INTERVIEW MET MARK MANDERS

‘Een supermarkt vind ik heel interessant’

In een oude textielfabriek in België bouwt de Nederlandse kunstenaar Mark Manders aan zijn zelfportret: een imaginair gebouw vol denkconstructies. Aan de basis van het werk staat niet hijzelf, maar een fictieve Manders. ‘Die doet dingen die ik zelf nooit zou doen.’

‘KIJK’, ZEGT Mark Manders. En hij wijst. Ik kijk. Naar spullen op de vloer. Gescheurd papier, een schoenzool, verlengsnoer, gereedschap, stukken hout, een doosje 100% latex wegwerphandschoenen. ‘Hier ligt iets.’ Ja, dat zie ik. Troep. Maar niet in de ogen van Manders. Hij ziet een beeld. Volgens hem zijn er constant overal mogelijke goede beelden te vinden. Je moet alleen weten hoe te kijken en altijd scherp op blijven letten. Pas dan kan schoonheid min of meer achteloos ontstaan.
Mark Manders: ‘Als je je concentreert, krijg je door hoe poëtisch het is wat hier ligt. Je ziet brandpunten ontstaan, visuele gedachtes, gaat je erover verwonderen hoe mooi het is dat de dingen steeds op andere plekken terechtkomen. Daarom vind ik een supermarkt ook heel interessant.’ Gelukkig, zegt Manders, kan hij omschakelen, hij observeert de wereld niet altijd op deze manier: ‘Want dan kom je om in poëzie. Breekt je hoofd doormidden.’
Welkom in de wondere wereld van Mark Manders (Volkel, 1968). Die op zijn achttiende besloot hij dat een kunstenaar was en sindsdien aan zijn Zelfportret als gebouw werkt. Dat is (weinig verrassend) geen zelfportret in de gebruikelijke betekenis van het woord. Manders bouwt dag in, dag uit aan een imaginair huis waarin hij denkconstructies onderbrengt. Het resultaat is een steeds veranderende, of evoluerende, wonderwereld van installaties, bevolkt door gladde beesten en figuren van klei, schoorsteenpijpen op tafels, plattegronden gelegd van knijpers, balpennen en theezakjes. Een selectie daarvan is tot 22 februari in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent te zien.
‘Mijn voorgangers in de kunst hebben de ruimte gecreëerd waarin ik in vrijheid mijn werk kan maken. In de jaren zestig ging het nog over vragen als: “Wat is een tentoonstelling?”, “Is een schilderij plat of niet?” Ik hoef niks meer te bevechten.’
Dat blijkt. Al sinds zijn opleiding aan de kunstacademie in Arnhem exposeert en verkoopt Manders zijn kunstwerken. Mondiaal. Het MoMa in New York heeft werk, The Irish Museum of Modern Art in Dublin, het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Op de grond van de voormalige textielfabriek in het Belgische Ronse, waar hij woont en werkt, ligt tussen heel veel meer een installatie die Manders terugkocht: een paar gekleide figuren, een vorm gemaakt van schroevendraaiers en knijpers, een bergje kiezels met zand en een opstelling van theezakjes. Gemaakt in 1992, maar het liet Manders niet los, hij bleef eraan denken. ‘Het liefst wil ik alles wat ik maak zelf hebben. Daarmee verdien je niks, dus ik moet wel verkopen. Hoewel ik geld een zo klein mogelijke rol probeer te laten spelen in m’n leven. En ik vind het ook fijn als mijn werk in goede musea terechtkomt. Alleen, dan ben ik er praktisch wel vanaf, maar mentaal ben ik er niet per se klaar mee.’ Wat er aan zijn weer in eigen bezit gekomen kunst gaat veranderen? Geen idee. Op een dag zal zich dat ontvouwen.
Van Manders’ kunst gaat een wonderlijke betovering uit. Vergelijkbaar met de ervaring van het lezen van een gedicht dat je nauwelijks snapt, maar dat je toch wezenlijk weet te raken. Alsof er een taal is die je met iets anders dan redenerende hersenen verstaat. Je kijkt naar een vorm van klei met een kort en een lang been en een vlecht van echt haar eraan, vastgemaakt aan achtereenvolgens een stukje hout, een fles, een schoen en twee niet zo specifiek te duiden, bolvormige vormen met een gat erin. Iets in je zoekt houvast en wil weten: wat is dit, waar gaat dit over? Je gaat op zoek naar een titel en leest Still Life with Interconnected Holes. Hm. Daarmee zijn er nauwelijks antwoorden gegeven. Eigenlijk neemt het aantal vragen alleen maar toe. Dat intrigeert, en, eerlijk is eerlijk, irriteert.
Voor Manders zelf is alles zo helder als wat: ‘Wat je ziet is het gevolg van een logische manier van denken. Net als de zogenaamd gewone wereld om ons heen, die is op dezelfde manier ontstaan. Neem een stoep. Dat is een verhoging, en heeft dus een bepaalde organisatie tot gevolg, die logisch is. Eigenlijk gaat mijn werk over het principe van organiseren, en hoe je dat met denken kunt doen. Hoe je je steeds met iets buiten jezelf verhoudt.’
Zo is een terugkerend thema in een aantal van zijn installaties het getal 5. ‘Daar ben ik vanaf 1993 mee bezig. Ik heb een ding uit de wereld gekozen waar ik een dwangmatige relatie mee heb. Dat doe ik om te zien hoe m’n hoofd werkt.’ Het had ook een kleur kunnen zijn, of schoenen, maar nee, ‘5’ bleek het meest geschikt: ‘Vanaf dat moment zie ik overal vijf. Vijf bomen. Vijfletterwoorden. Vijf vingers. Postzegels van vijf cent, drie gummen en twee potloden.’ Haal iets van buiten naar binnen en de machinerie komt op gang. Of beter: was er al die tijd al, maar nog ongezien: ‘De wereld is veel mooier dan we weten en beseffen.’
Manders is blij dat hij met zijn kijk op de dingen deel kan uitmaken van de maatschappij: ‘Ik ben niet gek.’
Heb je daar zelf wel eens aan getwijfeld?
‘Nee. Nooit.’ En anderen? ‘Ook niet. Ik sta juist bekend om mijn nuchterheid.’

Aan Manders’ hand, rondgeleid langs de werkplekken die zijn fabriek herbergt – een kleikamer (waar onder meer de zangeres Madonna, oren en anatomische tekeningen de wanden sieren), een tekenkamer, een wandelgang (met half afgemaakte gedachten op papier, opgehangen aan knijpertjes), een opslagplaats voor spullen, een enorme objectenruimte, het kamertje waarvandaan de opzichter vroeger de werkvloer overzag – wordt langzaam iets duidelijk van de bron waaraan zijn werk ontspruit. Beetje bij beetje verschijnt er een andere wereld.
Een wereld waarin het niet raar is als iemand zegt dat de nacht altijd aan dezelfde kant een schoen binnenkruipt, wat vervolgens reden is om een schoen ook een andere ingang te geven. Waar Manders’ vader, meubelmaker, nieuwe stoelen aflevert waarna zijn zoon de bovenkant doormidden zaagt om de ontstane opening vol te stoppen met klei. Waar kranten gedrukt worden die in willekeurige volgorde volstaan met alle Engelse woorden die bestaan, wat koppen als Hypabyssally controllably en Reflexology gluttonous tot gevolg heeft. ‘Elk woord wordt één keer gebruikt. Als ze op zijn is dat ook het einde van deze krantenserie.’ Zijn eigen uitgeverij, Roma Publications, maakt de kranten.

Niemand heeft hem ooit gevraagd, zegt Manders, om zijn werk uit te leggen. Te verklaren wat die suikerzakken daar doen, waarom er juist potloden op een rijtje moeten liggen, hoe een vorm is ontstaan: ‘Ik heb gewoon een schoen doormidden gezaagd en daar drie kamers aan gebouwd.’ Gewoon. Zijn zelfportret is ook geen autobiografie, zegt Manders. Daarom zul je bijvoorbeeld nergens terugzien dat hij de trotse vader is geworden van een zoontje. Niet Manders’ persoonlijke leven staat aan de basis van zijn werk, maar een fictieve Mark Manders. ‘Die doet dingen die ik zelf nooit zou doen.’
Zoals? Manders tilt een matras uit een bedframe: ‘Dit.’ In de onderkant van het matras heeft hij uitsparingen gemaakt en daarin schoenen, sokken, een trui en andere kledingstukken gepropt. ‘Mijn lenzen komen hier nog. Dan is het af.’

In het dikke boek De afwezigheid van Mark Manders worden in beeld en citaten glimpen zichtbaar van hoe hij de dingen kennelijk ziet. Je stuit bijvoorbeeld op een foto van een soort tafel met daaromheen een buisvormige constructie en twee ratachtige beesten. De titel is Machine Constructed to Provide Persistent Absence (Reduced to 88%). En je leest Manders’ tekst erover: ‘Het is moeilijk om iets over dit beeld te zeggen, ik heb er zo’n zeven jaar aan gewerkt. Uiteindelijk zijn het allemaal metalen die steeds in andere woorden veranderen. Van ijzeren kraan naar ijzeren waterstraal naar een ijzeren projector, enzovoort. Het is een opsomming van woorden. Ze lijkt in haar syntaxis een ontsnappingsmachine die schijnbaar wordt voortgeduwd door twee gestileerde honden. Het geheel is een groot ijzeren lichaam waarin op verschillende manieren beweging wordt gesuggereerd, maar dat tegelijkertijd als een log meubelstuk voortdurend op zijn plaats blijft.’
Manders denkt dat hij op z’n zesde een belangrijke, bepalende ervaring heeft gehad: ‘Ik had vliegtuigjes gemaakt van lucifers en een mandje van touw. Dat lag voor me en toen kreeg ik een diep besef dat die voorwerpen bestonden doordat ik daarvoor had gezorgd. Magisch vond ik het, dat ik iets nieuws in de wereld had gezet. Sindsdien wilde ik uitvinder worden.’ In de loop van de jaren veranderde dat in schrijver: ‘En dan zou ik altijd aan één boek werken, een boek over een plattegrond en negen kamers, iets waar ik de rest van mijn leven over kon nadenken.’ Maar Manders raakte onderweg gefascineerd door de manier waarop spullen zich tot elkaar verhouden en zich verplaatsen. Meer nog dan door hoe woorden dat doen. ‘Ik heb gedichten geschreven. Ongelooflijk vond ik het, de hoeveelheid mogelijkheden die je hebt nadat je “de” hebt getypt. Stel, je schrijft daarna “tafel”, dan verschuift de hele boel een andere richting uit. Met “valt” gebeurt dat opnieuw. Ik houd ervan om elk woord zo’n zwaarte te geven, alsof je met een grote machine werkt die je steeds een andere kant op schuift.’
Tja. En dan? Voor Manders is het een steeds een logisch gevolg van het ander. Maar de binnenkant van zijn hoofd kent alleen hij. Het lijkt zinniger niet te proberen alles te begrijpen.
Openstaan voor de wereld zoals Manders die ziet en aan ons presenteert is al een flinke klus. Maar vervolgens kan zijn werk onder je huid kruipen, en dan dus mee naar buiten gaan waar de wereld zoals ze eerst was een beetje mee verandert. Rechtvaardigt die gewaarwording de moeite van alle betrokkenen? Maker, ontvanger, de dingen?
Kunst, de beelden die hij maakt, is Manders’ best passende taal, zo heeft hij ervaren. ‘Ik zie ze overal ontstaan’, zegt hij, terwijl we in onze jas in de onverwarmde grote fabriekshal staan, omringd door divers werk in verschillende stadia. Waar dan? ‘Hier bijvoorbeeld.’ Drie pennen op een rijtje op de grond. Ik durf geen stap meer te zetten, bang dat ik met lompe voeten op niet als dusdanig herkende kunst in aanbouw sta. ‘Geeft niet. Als dat gebeurt leg ik het wel weer terug. Ik blijf toch zien wat er lag.’

Mark Manders, The Absence of Mark Manders. SMAK, Gent, 13 december tot 22 februari. www.markmanders.org, www.smak.be, www.romapublications.org