederlandse koning. Maar de onverwachte excuses hadden wel betekenis voor haar. Op het hoogste diplomatieke niveau was deze beslissing gemaakt en uitgevoerd, schreef ze. Het heeft in Nederland voor verdeeldheid gezorgd. ‘Maar de beslissing van de koning – waarvan ik geloof dat hij die met veel zorg en zeer weloverwogen heeft genomen – laat zien dat zijn generatie meer open staat voor mogelijkheden, voor andere perspectieven op de geschiedschrijving. Het tonen van menselijkheid is het belangrijkst, ondanks alle kritiek die er op de excuses te geven valt.’

Ze hoopt dat Nederland uiteindelijk ook de onafhankelijkheidsdatum van 17 augustus 1945 zal erkennen en er eveneens een excuus komt voor het koloniale verleden. De excuses van de koning kunnen als een voorbeeld dienen voor andere landen, schreef ze, maar ook voor Indonesië zelf. ‘De Indonesische overheid heeft tot de dag van vandaag geen excuses gemaakt voor de tragedie van 1965 en andere schendingen van mensenrechten.’

De excuses van de koning, te midden van de om zich heen grijpende coronapandemie, zullen in Nederland waarschijnlijk nog tot vele beschouwingen leiden. Er wordt inmiddels druk gespeculeerd in de media en de politiek in hoeverre de koning zelf heeft aangestuurd op de excuses. Volgens de laatste berichtgeving waren alleen premier Mark Rutte en de minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok ervan op de hoogte. Er valt wat aan te merken op de excuses, niet in de laatste plaats omdat het door de verwijzing naar buitensporig geweld net lijkt alsof alleen de militairen en niet de politiek verantwoordelijk waren. Maar het is aannemelijk dat zolang het officiële regeringsstandpunt uit 1969 inzake het verleden in Indonesië niet is gewijzigd, de boodschap van de koning binnen die smalle bandbreedte vermoedelijk wel het meest verstrekkend is geweest.

Alle politieke ingrediënten waren aanwezig om geen excuses te maken, maar de koning sprak ze met alle mankementen van dien toch uit, ‘in het volle besef dat de pijn en het verdriet van de getroffen families generaties lang voelbaar blijven’.

In het licht van een recent onderzoek door een Brits onderzoeksbureau dat stelde dat de helft van de Nederlanders nog steeds trots is op het koloniale verleden – in Engeland en Frankrijk ligt dat aantal met respectievelijk 32 en 26 procent beduidend lager – denk ik dat de koning op de eerste plaats Nederland zelf een grote dienst heeft bewezen met deze belangrijke – en hopelijk niet de laatste – stap naar meer ruimhartigheid, erkenning en dialoog inzake het koloniale verleden.


Anne-Lot Hoek is zelfstandig onderzoeker en schrijft een proefschrift/boek (UvA/De Bezige Bij) over verzet tegen Nederlandse overheersing op Bali. Zij is betrokken bij het onderzoek ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’.