Een straffe roker

‘Daar moet je voor oppassen. Voor dat soort beelden. Klinkt leuk, maar er staat niets. Zeg gewoon dat hij geen last had van de hitte. Dat lijkt bedoeld te worden. Zo ontstaan misverstanden.’

De ui hield van mij. Of enigszins. Hij wilde niet dat er misverstanden tussen ons bestonden. Met mensen waar je helemaal niet van houdt kan je dat niet schelen. Daarmee wordt de afstand tot jezelf gevormd door een diep ravijn waar alleen maar misverstanden zo groot als pompeuze pompoenen bovenuit groeien.
Al met al, was ik verliefd op de ui? Snakte mijn peilloze blik naar meer van zijn sierlijke dwarsdoorsnede? Hoewel ik mij sinds onze ontmoeting geen anderhalve voet van hem had verwijderd, echt intiem was ik met mijn ui nog niet geweest. Hij all of a sudden wel met mij. ‘Vertel eens heel eerlijk’, zei hij, en was hij een straffe roker geweest hij zou op dat moment een Sweet Caporal hebben opgestoken, 'wat is je lievelingsdier?’ Zonder enige aarzeling liet ik min of meer routineus blauwe gnoe, axolotl, hutspotkleurige agouti, Chapman’s zebra, ijsvogel, aardvarken, mierenleeuw, zeeottertje, Leucopsar Rothschildi, nachtzwaluw à la Peter Vos en grijpstaartzus- of -zo langskomen.
Tot iets mij opeens, midden in de roodbuikvuurpad, een halt toeriep. Stel dat de ui hier up to no good was. Dat kon ik straks mooi op mijn brood krijgen. Een list, die de waarheid niet hoefde buitensluiten, was op zijn plaats. Ik rechtte mijn rug, slikte overtollig speeksel door en zei, met de licht gefingeerde blijheid die daarbij past: 'Gefileerd ansjovisje.’ 'In pekeloplossing, niet in olie’, kon ik er nog aan toevoegen.
'Ja, ja’, neuriede de ui. 'Ik dacht het wel.’ Wat dacht hij wel?
Wat dacht hij wel! Dat hij het hier voor het denken had? Dat hij diep onder die opeenhoping van niets anders dan bleke vestjes, een denkershart had in plaats van een uienhart?
Maar kalmte, misschien zelfs iets meer, was geboden.