De participatie van allochtonen in de politiek

Een stille revolutie, die dreigt te gaan haperen

Bijna geruisloos is het aantal politici met een allochtone achtergrond gestegen. Opmerkelijk, gezien het verhitte integratiedebat. Toch dreigt er iets mis te gaan.

BIJ HET ZOVEELSTE telefoontje wordt het eentonig. Nee, zegt dan de woordvoerder van de politieke partij, wij registreren onze leden niet naar land van herkomst. De vraag was of ze aan de hand van hun ledenlijst kunnen aangeven hoe het staat met de politieke integratie van migranten in hun partij.
Het principe achter het niet registreren is te prijzen. Het doet er niet toe of een lid van de partij of een van zijn ouders oorspronkelijk uit Marokko, Nederland, Turkije, Somalië of waar dan ook komt. Zo wordt bij het CDA ook niet meer genoteerd of iemand van katholieke of protestantse huize is. Maar dat wil niet zeggen dat die achtergrond er bij de politieke partijen nooit toe doet. Bij het samenstellen van kandidatenlijsten vinden de meeste partijen het wél belangrijk dat dit evenredig en evenwichtig gebeurt, zodat iedereen zich vertegenwoordigd weet.
Zo vindt de SP dat migranten in de partij ondervertegenwoordigd zijn en heeft afgesproken daar actief iets aan te gaan doen, maar dan op lokaal niveau door daar de relaties met migrantenorganisaties te verbeteren. De christen-democraten op hun beurt kennen de werkgroep CDA Kleurrijk, met daarin onder anderen voormalig premier Ruud Lubbers. De werkgroep besteedt aandacht aan de vraag hoe het CDA ook voor migranten aantrekkelijk kan zijn. ‘Maar’, voegt de partijwoordvoerder daar aan toe, 'we benaderen mensen niet actief. Het lidmaatschap van het CDA moet echt de keuze van de persoon zelf zijn.’
Voor de politieke participatie van minderheden in de Nederlandse politiek blijkt een aantal historische momenten te zijn aan te wijzen. Zo mochten in 1985 migranten voor het eerst gaan stemmen én zich verkiesbaar stellen bij lokale verkiezingen. Negen jaar later, in 1994, kwamen voor het eerst zeven Nederlanders met een allochtone achtergrond tegelijkertijd de Tweede Kamer binnen. Tot dan toe was dat er jarenlang slechts één geweest. En in 2007 beëdigde de koningin voor het eerst twee staatssecretarissen, die in het jargon van minister Eberhard van der Laan van Integratie 'Nieuwe Nederlander’ genoemd zouden worden.
Laure Michon werkt bij het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) aan de Universiteit van Amsterdam en hoopt daar dit jaar te promoveren op de politieke integratie van migranten. Van haar zijn bovenstaande cijfers en data.
Met het oog op de komende gemeenteraadsverkiezingen wijst Michon op de gestage toename van het aantal raadsleden in Nederland dat een allochtone achtergrond heeft. In 1994 waren dat er 73, hetgeen vervolgens in de drie daarop volgende verkiezingen opliep tot in totaal 302. Landelijk gezien is daarmee drie procent van de raadsleden van allochtone afkomst. Tussen de gemeenten bestaan echter grote verschillen. In steden als Amsterdam en Rotterdam heeft zo'n twintig procent van de raadsleden en deelraadsleden een migrantenachtergrond, terwijl in met name plattelandsgemeenten de kans groot is dat geen enkel raadslid in het buitenland is geboren of een ouder heeft met een buitenlandse geboorteplaats.
Over die raadsleden van allochtone afkomst zijn een paar bijzonderheden op te merken. Iets meer dan de helft van hen heeft een Turkse achtergrond. Van het totale aantal allochtone raadsleden zijn er tachtig lid van de PVDA, waarmee de sociaal-democraten het grootste aantal allochtone raadsleden tellen. Het percentage vrouwen onder het totale aantal is hoger dan het gemiddelde percentage vrouwelijke raadsleden in Nederlandse gemeenten.
Michon vindt het opmerkelijk dat het proces van politieke integratie lange tijd betrekkelijk geruisloos verliep, des te opmerkelijker gezien het verhitte debat over immigratie en integratie sinds het begin van deze eeuw. Dat laatste debat mag vaak hard zijn, over het meedoen in de politiek was niet of nauwelijks discussie. Michon noemt het zelfs een stille revolutie. De affaires die er wel eens waren, bleken altijd persoonlijke affaires te zijn, zoals destijds bij het GroenLinks-Kamerlid Tara Singh Varma, die een ongeneeslijke ziekte veinsde. Het ging bij dergelijke affaires nooit over de allochtone achtergrond. Aan die stilte kwam een eind toen Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid het dubbele paspoort van de twee PVDA-staatssecretarissen Nebahat Albayrak en Ahmed Aboutaleb aan de orde stelde. Voor die aanval kreeg Wilders echter geen enkele steun in de Tweede Kamer.
Amsterdam zal bij de komende raadsverkiezingen van 3 maart niet bijdragen aan de gestage, landelijke groei van het aantal allochtone raadsleden, zo heeft Michon onderzocht. In de gemeenteraad daalt volgens haar het aantal van negen tot zes raadsleden, misschien zelfs vijf. Michon maakt die inschatting op basis van de kandidatenlijsten in combinatie met de peilingen.
Wat ze echter nog opmerkelijker vindt, is dat van die zes of vijf het merendeel nieuwkomer is: 'Politiek talent wordt niet vastgehouden.’ Ze erkent dat er een trend is van politieke verjongingsdrift, ook voor autochtone politici. 'Maar politieke carrières van allochtone politici zijn inmiddels korter dan die van autochtone. Dat was begin jaren negentig veel minder het geval.’
Ook is het volgens haar niet zo dat de allochtone raadsleden zelf aangeven te willen stoppen: 'Uit onderzoek van het instituut voor multiculturele vraagstukken Forum blijkt dat driekwart van de allochtone raadsleden dóór wil, maar dat slechts zo'n twintig procent van hen op een verkiesbare plaats staat.’ Volgens haar verdwijnen de allochtone raadsleden bijna even geruisloos als ze gekomen zijn.
Het allochtone raadslid of de allochtone parlementariër mag dan bijzonder zijn vanwege zijn buitenlandse achtergrond, andere persoonlijke kenmerken, zoals de hoge opleidingsgraad, doen hem sterk lijken op zijn autochtone collega. De politieke elite blijft zo redelijk homogeen. Volgens Michon is door de komst van allochtone politici de manier van politiek bedrijven in Nederland niet wezenlijk veranderd. Ook op inhoudelijke punten hebben ze niet hun invloed doen gelden om bijvoorbeeld het restrictievere toelatingsbeleid voor buitenlanders te voorkomen of de harde toon in het islamdebat aan de orde te stellen. Er is Michon nog iets opgevallen. Van de autochtone Tweede-Kamerleden had 55 procent al in andere politieke functies ervaring opgedaan, terwijl dat maar voor twintig procent van de allochtone Kamerleden geldt. Volgens haar dreigt er zo een vicieuze cirkel: 'Als deze tendens zich doorzet, en allochtone politici bijna per definitie onervaren zijn, kunnen zij in een minderwaardige positie terechtkomen ten opzichte van hun autochtone collegae, en op termijn als incompetent worden ervaren.’
Over de oorzaken van wat zij voorzichtig een trend noemt, kan Michon nog geen definitieve uitspraken doen: 'Maar ik vraag me af of allochtone politici wel voldoende gestimuleerd worden, of ze voldoende worden betrokken bij moeilijke afwegingen en beslissingen. Politieke partijen moeten zich afvragen of ze wel echt de wil hebben om leden uit migrantengroepen op belangrijke posities te zetten.’