‘Een sterke maag en een sterke geest’

Jacq Vogelaar wordt deze week vijftig jaar. Een portret opgebouwd uit gesprekken.

Medium jacques vogelaar 01

Het is natuurlijk een riskante onderneming een beeld te schetsen van iemand die altijd heeft geweigerd wat dan ook in een beeld vast te leggen, die zich altijd tegen de vaste vormen en verstarring heeft verzet. Een voorlopig, toevallig en veelstemmig portret van de schrijver die dertig jaar geleden debuteerde met de dichtbundel Parterre, en van glas en de verhalenbundel De komende en gaande man.

SJEF VAN DE WIEL, directeur van de Sun (Socialistische Uitgeverij Nijmegen): ‘Tijdens zijn studie in Nijmegen legde Vogelaar zich al op het schrijven toe. Hij publiceerde in het NUB, het Nijmeegs Universiteitsblad, dat toen onder aanvoering stond van Pe Hawinkels en een grote naam had. Het was begin jaren zestig, er was sprake van een vacuum na het wegvallen van het katholicisme als autoriteit.
Vogelaar vertrok in 1965 naar Amsterdam, waar hij zich aansloot bij de Kritische Universiteit. Er waren Kritische-Universiteitsbewegingen in Nijmegen en Amsterdam, ze vormden een soort tegen-universiteit. De betrokken studenten formuleerden kritiek op de bestaande universiteit die zich, in hun ogen, plooide naar het establishment.

In die tijd werd ook de Sun opgericht. Vogelaar zat in de redactieraad en vertegenwoordigde de cultuursectie. Op een gegeven moment, ik geloof in 1971, werd Vogelaar bij de redactie van Te Elfder Ure gevraagd, een voormalig progressief katholiek blad dat in de jaren zestig was geradicaliseerd. Toen al was hij, net als ik, marxistisch geinspireerd, maar beslist geen communist. Zijn intellectuele programma was avantgarde-theorieen te verbinden met het marxisme.
In diezelfde tijd stelde hij Kunst als kritiek samen, een boek met teksten van Adorno, Benjamin, Lukacs, Brecht. In zijn inleiding stelt hij dat de intellectueel een criticus is, niet degene die positieve waarden formuleert. Hij is altijd een tegenstander geweest van cliches als “Communisten zijn betere mensen”. Heeft zich altijd gekeerd tegen het arbeiderisme, de verheerlijking van de arbeider.

Vogelaar werd het boegbeeld van de progressieve intellectuelen die zich tegen de radikalinski’s verzetten. Of de discussie nu ging over geengageerd toneel, muziek of literatuur, hij moest altijd komen opdraven. En dat deed hij dan ook: in zijn oude Renault heeft hij waanzinnige afstanden afgelegd.

HENK HOEKS, redacteur van de Sun: 'Het eerste boek van Vogelaar dat bij de Sun verscheen, was Konfrontaties in 1974. Hij presenteert daarin de intellectueel als ideologiecriticus. In de kritieken die in het boek staan, onderzoekt hij hoe literatuur werkt, hoe literatuur onderdeel is van ideologie. Het idee van de partijdigheid, zoals dat toen heette, stelde hij ter discussie. In het boek neemt hij een confronterende houding aan. Hij schrijft: “Ik ben een horzel op de nek van de burgerlijke cultuur.”
Zijn tweede boek met kritieken en essays heette Orientaties. Uit de titel blijkt al dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden. Hij stelt literatuur niet langer zonder meer gelijk met ideologie - dat had hij met Konfrontaties te gemakkelijk gedaan, wat ook paste in het moment van de tijd en de strijd.

Tot in de jaren zeventig had Vogelaar politieke pretenties: hij wilde een machtsfactor vormen in het culturele veld. Later werd hij daar veel bescheidener in. In Orientaties is de politieke dimensie meer verinnerlijkt en gaat hij niet de confrontatie aan, maar wijst hij op andere vormen van literatuur. Hij blijft echter iemand die de scheiding tussen literatuur, theorie en maatschappelijke betrokkenheid overbrugt. In die zin is hij een achttiende-eeuwer.

Het is ongelooflijk hoeveel denkers en schrijvers hij in Nederland heeft geintroduceerd. Bij de Sun verzorgde hij uitgaven van Hanns Eisler, over muziek en politiek - ja, alles heette in die tijd “… en politiek” - Brecht, Benjamin, Levi Strauss, Heiner Kipphardt. Vaak vertaalde hij de teksten ook nog zelf. Hij haalde ook dat beroemde boek Materialistiese literatuurteorie, de gemeenschappelijke universitaire scriptie van Anthony Mertens, Cyrille Offermans, Yves van Kempen en Frits Prior, binnen. Wat viel Nederland daar vreselijk over! De progressieve spelling was al voldoende om mensen volkomen buiten zichzelf van razernij te krijgen.

Het knappe van Vogelaar is dat hij ondanks alle verguizing en de botte behandeling in de jaren zeventig gewoon is doorgegaan. Iemand van zijn formaat had een criticus moeten hebben die de weg voor hem baande. Hij heeft het zelf moeten doen. Hij heeft de voorwaarden van zijn eigen receptie geschapen en hij heeft dat zo consequent gedaan dat het in zijn voordeel is omgeslagen. Nu krijgt hij literaire erkenning, is hij min of meer herontdekt.

MICHEL VAN NIEUWSTADT, oud-medewerker van de Sun: 'Voor mij heeft Vogelaar te maken met de gebeurtenissen in 1968, ook in z'n schrijven. Het type intellectueel dat hij vertegenwoordigt, alhoewel hij misschien geen type is. De mentaliteit van 1968 is het verzet tegen definities, tegen tradities, tegen de manier waarop alles vast lag. Het “De verhoudingen aan het dansen brengen” zoals Marx zei. Vogelaar doet dat: hij schrijft tegen de stroom in, schrijft terug.

In 1969 hadden we korte tijd het plan om samen een tijdschrift op te richten, geinspireerd door de geest van Adorno. Adorno verzet zich op een zelfde manier tegen definities. Wat hij onder “dialectiek” verstond, omschreef hij niet: dat moest maar blijken. Hij omcirkelde het begrip op alle mogelijke manieren. Overigens heeft Vogelaar ooit Adorno opgezocht, dat moet vlak voor diens dood zijn geweest. Vogelaar had toen nog een baard. Tijdens dat bezoek vroeg Adorno hem: Waarom heb je een baard?

In zijn verandering van koers is hij een soort prototype voor zijn generatie. Het gaat om een wending die schijnbaar een depolitisering is. In zijn geval is die depolitisering in de kern heel politiek. Onlangs hield hij hier in Nijmegen de Kellendonk-lezing, die ging over het dubbelzinnige karakter van engagement. Aan de hand van Joegoslavische schrijvers liet Vogelaar zien dat het soms veel geengageerder kan zijn om niets te doen, dat het indrukwekkender kan zijn om geen standpunt in te nemen.’

H. C. TEN BERGE: 'Vogelaar is pas vrij laat aan Raster gaan meewerken, in de tweede helft van 1970. Hij schreef een tweetal stukken op theoretisch gebied, onder andere “Woekering als betekenis” over materialistische literatuurtheorie. Nu doet zich het merkwaardige feit voor dat in overzichten van de vroege Raster Vogelaar wel als gezichtsbepalend wordt gezien. Dat zegt iets over de indruk die zijn stukken hebben gemaakt. Ik was het niet met zijn stellingname eens, maar vond het belangrijk dat er over de marxistische theorievorming en de Frankfurter Schule werd verteld. Ach, natuurlijk werd het hele tijdschrift na die stukken als marxistisch bestempeld.

Vogelaar was altijd zeer uitgesproken als auteur. Dat was hij al in Vijand gevraagd, z'n tweede roman uit 1967. In het nawoord daarvan doet hij de oproep het boek te stelen. Ik denk dat hij dat ook deed om de boel op stang te jagen. Met Vijand gevraagd stelde hij al zware eisen aan de lezer. Het kostte mij moeite - sympathiserende moeite, dat wel - het boek te lezen. Veel schrijvers zochten toen, anders dan nu, naar nieuwe vormen. En het experiment werd geaccepteerd.

De pers had dan ook bijzondere aandacht voor de boeken van Vogelaar, pas in de jaren zeventig was er sprake van een omslag en werd hij met dedain en persoonlijke minachting behandeld. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met de andere mentaliteit van de nieuwe generatie van destijds. De agressie die hem ten deel is gevallen, is juist zo onterecht omdat je het zo goed met hem oneens kunt zijn: hij is altijd redelijk in het debat. Maar het debat was onmogelijk, want hij werd voornamelijk onder de gordel aangevallen. Degenen met ideeen kregen weerstand op zeer laag niveau, wat alleen maar pijnlijk duidelijk maakte dat de tegenstander zelf geen ideeen had.

Vogelaars houding ten aanzien van de taal is die van een veelvraat. Hij verzamelde vuilnishopen en stortplaatsen van taal. Die opeenhopingen van taal omvatten zowel rommel, triviale tijdschriftjes, als hoogstaande literatuur. Hij consumeerde werkelijk alles, en dat ging door zijn verteringsorgaan heen om er als curieus proza uit te komen. Hij was bewust anti-esthetisch. Hoewel ik zelf een veel esthetischer inslag heb, heb ik wel altijd het knappe ervan ingezien en het scherpe intellect erachter bewonderd.

Op theoretische gronden was hij voor destructie van de vaste vormen. Het marxistische principe van afbraak en opbouw. In Kaleidiafragmenten uit 1970 heeft hij de romanvorm zo vernietigd dat hij op een nulpunt uitkwam. Hij heeft daarna lang geen proza geschreven, hij moest het proza opnieuw beschouwen, hij kon niet verder vernietigen. Raadsels van het rund en Alle vlees zijn een worsteling met het radicale experiment. In de jaren tachtig ten slotte wordt hij het materiaal meester: hij kan echt alles doen en laten in taal wat hij wil. Daarvoor is hij door veel ongeploegde akkers heengegaan.

De heroprichting van Raster in 1977 is terloops gegaan. Als ik het me goed herinner heeft Vogelaar mij gepolst en heb ik daarna Pieter de Meijer en Bernlef gevraagd. Vogelaar had duidelijk behoefte aan een tijdschrift, aan iets waar je je thuisvoelt te midden van de kaalslag. Bovendien moest hij heel veel materiaal kwijt. Ik was verbijsterd over zijn belezenheid. Raster is, meer dan welk ander tijdschrift ook, veranderd, net zoals Vogelaar als auteur zich ontwikkeld heeft. Het is een ontwikkeling die goeddeels parallel loopt. Ik zie het als een positieve ontwikkeling, het levert een literatuur op die voor veel meer lezers toegankelijk is.’

J. BERNLEF: 'Zijn eerste boeken waren heel andere boeken dan die ik zelf maakte. Wat me erin interesseerde is dat hij probeerde nieuwe manieren van vertellen aan bod te laten komen. Vandaar dat ik die boeken steeds recenseerde. Veel Nederlandse literatuur vertelt, tot op de dag van vandaag, braaf verhaaltjes, met psychologische achtergronden. Vogelaar sloot aan bij de Franse nouveau roman, bij het op een schijnbaar objectieve manier tegen de werkelijkheid aankijken. Hij stelde het materiaal zelf ter discussie, hanteerde nooit op een vanzelfsprekende wijze de taal. Hij “problematiseerde” het schrijven zelf, zoals dat deftig heette.

Het hele leven van Vogelaar bestond uit het wanhopig terugvechten tegen alle sjablonen die op hem waren gelegd. Was-ie weer marxist. Ik heb dat altijd als uitingen van intellectuele luiheid gezien. Wat ons scheidde, was dat hij heel erg vanuit de literaire theorie werkte. Het is ook een kwestie van verschillende persoonlijkheden. Ik ben best bereid achteraf een mooie theorie te ontwerpen, maar ik kan niet van daaruit mijn werk concipieren. Kaleidiafragmenten is een heel extreem voorbeeld van het in praktijk brengen van theorie. Ik vind het daardoor wat bloedeloos. Hij heeft zelf ook afstand van die schrijfwijze gedaan.

Toen ik bij de heroprichting in de redactie van Raster kwam, reageerde men daarop alsof ik van katholiek protestant was geworden. Ik vond het interessant om mee te werken aan een blad dat minder voor de hand liggende vormen van literatuur centraal stelde. Daar heb ik Vogelaar pas echt leren kennen en dan merk je wat men op grond van leuterpraat en kleinsteedse mythologie allemaal over hem beweert. Hij is juist een zeer genuanceerd denkend iemand. Al die heisa rond de marxistische literatuurkritiek. Ik denk dat je literatuur niet kunt verklaren uit louter de maatschappelijke verhoudingen; natuurlijk doet de persoon van de auteur ertoe. Maar omgekeerd kun je de schrijver niet losweken van de maatschappij, zoals in de personalistische kritiek gebeurde. Het heeft tien jaar geduurd voordat beide kanten naar elkaar toe kwamen.
Vogelaar heeft het heftigste experiment achter zich gelaten. Op een gegeven moment zijn de conventies ook afgebroken en moet met de brokstukken iets nieuws worden gedaan. Zelfs als je vrij conventionele literatuur bekijkt vind je veel avantgarde-vormen terug.

De verworvenheden sijpelen door. De dood als meisje van acht is geen conventioneel boek, absoluut niet. Maar het is wel een poging het experiment van vroeger en de literaire traditie op elkaar af te stemmen. De rigide scheiding tussen verstand en gevoel, die in zijn vroegere werk meer aanwezig was, is overboord gegooid. Het is meer een eenheid geworden. Nu ja, soms moet je een lange weg afleggen om te komen waar je nu bent. Het lijkt tijdverlies, maar dat is het niet.’

CYRILLE OFFERMANS: 'Na de heroprichting van Raster werd ik al snel medewerker. Daar heb ik Vogelaar pas echt leren kennen. Hij was heel stimulerend, dat is hij altijd gebleven. Ik ken niemand die zo gruwelijk veel gelezen heeft als hij. En hij liet dat ook merken: hij is een onvermoeibaar propagandist voor allerlei soorten literatuur. Bij Raster kan niemand in de redactie een auteur noemen of Vogelaar kent hem, hoe obscuur hij ook is. Zoals je het spreekwoord hebt “praten als Brugman” ontstaat er vast nog een keer de zegswijze “lezen als Vogelaar”. Zijn belezenheid is werkelijk spreekwoordelijk.

Toen ik Vogelaar nader leerde kennen was Raadsels van het rund een a twee jaar uit. Na Alle vlees stond zijn creatieve werk op een lager pitje. Niet voor niets heette zijn bundeling kritieken en commentaren Orientaties. Eerst was het met Konfrontaties van dik hout zaagt men planken, uit Orientaties spreekt een meer zoekende houding. Ik denk dat hij ook wat zijn proza betreft zoekende was. Het kinderboek, Het geheim van de bolhoeden, dat hij in 1986 publiceerde is in die zin belangrijk dat hij daarin directer een verhaal durfde te vertellen. Het is belangrijk geweest om schrijfwijzen te ontwikkelen die opener zijn. Dat blijkt ook wel, want Verdwijningen, dat acht jaar na Alle vlees verscheen, is syntactisch heel normaal. Het boek is een omslag na het hevige experiment, maar de thema’s uit z'n vroegere boeken zitten er allemaal in. Vogelaar is altijd een schrijver geweest die zijn heil gezocht heeft in de duisternis, hij heeft op een radicale manier de nachtzijde van de literatuur opgezocht.

Met De dood als meisje van acht heeft hij een heel grote stap gezet. Het is gewoon een roman met begin, midden en eind, en figuren die zich ontwikkelen. Ik vind het de meest heilzame stap die Vogelaar heeft gezet. Ik behoor niet tot de mensen die zijn vroege werk maar niks vinden, maar De dood vind ik zijn beste boek. Ik heb zo'n vermoeden dat Raadsels van het rund en Alle vlees op lange termijn curiositeiten en extremiteiten zullen blijken die niet meer gelezen worden. Het idee dat lezen met inspanning gepaard moet gaan, is ook gedateerd. Niet dat ik voor makkelijk leesbare literatuur wil pleiten, maar ik heb geen geduld meer voor dingen die ik niet begrijp. Het werk van Vogelaar is veel toegankelijker geworden, ook de aangename kanten van het lezen komen aan bod. Het is niet meer alleen verzet, er is ook plaats voor de ontroering.’

CHRIS KEULEMANS: 'Ik kwam op het spoor van Vogelaar toen ik Nederlands studeerde in 1979. Zijn werk strookte met de literatuuropvatting die ik intuitief had - op lees- of schrijfervaring was die nog niet gebaseerd. Ik dacht dat verhalen gefragmenteerd verteld moesten worden, dat personages niet van vlees en bloed waren en dus niet inleefbaar moesten zijn, dat romans er waren om de vertelling te ontregelen. Ik begreep dat Vogelaar iemand was door wie ik heen moest gaan. zoals je door Beckett heen gaat. Het zijn schrijvers die je doorwerkt en doorleefd moet hebben voor je zelf kunt beginnen. Ik las hinkstapspringend Raadsels van het rund, Alle vlees, Kaleidiafragmenten. Wat ik miste was de lyriek. Die is in zijn meer recente proza wel aanwezig en dat is me dan ook heel dierbaar.

Toen ik in Antwerpen de eerste etalage van De Verloren Tijd, de kleine boekhandel die ik had opgezet, inrichtte, legde ik het vuistdikke en knalrode Raadsels van het rund alleen op een plank met een bordje daarbij: “Wie durft?” Een half uur later werd het aangeschaft door een kolos met een brilletje. Toen de Verloren Tijd/Perdu naar Amsterdam verhuisde, wilde ik daar een plek van maken waar op zo'n niveau en zo grensverleggend over literatuur werd gesproken dat het verantwoord was om Vogelaar uit te nodigen. De eerste stap was een lezing van Anthony Mertens in de serie “Tegendraads lezen”. Hij sprak een hele avond over een onderdeel van de inhoudsopgave van Raadsels. Vogelaar trad zelf pas op toen Perdu van de Gerard Doustraat naar de Kerkstraat was verhuisd. Hij werd over Terugschrijven geinterviewd door Henk Propper en Mark Burggraaf. Ik heb toen inderdaad gezegd dat Perdu ooit was opgericht om Jacq Vogelaar te ontvangen en dat, nu dat gebeurd was, Perdu kon sluiten. Dat meende ik.

Later heb ik nog bij Perdu in een zogenaamd atelier met onder meer Annelies Passchier en Wim Nootenboom onder zijn leiding Beckett gelezen. Het was heel mooi om mee te maken hoe hij van jongs af voortdurend een strijd levert met Beckett. Hoe verder Vogelaar komt, hoe trotser hij weigert om dingen als vanzelfsprekend te zien. Dat geldt ook voor zijn schrijversschap: het is nog net zulk diep drijfzand als vroeger. Hij is nooit in staat fundamenten te vestigen, moet steeds weer kappen. Daarom komt hij ook steeds terug op Beckett, is zijn lectuur van hem nooit afgerond. Vogelaar las dingen die hij zelf ooit vertaald had voor de zoveelste keer. En het fascinerende was dat hij ze voorlas alsof hij ze voor de twintigduizendste keer voor het eerst las.’

HENK PROPPER: 'Vogelaar heeft voor mij een heel veld van literatuur geopend. Veel literatuur waar hij zich bij thuis voelt, is ook voor mij belangrijk. In zijn laatste boek, Striptease van een ui, schrijft hij over Faulkner. Ik had nooit gedacht dat Vogelaar Faulkner belangrijk zou vinden. Faulkner is een lichamelijk schrijver, hij toont mensen in de opperste staat van geweld, lust en hysterie. De hysterie van de seksualiteit: het totaal niet kunnen beheersen van gevoelens. Het zegt iets over Vogelaars openheid: hij staat open voor zeer veel vormen van literatuur.
De vooringenomenheid tegenover zijn werk heeft mij altijd geirriteerd. Als er iemand is die daartegen pleit is hij het wel: elk essay van hem gaat over de vraag hoe je afstand kunt bewaren tot je onderwerp. “Schrijven is een poging tot afstand om de andere toestand van de werkelijkheid dichterbij te brengen”, schrijft hij ergens en dat is typerend voor hem. Je ziet het ook in zijn stijl: hij maakt lange zinnen, maar het zijn nooit volzinnen, ze drukken geen totaal uit. Het zijn geen affe zinnen waar geen speld tussen te krijgen is. Ik noemde Raster ooit een sterke maag en een sterke geest. Die typering gaat het meest op voor hem. Hij heeft zo ontzettend veel teksten aangedragen. Het is een eeuwige lust om dat steeds maar weer te doen, vaak ook tegen de stroom in.’