Colombia. De vredesstrijders van Quintín Lame

Een stok en een flinke dosis waardigheid

De moeizaam afgedwongen vrede tussen de Colombiaanse regering en de Farc-rebellen wankelt. In delen van het land laait het geweld weer op. Maar de strijders van Quintín Lame hebben de wapens wél begraven.

Inheemse Wacht, Coconuco

Een jonge knul denkt niet met zijn hoofd, maar met zijn hart.’ Jesús Peña (56) woont in de bergen van het departement Cauca in het afgelegen arme zuiden van Colombia. Hier komen mensen alleen te voet of per jeep. De inwoners zijn er gewend hun eigen problemen op te lossen.

Peña was de laatste actieve commandant van Quintín Lame, een guerrillabeweging die begin jaren negentig de strijdbijl begroef. De demobilisatie van zijn troepen wordt beschouwd als het enige succesvolle vredesproces in het door conflict getekende land. Nu het vredesakkoord met Colombia’s grootste guerrillabeweging, de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (Farc), steeds moeilijker blijkt uit te voeren, is de vraag actueel waarom het vredesproces met Quintín Lame wel lukte.

Na de ontmanteling van de troepen van de Farc laait het geweld weer op in Cauca. Nieuwe bendes en oude vijanden van de guerrilla betwisten de regio’s die na het vredesakkoord niet door de staat worden beveiligd. Zelfs leden van Mexicaanse drugskartels zijn waargenomen en het geweld tegen inheemse en boerenleiders is toegenomen. Iemand zal de verantwoordelijkheid moeten nemen om orde op zaken te stellen en het geweld een halt toe te roepen. Lukt het de inheemse bevolking om de eigen dorpen tegen een nieuwe invasie te beschermen?

Het is donker en de regen klettert met veel kabaal op het golfplatendak van Peña’s boerderij. Hij zit onder een afdakje en wrijft in zijn handen. Niet omdat het zo koud is, maar omdat hij graag zijn verhaal wil vertellen. Voor het eerst in meer dan 25 jaar geeft hij weer een interview. Hij moet wel, want in zijn gebied is een gevaarlijk machtsvacuüm ontstaan. Het leger heeft geen controle over de regio en in vrijwel elke gemeente is een andere gewapende groep actief. De situatie doet denken aan die van ruim dertig jaar geleden, toen Peña zich als jongeman aansloot bij de inheemse guerrilla. De streek werd geterroriseerd door verschillende paramilitaire bewegingen, guerrillagroepen en zelfs het Colombiaanse leger.

‘Een inheemse zal altijd voor zijn land vechten’, zegt hij en laat een stilte vallen. Aan de muur van zijn ontvangstkamer hangt een vlag. Er staan twee bergen op afgebeeld en een opkomende zon. Daarboven een traditionele stok, symbool van autoriteit, rechts daarvan een machinegeweer en aan de onderkant van de muur ‘Movimiento Armado Quintín Lame’, Gewapende Beweging Quintín Lame.

Jesús Peña deed mee aan meer dan 150 gevechten. De beweging streed tegen paramilitairen en grootgrondbezitters en viel met kleine groepen het leger en politieposten aan om wapens buit te maken. De quintínes waren getraind in guerrillaoorlogvoering en maakten gebruik van hun kennis van de bergregio’s om hun vijanden te verrassen. Na eeuwen van onderdrukking pakten ze uiteindelijk de wapens op om zich te verdedigen, hun identiteit te beschermen en voorouderlijk land terug te claimen, voordat ook hun laatste grond gestolen zou worden.

‘Er bestaat een heilige band tussen de inheemsen en de aarde’, zegt Peña. ‘Wij verzorgen de grond en buiten deze niet uit, in tegenstelling tot de grootgrondbezitters en alle andere indringers die ons gebied door de eeuwen heen binnenvielen, zoals Spaanse kolonisten en katholieke missionarissen. Wij als inheemsen zeggen dat het land is als onze moeder, dat is het leven, onze oorsprong. Waarom zouden we dit loslaten?’

Militaire controle in Argelia

Colombia is een sterk verdeeld land. Veel inheemsen wonen in het bergachtige zuidwestelijke Cauca-departement, met Andes-toppen van 4500 meter hoog en vruchtbare grond in diepe dalen. Aan de tropische kust van de Stille Oceaan wonen in vissersdorpen de nazaten van Afrikaanse slaven. De vaak van de Spanjaarden afstammende elite is vooral rijk geworden met suikerplantages. Cauca is historisch gezien een regio van opstand en conflict. De in 1964 opgerichte Farc-guerrilla’s terroriseerden de lokale bevolking.

Peña’s verhaal begint in de jaren zeventig. ‘Er was enorm veel repressie’, zegt hij. ‘Grootgrondbezitters en de kerk hadden de macht en dwongen de inheemsen al eeuwenlang te werken op de plantages die ooit hun eigendom waren.’ Inheemse mannen met lange haren moesten naar de kapper, Spaans werd verplicht als voertaal en van hun eeuwenoude cultuur was inmiddels bijna niets meer over. Peña’s vader werkte voor een grootgrondbezitter en dwong zijn kinderen hetzelfde te doen. ‘In inheemse families werden kinderen van jongs af aan voorbereid om het land te bewerken. Studeren was voor ons niet weggelegd.’

Als tiener zag Peña hoe de inheemse rebellie hardhandig werd neergeslagen. Bedreigingen aan het adres van inheemse leiders werden gevolgd door de eerste moordpartijen, betaald door grootgrondbezitters. Criminele bendes, die zich pajaros noemden, nu bekend als paramilitairen, sloegen aan het moorden. Peña vertelt over de angst en over de nachtelijke bezoeken die gewapende mannen aan de afgelegen inheemse dorpjes brachten. Inheemse leiders werden van hun bed gelicht en vermoord.

De inheemsen pakten de wapens op. Met een revolver of een shotgun onder hun wollen ruanas, de Colombiaanse poncho, gingen ze de strijd aan. Groepjes strijders stelden grootgrondbezitters een ultimatum om te vertrekken. Zo niet, dan zou de revolver van onder de ruana vandaan komen. De eerste inheemse guerrillabeweging van Latijns-Amerika, Quintín Lame was geboren. Eerst pakten ze de grootgrondbezitters en paramilitairen aan. Ze verjaagden de bezetters van de oorspronkelijk inheemse grond. Later richtten ze hun pijlen ook op het leger. Verscholen in de hoge bermen langs de slingerende bergwegen wachtten de inheemsen met machinegeweren op de wapentransporten en ’s nachts verrasten ze het leger in hun wapendepots. De gestolen wapenvoorraden waren nodig voor eigen gebruik.

De onervaren quintínes kregen hun militaire opleiding van de al aanwezige linkse rebellengroep M-19, die ooit het Paleis van Justitie in hoofdstad Bogotá bezette, of van inheemsen die voorheen in het leger zaten. Cauca was een belangrijk bolwerk van M-19. Veel van hun strijders kwamen uit deze regio. Met houten nepwapens kampeerden de aspirant-quintínes maanden in de bergen terwijl ze een politieke en militaire training kregen.

Jesús Peña, ex-commandante general van Quintín Lame, Kiwe Wejxia-reservaat

De inname van Santander de Quilichao, een dorp langs de Latijns-Amerikaanse verkeersader Panamericana, was in 1985 hun eerste overwinning. ‘Dit was mijn eerste echte guerrillaervaring’, zegt Peña. Vragen over persoonlijke ervaringen tijdens gevechten gaat hij het liefst uit de weg en hij beroept zich telkens op de collectiviteit van hun acties in plaats van over zichzelf te praten.

Quintín Lame streed niet alleen met het leger en de politie. Ook de Farc maakte zich in Cauca schuldig aan mensenrechtenschendingen. De communistische revolutionairen pretendeerden voor de arme en onderdrukte boerenbevolking te strijden, maar werden controversiëler naarmate het aantal burgerslachtoffers door hun acties toenam en ze zich verder toelegden op drugshandel.

Peña werd in 1985 commandant van Quintín Lame. Zes jaar later, met duizenden teruggewonnen hectaren land, was het genoeg. De quintínes bereikten de doelen van hun lokale rebellenstrijd. ‘We waren sterk en gingen het vredesproces in’, zegt Peña. ‘De inheemse beweging stond weer op de kaart, niemand kon om ons heen, dus we hadden een sterke onderhandelingspositie.’ De strijders legden de wapens neer en namen plaats aan de onderhandelingstafel.

Tot de nieuwe grondwet van 1991 hadden inheemsen in Colombia bijna geen rechten. Voor de wet waren ze minderjarigen en ze konden bijvoorbeeld geen eigen bedrijf beginnen. ‘Verklaard tot half-wilden’, zegt Peña.

Zijn broer Alfonso verliet als afgevaardigde van Quintín Lame de Caucaanse bergen om deel te nemen aan de grondwetgevende vergadering. ‘We hebben bereikt dat de rechten van inheemse volken in de grondwet zijn gebeiteld’, zegt Jesús trots. Inheemse collectieve gronden mogen nu met behoorlijk grote autonomie bestuurd worden, inheemse talen worden beschermd en tweetalig onderwijs is toegestaan. Het grootste wapenfeit is het inheems zelfrecht dat in de nieuwe grondwet van 1991 is opgenomen. Dit betekent dat de quintínes hun eigen misdadigers volgens traditionele gebruiken mogen bestraffen.

‘We werden als helden gezien’, blikt Peña terug op de ontvangst van de quintínes in hun eigen dorpen. Nu, bijna twintig jaar later, wordt Peña nog met bewondering aangekeken in de inheemse dorpen en lopen mensen op hem af om zijn hand te schudden.

Indringers zijn er momenteel veel en de onzekerheid en gevoelens van onveiligheid zijn terug van weggeweest

De voormalige comandante general van Quintín Lame keerde terug naar zijn vrouw en kinderen en moest helemaal opnieuw beginnen. Net zoals zijn vader was Peña landloos. Als gedemobiliseerde guerrillastrijder kreeg hij een beetje geld van de overheid en daarmee kocht hij uiteindelijk voor het eerst een eigen stuk land.

In het dorpje Paispamba worden Peña en zijn vrouw Deisy in een schuur, waar normaal landbouwproducten zijn opgeslagen, opgewacht door tientallen inheemse boeren met grote hoeden. Bij de deur staat een van hen met een stok stoïcijns voor zich uit te kijken, maar vanuit zijn ooghoeken controleert hij scherp wie het gebouwtje inloopt. De man behoort tot de Inheemse Wacht, een uit dertienduizend leden bestaande ongewapende beweging die aanwezig is in de meeste inheemse dorpen en voortvloeide uit Quintín Lame.

Veel ex-quintínes behoren tegenwoordig tot deze groep, die in Colombia bekend staat om haar vreedzame doch doortastende manier van verwijderen van indringers als het Colombiaanse leger en buitenlandse bedrijven die uit zijn op inheems land. Met hun snelle mobilisatie van honderden inheemsen en hun overmacht in aantal kunnen zij indringers gedwongen ontwapenen en van hun landen ontzetten. Toch lopen confrontaties soms slecht af. Er vallen regelmatig doden en gewonden aan de inheemse kant. Indringers zijn er momenteel veel en de onzekerheid en gevoelens van onveiligheid zijn terug van weggeweest.

Op het land van Jesús Peña en Deisy, Kiwe Wejxia-reservaat

Peña zelf zit met gekruiste armen midden tussen het publiek in Paispamba. Hij kwam om te luisteren, maar nu wil hij ook spreken over de nieuwe problemen en mogelijke oplossingen. Voordat hij opstaat kijkt hij even om zich heen. Dan neemt hij het woord. Hij zegt een voorstander van de vrede te zijn, of op zijn minst van het idee, maar roept op tot waakzaamheid voor nieuwe vijanden, zoals gewapende bendes en paramilitairen. Hier is een rol weggelegd voor de Inheemse Wacht, die in wisselende groepen 24 uur per dag waakt over de dorpen.

De mensen in de zaal luisteren naar zijn rustige maar doordringende stem. Nog steeds is er veel respect voor hem. Ook Deisy neemt het woord. Ze spreekt over de heropbouw van inheems land: ‘Schouder aan schouder met onze vrienden hebben we een land opgebouwd.’ Dorpelingen hebben veel vragen. Het vredesakkoord dat na een halve eeuw oorlog en vier jaar onderhandelen tussen de regering en de Farc in 2016 werd gesloten staat op losse schroeven en vele ex-Farc-leden hebben de gebrekkige kampen bedoeld voor re-integratie in het civiele leven uit pure wanhoop alweer verlaten.

In Paispamba probeert de plattelandsbevolking te begrijpen waarom er in de regering over vrede wordt gesproken terwijl de problemen en het geweld in hun regio toenemen en veel inheemse leiders de afgelopen twee jaar zijn vermoord. Niet alleen willen de dorpelingen weten hoe vrede er in de praktijk uit zal zien, ook hebben ze veel twijfels over de vraag of er überhaupt wel aan vredesopbouw gewerkt gaat worden. Sinds 2016, het jaar van het vredesakkoord, zijn meer dan vijfhonderd burgerleiders en mensenrechtenbeschermers vermoord. Dit maakt Colombia onveiliger voor activisten dan vóór het vredesakkoord.

Paarden die onder andere voor het vervoer van cocabladeren gebruikt worden, Argelia

J esús Peña benadrukt later dat de Farc in vijftig jaar geen landbouwhervorming heeft bewerkstelligd – een van hun belangrijkste doelstellingen – en geen land voor de boeren terugwon. Quintín Lame heeft altijd een zeer moeilijke relatie met Colombia’s grootste guerrillagroep gehad. Ook de Farc vermoordde vroeger inheemse leiders, benadrukt Peña, alleen deed zij dit ‘in naam van de revolutie’.

Inheemsen werden door de Farc vaak vermoord nadat ze vals beschuldigd waren van het heulen met de vijand. Boerderijen werden geplunderd, wat de Farc zag als een verplichte bijdrage aan hun guerrillastrijd.

Peña heft zijn rechterhand en maakt een beweging die veel weg heeft van een wegwerpgebaar. ‘Er is onder de bevolking geen draagvlak voor de Farc, want ze hebben niets opgebouwd’, legt hij uit. ‘Waar ze aan gewerkt hebben in hun vijftig jaar is juist het vernietigen van de basis die ze wilden opbouwen.’ Hij wil dat de ex-Farc-strijders niet volgens de ‘speciale justitie voor vrede’ berecht worden, zoals het vredesakkoord voorschrijft, maar door de gemeenschappen zelf.

De nu politiek actieve ex-leden van Colombia’s grootste guerrillabeweging hebben veel aan populariteit ingeboet na structurele zelfverrijking door afpersing, rekrutering van minderjarigen, ontvoeringen en drugshandel. Horrorverhalen over gedwongen abortussen bij vrouwelijke strijders in de jungle en het uitknijpen van de boerenbevolking, die een zogenaamde ‘oorlogsbelasting’ moest betalen, zijn bepalender voor hun imago dan de oorspronkelijke redenen waarom zij de wapens oppakten.

Op dit moment maakt een grote groep ex- Farc-rebellen Cauca onveilig. Ze hebben de wapens weer opgepakt en sloten zich aan bij andere gewapende bendes die doorgaan met het controleren van de bevolking in afgelegen regio’s, drugssmokkel, illegale mijnbouw en afpersing. Ook paramilitairen zijn in toenemende mate aan het moorden geslagen, net als eln-guerrilla’s en de epl, een derde guerrillagroep die steeds dichter tegen de economische activiteiten van de paramilitairen aanschurkt. Ook het leger maakt zich schuldig aan vele mensenrechtenschendingen. Ze plunderen dorpen en voeren buitengerechtelijke executies uit. In de regio Cauca zijn in bijna drie jaar meer dan tachtig gemeenschapsleiders van inheemse en boerenafkomst vermoord. De Inheemse Wacht pakte dit jaar nog vier Farc-dissidenten op die een gemeenschapsleider hadden vermoord.

Peña wil dat de Farc de verantwoordelijkheid neemt voor alle schade toegebracht aan de inheemse gemeenschap, voor alle moorden en verkrachtingen. De slachtoffers van het conflict met de Farc moeten worden geteld. Transparantie en het daadwerkelijk begrijpen van de impact van het conflict zijn nodig als men verzoening wil. Peña wil dit samen met de Farc bewerkstelligen. De organisatie, niet het individu, moet haar verantwoordelijkheid nemen. ‘Wij willen dat de slachtoffers van het conflict in Cauca zichtbaar zijn. Ook moeten mensen weten dat de Farc de inheemse beweging als vijand zag en niet als vriend.’ Vrede en veiligheid voor de gemeenschap lijken geen prioriteit voor deze ex-Farc-rebellen. Het gaat om economisch gewin.

‘Dat is het verschil met ons’, roept Peña uit. De ex-rebellen van Quintín Lame zijn nu actief in dorpsraden, coördineren kleine ontwikkelingsprojecten en geven les. Met de dienende rol die de inheemse autoriteit (cric) vervult voor de regionale bevolking, geeft Quintín Lame de Farc een lesje in bescheidenheid. In de eerste drie jaar na de demobilisatie is begonnen aan het uitwerken van maar liefst tachtig plannen, zoals het oprichten van veehouderijen, kleinschalige landbouwprojecten en het ondersteunen van kleine bedrijfjes. ‘De Farc heeft altijd een groot verlangen naar macht gehad’, zegt Peña. De politieke invloed waar de Farc zo hopeloos naar op zoek was, is nu verder weg dan ooit. Bij de eerste verkiezingen, voor de Senaat en het Huis van Afgevaardigden, kreeg de Farc bijna geen stemmen. De beweging trok zich terug uit de presidentsverkiezingen, die uiteindelijk werden gewonnen door de rechtse kandidaat en tegenstander van het vredesakkoord Iván Duque.

Cocavelden, Micay-rivier, Argelia

O p weg naar huis na de dorpsvergadering slenteren Peña en zijn vrouw Deisy door de groene heuvels van Cauca. De weg slingert langs kleine lappen bewerkte grond. Om de paar meter stoppen ze om trots te wijzen naar de gewassen. ‘Aardappels, aardbeien, uien en nog veel meer.’ Er staat ook een tiental koeien in de wei.

Het is de grond die hij decennia geleden met het kleine beetje geld van de overheid heeft gekocht. Hier bewerkte hij voor het eerst in zijn leven zijn eigen land. Hij bleef investeren in zijn boerderij en breidde zijn terrein uit. ‘Voor het eerst kochten we land legaal van de staat en transformeerden het tot inheems land.’ Het is de kern van het conflict in Colombia: toegang tot land en het recht om dit zelf te beheren en bewerken. Het landgoed is collectief eigendom van zijn familie en de inheemse gemeenschap. ‘We doen dit omdat we ervan overtuigd zijn dat dit het land is waar we gaan blijven.’

Tegenwoordig geeft Peña jongeren les over de geschiedenis van de strijd en filosofeert hij over nieuwe vormen van onderwijs gericht op lokale economieën, vooral gebaseerd op kleinschalige landbouw en gefinancierd door een inheemse bank. ‘We hebben goede grond, het enige wat ontbreekt is de technische kennis om het land te bewerken’, zegt hij. Peña droomt van een zelfvoorzienende, moderne en sterke inheemse gemeenschap die ook financieel gezien voor zichzelf kan zorgen. ‘We kunnen nog zo sterk zijn in andere thema’s, als we geen economie hebben zijn we veroordeeld om hier weg te gaan.’

De zorgen over de veiligheid blijven overheersen, geeft hij de volgende ochtend toe. Het is nog vroeg en hij heeft zijn mooie hoed ingeruild voor een muts en een ruana. Deisy staat in de keuken, de hulp in de huishouding zit om de hoek gehurkt en draait een kip de nek om. Het is zondag en dan wordt er bij de Peñas lekker gegeten.

‘Er zijn geen spelregels’, zegt Peña terwijl hij de waakhonden een flinke aai geeft. ‘Er heerst anarchie in Cauca.’ Het conflict tussen rebellenbewegingen, paramilitairen en Farc-dissidenten broeit voort. Maar de inheemse beweging is op lokaal niveau alom vertegenwoordigd. En het gedachtegoed van Quintín Lame bestaat nog steeds. ‘We blijven strijden, ook al pakken we de wapens niet meer op.’

Nog één keer wil Peña van zijn leiderschapsrol gebruik maken. Hij wil vernieuwende op de traditie gestoelde landbouweconomieën ontwikkelen, jonge inheemsen onderwijzen, en misschien wel het belangrijkst: de Inheemse Wacht versterken. Niet meer om te moorden, maar om zich met slechts een stok en een flinke dosis waardigheid te verdedigen.