Een student van de hel

Charles Bukowski heeft zijn eigen dood overleefd. Hoewel de cultheld in 1994 stierf, publiceert hij elk jaar nog een ‘nieuw’ boek. Hoe doder Hank, hoe beter zijn werk. Het beste heeft de kampioen van de underdogs voor het laatst bewaard.

WAAROM IEMAND precies een vriend wordt, is moeilijk te zeggen, zo vanzelfsprekend als dat soort dingen gaan. Waarschijnlijk zijn er honderd redenen, maar dit is wel een van de belangrijkste: van een vriend zie je direct meer dan de clichés. Waar anderen een makkelijke anekdote zien, een paar opvallende eigenschappen of een beroep als samenvatting van een karakter, heb jij een beeld dat completer is en dat je (toch) bevalt.
En dan hoeft zo iemand niet eens per se in leven te zijn. Dat blijkt bij lezing van de meest recente bundels van Charles Bukowski, Bone Palace Ballet (1997), een prachtige verzameling ‘nieuwe gedichten’ en de onlangs verschenen, zo mogelijk nog mooiere dagboekselectie The Captain is out to Lunch and the Sailors have taken over the Ship.
Eerst de bekende anekdote. In 1955 was Charles Bukowski vijfendertig jaar oud, en stond hij op de rand van de dood. Misschien niet voor het eerst - wie zijn boeken heeft gelezen, kan zich een voorstelling maken van de gevaren van de schaduwzijde van Amerika, Los Angeles in het bijzonder - maar toen hij dit keer zijn door alcohol, honger en tientallen loodzware baantjes geteisterde lichaam het ziekenhuis binnensleepte, leek het écht afgelopen. Een ernstige maagbloeding, luidde de diagnose van de artsen, die zich er en passant over verbaasden dat hij in deze conditie de deuren van het ziekenhuis nog had kunnen bereiken. Hij herstelde miraculeus, maar het vonnis was duidelijk genoeg: Bukowski moest onmiddellijk stoppen met drinken. Eén biertje zou hem zijn leven kosten, werd hem verteld.
Op weg van het ziekenhuis naar zijn armoedige huurkamertje liet 'Hank’ zijn taxi stoppen, stapte uit, en liep de eerste bar in die hij kon vinden.
'I’m all for alcohol’, zou hij jaren later in een interview verklaren, en blijkbaar was het gevoel wederzijds, want de drank gaf de dokters ongelijk. Goed, in de kleine veertig jaar die zouden volgen, leed Bukowski aan een reeks kwalen, van maagzweren tot tbc en van depressies tot huidkanker, maar hij stopte net zo min met ademhalen als met drinken, twee dingen die bij hem dichter bij elkaar lagen dan bij de meesten.
WERD 1955 DUS niet zijn sterfjaar, een belangrijk jaar was het, want Bukowski begon weer ergens mee: met schrijven. In 1944 had hij al een verhaal gepubliceerd in Story, het tijdschrift waarin ook grootheden als John Cheever en Truman Capote ooit debuteerden, maar daarna had hij ruim tien jaar nauwelijks meer een pen op papier gezet. Hij had gereisd, gezworven. On the road, om het in de geest van die tijd te zeggen, maar met het romantische georakel van Jack Kerouac en de zijnen had deze reis weinig te maken. Bukowski trok niet van stad naar stad en van baantje naar baantje om een 'vervulling’ te vinden - laat staan 'zichzelf’ - maar om te vluchten. Van de herinnering aan zijn jeugd met zijn tirannieke vader en zijn Duitse moeder (die er de oorzaak van was dat hij tot zijn tweede in het dorpje Andernach woonde) en met de extreme vorm van acne die van zijn gezicht een rood maanlandschap en van hem een misantropische eenling maakte.
Weg dus. Naar weer een lelijke stad, weer meer lelijke mensen, en nog een slok whisky om het allemaal draaglijk te maken.
Tot die maagbloeding kwam. Bukowski nam een vaste baan bij de posterijen en begon in de nachtelijke uren te schrijven. Een lange reeks gedichten, korte verhalen en romans, die zonder uitzondering werden geweigerd door literaire uitgeverijen en tijdschriften en die alleen gelezen konden worden in obscure, gestencilde blaadjes en poëziebundeltjes, en die verder hoogstens bruikbaar werden geacht als bladvulling in pornoboekjes, als de seksscènes tenminste wat 'geloofwaardiger’ werden gemaakt. Het zou nog veertien jaar duren voor hij, naar aanleiding van zijn column Notes of a Dirty Old Man in het hippieblad Open City werd ontdekt. John Martin, oprichter van de toen nog kleine uitgeverij Black Sparrow Press nodigde hem uit om (tegen een voorschot van honderd dollar per maand) zijn eerste boek te schrijven. Eindelijk kon Bukowski leven van zijn ratelende typemachine. Hij was toen vijftig.
DE REST VAN de anekdote volgt het scenario van een succesverhaal. De ex-verschoppeling schrijft meesterwerken als Post Office (1971), Burning in Water, Drowning in Flame (1974) en Ham on Rye (1982) - alleen die titels al - en wordt een hit. Eerst bij een selecte groep lezers die genieten van zijn rauwe poëtische stijl, zijn wrange humor en zijn mythologisering van het vertrapte deel van de natie. Later, nadat hij in 1987 het script heeft geleverd voor de film Barfly, bij een groter publiek. Mickey Rourke speelt Bukowski’s alter ego Henry Chinanski, Faye Dunaway de liefde van zijn leven, de alcoholiste Jane Cooney, waarna zelfs Madonna hem tot de 'coolest guy in the world’ meent te moeten uitroepen. Bukowski in een BMW naar de zonsondergang, Happy-end-muziekje, fade out.
In die laatste wending schuilt ook het voornaamste bezwaar dat de meeste van zijn 'fans’ hadden, en hebben, tegen zijn latere werk, of liever tegen het ontsporen van hún anekdote. 'Zijn autobiografische werk’, zo stond in 1994 in een artikel in NRC Handelsblad, 'verloor inhoudelijk en stilistisch iets van de oorspronkelijke rauwheid en directheid door de relatieve rust en welstand van zijn latere jaren.’ Het ging te goed met Bukowski, zo was de algemene teneur. Natuurlijk, zijn boeken gingen nu met miljoenen tegelijk over de toonbank, maar de schrijver had eigenlijk moeten blijven wat hij was: de kampioen van de underdogs. Iemand die vanuit de goot berichten stuurt naar de keurige doorzonwoningen van zijn lezers. 'Onder je bewonderaars zijn de brave/ betalende slapers, die vinden dat je gerust/ kunt vermoorden, geen vlieg maar een volk’, schreef Rutger Kopland in het aan Bukowski opgedragen gedicht Haat gaat gekleed als vreedzame mensen.
Als je het aan die vreedzame mensen vroeg, deed Hank aan het eind van zijn leven alles verkeerd. Ouder worden was al niet zo'n goede zet, maar zelfs de manier waarop hij doodging, deugde niet. Op 9 maart 1994 ging hij ten onder. Niet aan een enorm drinkgelag of eenzaam en verlaten in een steeg, maar in een doodgewoon ziekenhuisbed, en dan nog aan zoiets burgerlijks als een verwaarloosde longontsteking. Zijn 37ste boek, Pulp, was net verschenen.
INMIDDELS IS het een goede vier jaar later, en blijkt meer en meer dat Bukowski tegen het eind van zijn leven nog lang niet was uitgeschreven. Naast de gestage stroom herdrukken van zijn vroegere werk verscheen er tot nu toe nog elk jaar minstens één nieuwe titel bij Black Sparrow Press. Shakespeare Never Did This (1995) is een heel fraai en lezenswaardig document met foto’s en teksten gemaakt tijdens een reis door Europa, Living on Luck (1995) bevat een selectie uit zijn brieven tussen 1960 en 1970 en Betting on the Muse (1996) is een lijvige bundel verhalen en gedichten. Ze zijn allemaal meer dan de moeite waard, en prachtig uitgegeven.
Toch worden ze overschaduwd door de twee laatste Bukowski’s die op de markt kwamen; de dichtbundel Bone Palace Ballet (1997) en The Captain is out to Lunch and the Sailors have taken over the Ship.
Wie kwaad wil, zou kunnen zeggen dat de schrijver van de dagboekfragmenten in The Captain het hele boek samenvat met de eerste regels die hij op 18 januari 1992 om één minuut voor twaalf noteerde: 'Well, I move back and forth between the novel and the poem and the racetrack and I’m still alive.’ Waarom is dit dan toch misschien wel een van de beste, en zeker een van de meest ontroerende bundels in Bukowski’s omvangrijke oeuvre?
De eerste van de 33 opgenomen notities schreef Bukowski in zijn 71ste levensjaar. De bundel Septuagenarian Stew was net verschenen en The Last Night Of the Earth Poems kwam er alweer aan, maar hoe productief hij ook was, het bestaan van de schrijver was op dat moment niet zo turbulent als de legende zou willen. Overdag ging hij naar de paardenrennen - als een gelovige naar zijn kerk - ’s(nachts zat hij achter zijn computer en schreef zijn leven.
Spaarzaam met meningen en details uit zijn leven was Bukowksi nooit, maar in The Captain is hij nog openhartiger dan anders. Want wat we op deze pagina’s lezen, is eigenlijk niet voor onze ogen bestemd. Het zijn vingeroefeningen die aan het 'echte werk’ voorafgingen, de intiemste momenten van een schrijver.
Natuurlijk levert dat niet altijd materiaal op waarvan je direct op het puntje van je stoel gaat zitten - zo bericht Hank vrij uitvoerig over zijn belevenissen met zijn computer en vraagt hij zich tot twee keer toe hardop af waarom nog niemand een betere manier heeft gevonden om teennagels te knippen - maar dat is nou net het soort informatie dat je van vrienden best wilt horen, waar het van anderen ondraaglijk zou zijn.
Wie dit geduld kan opbrengen wordt ruim beloond. Met anekdotische fragmenten - zoals de beschrijvingen van zijn moeizame ontmoetingen met interviewers, 'collega’s’ en fans, en een hilarische episode rond een regisseur van een commercieel tv-station die wil dat Bukowski een heuse sitcom over zijn leven schrijft - maar bovenal met passages die soms een nieuw, en in ieder geval steeds een boeiend licht op zijn schrijverschap werpen.
Zo blijken de bezoeken die Bukowski aan de paardenrennen brengt ook in zijn ogen meer dan alleen een manier om 'de tijd te vermoorden’: 'I suppose there’s always something out there we want to torment ourselves with. And at the track you get the feel of other people, the desperate darkness, and how easy they toss it in and quit. The racetrack crowd is the world brought down to size, life grinding against death and losing. Nobody wins finally, we are just seeking a reprieve, a moment out of the glare.’
Of Bukowski vaak met Vondel is vergeleken betwijfel ik, maar toch zie je aan zo'n klein fragment dat voor hem geldt wat “s Lants outste en grootste poeet’ van zichzelf zei: hij kan het niet helpen poëzie te schrijven. Zelfs als hij schijnbaar maar wat voor zich uit babbelt, hebben de zinnen een onweerstaanbaar ritme en een bijtende zeggingskracht.
HOEWEL BUKOWSKI met de jaren milder is geworden, is de boodschap niet vrolijk. Nog altijd voelt de schrijver zich verdwaald tussen de mensen van wie hij eigenlijk niets wil weten, maar tot wie hij nu eenmaal veroordeeld is, als een toeschouwer bij 'a continuous horror show’. 'I’m terrorized out there but I’m also, so far, some kind of student. A student of hell.’
De dood is daarbij nooit ver weg. Maar terwijl anderen zich daardoor laten verrassen, is Bukowski er al jaren klaar voor: 'I carry death in my left pocket. Sometimes I take it out and talk to it: "Hello baby, how you doing? When you coming for me? I’ll be ready.”’
Bij dit alles zijn er voor Hank maar een paar eilandjes van troost. Zijn literaire helden - hij schrijft ultrakorte, maar opvallend scherpzinnige beschouwinkjes over ondermeer Sherwood Anderson, Hemingway en D.H. Lawrence - klassieke muziek, zijn vrouw en zijn negen katten en natuurlijk in de eerste plaats het schrijven: 'Writing is when I fly, writing is when I start fires’, schrijft hij, om daarna het mooie beeld dat hij een pagina eerder gebruikte weer op te pakken: 'Writing is when I take death out of my left pocket, throw him against the wall and catch him as he bounces back.’
ER ZIJN TWEE dingen die het lezen van The Captain tot een extra bijzondere ervaring maken. Om te beginnen de twaalf treffende illustraties van de geniale gek Robert Crumb, maar zeker ook de gelijktijdige lezing van Bone Palace Ballet.
Op zichzelf zijn er in de vijf afdelingen van deze bundel (die thematisch ongeveer de chronologie van Bukowski’s leven volgen) al prachtige gedichten te vinden, maar wie zijn dagboeken uit dezelfde periode kent, krijgt het gevoel bij het ontstaan van het werk aanwezig te zijn geweest.
De schrijver heeft eerst even tegen je aan zitten praten, als een wijze oude vriend, en schreef vervolgens zijn gedichten, die niet zelden gaan over dezelfde dingen waar hij zojuist over sprak. Of - minstens even toepasselijk - over het hebben van dode vrienden in kunst: 'I’m/ listening to a work of his/ recorded in/ 1923./ I was 3 years old/ then/ but Bach was/ ageless.// I am soon going/ to die/ but I feel no/ remorse about / this.// Bach and I are/ in this/ room/ together.// his music now/ lifts me beyond/ pain/ and my/ pathetic/ self-/ interest.’
Bach, thanks to you, I have no living friends.
DE NOTITIE waaruit de titel van The Captain afkomstig is, is gelukkig niet het laatste dat we van Bukowski zullen lezen, maar waarschijnlijk wel het laatste kijkje in zijn dagboeken. Als dat zo is, zijn deze drie pagina’s een afscheid op een hoogtepunt. Hij schrijft erin over zijn walging van de massa en het ontbreken van grote geesten ('captains’), over zijn liefde voor klassieke muziek en over het schrijven, zoals alleen hij dat kan. Dat hij in daarbij in herhaling vervalt, is tegelijk onbelangrijk en van levensbelang. Het is herhalen tot de waarheid uit de letters naar boven komt als 'een schreeuw van zijn balkon’.
Dan zorgt Bukowski’s kritische geest ook nog voor een uitsmijter die zijn laatste woorden hadden kunnen - en misschien wel moeten - zijn. De situatie is als volgt: onlangs heeft hij een brief gekregen van een boze lezer, waarin deze zegt dat hij nu eens moet ophouden te beweren dat Shakespeare een saaie schrijver was. Want, zo zegt de opvoedkundig zeer verantwoorde afzender, jonge lezers zouden op zijn advies wel eens kunnen besluiten dan maar niet aan het lezen van de Grote Dichter te beginnen.
Bukowski heeft hem nooit teruggeschreven, maar het is alsof hij zich hier, op de drempel van dit boek, toch niet kan inhouden. Hij draait zich om en voegt hem toe: 'Screw you, buddy. And I don’t like Tolstoy either!’