Een gezin loopt door een vernielde woonwijk in Boetsja, 14 juni © Dominika Zarzycka / NurPhoto / Shutterstock / ANP

De Russen trokken zich terug uit Boetsja op de laatste dag van maart. Nog geen week later kreeg nagelspecialiste Katja Potap-tsjoek een bericht van een vriendin: ‘En, zijn jullie al onderweg naar huis?’

De burgemeester van Boetsja had ingeschat dat de voorstad van Kiev halverwege april alweer ‘langzaam zou terugkeren naar het normale leven’. Op advies van psychologen werden de sporen van de een maand durende Russische aanwezigheid zo snel mogelijk gewist. ‘Zodat de inwoners een stap terug kunnen doen van de horror’, legt gemeenteraadslid Taras Sjapravskij uit. Met de granaatscherven zou ook het trauma gedeeltelijk worden weggeveegd.

Zou het echt zo werken? Als een buitenaards wezen zich nu van noord naar zuid door Boetsja zou verplaatsen, zou het inderdaad moeite hebben om te reconstrueren wat er zich onlangs nog heeft afgespeeld. De tientallen lichamen die verspreid lagen over de straten, achtertuinen en kelders zijn opgehaald. De karkassen van uitgebrande voertuigen weggetakeld. De elektra en watertoevoer zijn hersteld, wegen en trottoirs opnieuw gelegd. Hier en daar kraken er nog wat stukjes glas en metaal onder de voeten en veel winkels zijn nog gesloten. Maar het plaatje van voorstedelijk geluk schijnt steeds sterker door.

De lente helpt mee: het groen verbergt de brandschade aan woningen die geraakt zijn door raketten. En wie niet bekend is met de geur van cordiet, zal waarschijnlijk eerder de kersenbloesem ruiken die overal in bloei staat.

Ongeveer de helft van Boetsja’s veertigduizend inwoners is weer terug. Hun tuinpoorten zijn weer gewone tuinpoorten en niet meer beklad met woorden als ‘Kinderen’, ‘Mensen’ en ‘Gewone burgers’. In het Boetsja van vandaag hoeft niemand zijn bestaan meer te verdedigen. Het buitenaardse wezen treft een stad die zich volop stort op iets wat het ‘de toekomst’ noemt. Maar als het de inwoners van Boetsja spreekt, en lang genoeg blijft hangen, wordt zichtbaar welke kraters niet met vers asfalt en een pletwals kunnen worden bedekt.

Stationsstraat, ten noorden van het spoor

De Russen die eind februari hun opwachting maakten op de Stationsstraat, na het vliegveld in Hostomel te hebben ingenomen, waren zo schietgraag dat ze een oorlogsmonument voor Afghanistan-veteranen in de vorm van een pantserwagen onder vuur namen – en de apotheek en huizen erachter ook.

De flat waar Katja (23) al haar hele leven met haar ouders en twee jongere broertjes woont, lag opeens in de frontlinie. Ze vluchtten naar het huis van haar oom aan de rand van Boetsja, grenzend aan een moeras en een bos. Daar zou niemand ze vinden, dachten ze. Toen de Russen toch aan de deur kwamen, zat Katja met haar broers in de kelder. Ze verwachtten schoten en vreesden voor de veiligheid van haar oom, die de deur opendeed.

Het liep anders. Een van de soldaten vroeg beleefd of hij het huis mocht doorzoeken en excuseerde zich tot tweemaal toe voor zijn vieze laarzen: ‘Kijk ’ns wat een zooitje ik ervan maak!’ Een ander sloeg een arm om haar oma: ‘Maakt u zich geen zorgen, alles komt goed. We zullen u niet beledigen.’ Ze gaven het advies om niet te proberen te vluchten: ‘De mensen die dat wel doen worden beschoten. Blijft u maar beter stilletjes thuis zitten.’

Dat advies sloeg Katja’s familie een paar weken later in de wind nadat de Russen vlak naast het huis een hoofdkwartier hadden opgericht. Ze roken gevaar. Maar wie, zoals zij, wekenlang ondergedoken zat, zonder mobiele verbinding, water of elektra, kon zich nauwelijks een echte voorstelling maken van wat die dreiging inhield.

Pas tijdens de reis weg uit Boetsja konden de duizenden die vluchtten, de meesten via humanitaire corridors, om zich heen kijken. In alle hectiek waren de indrukken die ze vormden vluchtig en verward. Vanachter het busraam op de reis weg uit Boetsja zag Katja’s moeder een lijk aan de kant van de weg. Ze vertelde het aan niemand.

Ook een buurvrouw zag vanaf de achterbank van een auto meerdere onbeweeglijke gedaantes liggen. Maar eer ze het kon laten bezinken, was ze al aangekomen bij het laatste Russische checkpoint voordat ze door Oekraïne gecontroleerd gebied zouden bereiken. Een Russische soldaat gluurde naar binnen door de kier van het raam en smeekte haar: ‘Mevrouw, doet u toch een muts op. Straks vat u nog kou!’

Toen begin april de beelden van Boetsja naar buiten kwamen en de wereld een misselijkmakend afgrijzen bezorgden, waren veel gevluchte bewoners van Boetsja in shock. Ze zagen de stad die ze door en door kenden, maar herkenden het niet. Ze lazen de berichten over gruwelijke moorden en martelingen, maar konden die nauwelijks geloven.

Boetsja is echter te klein om te kunnen wegkijken; iedereen lijkt wel één handdruk verwijderd van de dood. Een kennis van Katja’s vader werd dood in een kelder aangetroffen. De oom en tante van een vriendin werden tijdens een vluchtpoging in een auto doorzeefd met kogels. De man van een van haar klanten, bejaard en een diabetespatiënt, was uit hun huis gesleurd en gevangen gehouden in een kelder, samen met zeven anderen. Een van hen is nog steeds vermist.

Maar pas nadat ze was teruggekeerd naar Boetsja en in de flat stond van haar tante, volledig vernield door een raket, drong de schaal van de verschrikking tot haar door. ‘Als je het niet ziet, is het net alsof het niet bestaat.’

Dat is niet helemaal waar. Soms ziet ze ook dingen die er niet zijn. Een wandeling door Boetsja kan zomaar een opsomming van lugubere feiten worden: op deze hoek stond die auto vol met lijken. Op die straathoek werd die en die gefusilleerd. Daar sloeg een raket in.

De eerste twee dagen terug in Boetsja werd ze gegrepen door een verlammende, dierlijke, angst. Daarna werd Boetsja weer thuis; de plek waar haar theemok stond, en ook een plek die opriep tot actie. De schimmel in de koelkast zou nu eenmaal niet vanzelf verdwijnen.

Ze ergert zich aan de uitsluitend tragische toon waarop er over haar stad wordt gesproken. ‘De mensen die zeiden dat het gedaan is met Boetsja hebben geen gelijk. Elke dag hoor je de rolkoffers op de straatstenen van mensen die terugkomen.’ Als Jehova’s getuige gelooft ze dat God het kwaad zal wegnemen en al het gedane kwaad zal terugdraaien. Dat geeft haar houvast.

Het mortuarium, centrum

Buiten de deuren van het centraal gelegen mortuarium klinkt een sober lied. Twee vrouwen in hoofddoeken en een pope staan rond een kist. ‘Ze was jong, 41. Overleden aan kanker’, vertelt de verkoopster van rouwkransen. De terugkeer van reguliere begrafenissen is een welkome stap richting de normaliteit. Tijdens de bezetting was het mortuarium niet in gebruik – te gevaarlijk. Daarna was het er een en al drukte.

Een derde van de geschatte twaalfhonderd burgerdoden in de hele regio van Kiev kwam voor rekening van Boetsja. Daarvan waren volgens de Oekraïense autoriteiten vijftig mensen, voornamelijk mannen, geëxecuteerd. Amnesty International erkent vooralsnog 22 gevallen.

Een gezin wandelt in een woonwijk die op 14 juni 2022 is getroffen door een bombardement in Boetsja, Oekraïne. 14 juni 2022 © Dominika Zarzycka / NurPhoto / Shutterstock / ANP

Wie voorbij het mortuarium liep kon ze buiten de witte tenten zien zitten: de gebogen ruggen van familie en vrienden van vermisten, wachtend om een enquête in te vullen of dna af te staan. Meters verderop sleepten vrijwilligers elke dag weer nieuwe lijkzakken uit gekoelde vrachtwagens voor forensisch onderzoek.

Inmiddels staan alleen de vrachtwagens er nog, met hun zoemende ventilatoren. Het menselijk drama is naar binnen verplaatst, naar het gemeentehuis, op vijf minuten lopen.

Galina Vezjitsjanin, halflang blond haar en een vriendelijk gezicht, werkte voor de oorlog in de lokale gemeenteraad. Nu vormt ze de schakel tussen leven en dood. De levenden komen zelf naar haar toe met hun smeekbeden. De doden zoekt Galina op in een database die wordt aangeleverd door een internationaal forensisch team. Soms is een lijk zo toegetakeld dat alleen een dna-test uitsluitsel kan geven. Maar vaak lukt het haar een match te vinden op basis van foto’s. Aan de beelden van losgescheurde lichaamsdelen en verminkte lichamen kun je wennen, verzekert ze. Die van de ‘orks’, zoals ze de Russische soldaten noemt, laten haar naar eigen zeggen zelfs volledig koud. (Later zal ze vertellen dat van haar Russische familieleden sinds het begin van de oorlog nog niemand contact had gezocht om na te gaan of zij nog leefde.)

Maar over de verhalen van de mensen die haar opzoeken, daarvan zegt ze dat ze niet weet hoe de menselijke ziel zoveel pijn kan verdragen. Neem de vrouw die samen met haar man en vijfjarige zoon dekking zocht in hun garage toen er een granaat insloeg. ‘Zij kwam er met verwondingen vanaf, maar haar man en vijf jaar oude zoon overleefden het niet, snapt u? En nu probeert zij de overblijfselen van hun lichamen bij elkaar te sprokkelen, snapt u? Zij en haar man deden er twaalf jaar over om een kind te krijgen. En nu dit. Snapt u?’ Zelf lijkt ze het op geen enkele manier te snappen.

‘De bloedige gebeurtenissen moeten natuurlijk worden herdacht. Maar we hebben het recht niet om alleen in het verleden te blijven leven’

Of de moeder die op zoek is naar haar zoon die tijdens een vluchtpoging begin maart werd onderschept door de Russen. Zijn documenten zijn in een kelder gevonden, het lichaam dat zij ooit baarde is zoek. Een dna-test met de resten in Galina’s database gaf geen match, en dus is er nog hoop dat hij leeft.

‘Maar meestal kunnen mensen alleen maar huilen, en ik huil met ze mee. Tegen sommigen zeg ik dat er hier op aarde een plek voor ze is, dat ze nodig zijn. Dat ze verder moeten leven in naam van degene die ze hebben verloren; een leven dat nóg beter, nóg mooier, nóg uitgesprokener is dan het leven dat ze vroeger leidde. Ik vertel hun: “U bent het hun verplicht om gelukkig te zijn.” Vindt u het erg als ik u omhels?’ Het is een omhelzing die snakt naar troost.

Dan vertelt ze over de versgebakken appelbroodjes die ze na schooltijd vroeger kocht met haar kleinkinderen bij de bakker in Boetsja. De kinderen komen waarschijnlijk na de zomer weer terug. De bakker is al open.

Tarasivskastraat, vlak achter het spoor

Degenen die al in april naar Boetsja terugkwamen omschrijven de stad die ze aantroffen als een apocalyps of de hel op aarde, en de mensen die achterbleven als zombies met grijze gezichten van een leven zonder stromend water. Serhiy Monko (45), manager bij een Oekraïens brandstoffenbedrijf, houdt het simpel: Boetsja was ‘dood’. Zijn flat was koud en stonk als een ‘crypte’.

De Russen hadden de muur naast zijn voordeur ingeslagen met een mokerhamer en er vervolgens vermoedelijk een tijdlang een kamp opgezet. Hij laat het filmpje zien dat hij binnen maakte; brokstukken puin verstrooid over de gang met de persoonlijke bezittingen van zijn gezin. De drankkast was geplunderd. De Xbox-spelcomputer van zijn zesjarige zoon en het ondergoed van zijn vrouw waren weg, en ook de accordeon van zijn dochter. De piano waar het meisje op oefende stond er nog wel, met uitgestald op de klep de vele prijzen die ze had gewonnen in verschillende concoursen. Maar als trotse vader viel het hem op dat ze niet in de juiste volgorde stonden.

Sappeurs die onder de pianoklep keken, vonden daar, onder de hamers van de pianotoetsen, een vog-25p-fragmentatiegranaat, die vanuit een automatisch geweer afgevuurd kan worden op doelen tot vierhonderd meter ver weg.

Het is een monsterlijk verhaal dat het geloof tart, maar het past binnen het plaatje dat wordt geschetst door de Oekraïense autoriteiten van de Russen die boobytraps zouden hebben achtergelaten in wasmachines en zelfs in lijken.

Voor Serhiy kon Vladimir Poetins ‘speciale operatie’ niet nog persoonlijker worden. Hij ziet de granaat als bewijs dat de Russen zijn cultuur, zijn gezin en zijn dochter willen vernietigen in een oorlog zonder regels of fatsoen. ‘In Boetsja is de doos van Pandora opengetrokken.’

Ook over zijn gebouw hangt de dood. Van de circa driehonderd bewoners van het appartementencomplex waren er maar zeven die niet vluchtten. Een daarvan stierf aan het front. De ander is Serhiys buurman, die door de Russen werd neergeschoten omdat hij de pech had buiten op een bankje te zitten toen ze met tanks de binnenplaats op reden. De vijf resterende bewoners, veelal oud en invalide, werden door de Russen opgedragen hem te laten liggen rotten.

Tijdens Serhiys eerste bezoek aan Boetsja hield hij het maar vier dagen uit. Een vijfde nacht en hij was gek geworden, zegt hij. Van wat hij had gezien kon hij een maand lang niet slapen. Maar toen kwam hij terug om te renoveren. Hij wilde dat, op het moment waarop zijn vrouw en dochter weer zouden terugkeren voor het nieuwe schooljaar vanuit Midden-Oekraïne, het er precies zo zou uitzien als voor de opmars van de Russen.

De grote supermarkt om de hoek is kapotgeschoten, buiten naast de speelplaats ligt nog wat puin, en in de gang voor de deur staat nog wat bouwmateriaal. Maar het appartement glimt, alles is heel en staat weer op de juiste plek. Alsof er niets is gebeurd.

Stationsstraat, ten zuiden van het spoor

De Russische ambitie om Kiev als een trofee binnen te slepen kwam eind februari al op ruwe wijze tot stilstand buiten de poort van Anna en Grigory, een echtpaar van in de tachtig. Het plan was om met een colonne militaire voertuigen via het naastgelegen Irpin de hoofdstad binnen te rollen. Maar Oekraïense drones waren ze voor.

Met drukke handgebaren vertelt Anna over de inferno die ze vanuit hun huis achter het groene hek over zich heen kregen. De explosies die zo hard waren dat het glas uit de ramen en de buffetkast spatte en scheuren veroorzaakten die zich langs de muren en het plafond manifesteerden als dikke aders. En de rook; dikke pluimen rook die de wereld zwart kleurden, net als haar witte gordijnen.

Het huis, waar ze al bijna vijftig jaar wonen, bleef op miraculeuze wijze overeind, terwijl hun straat achterbleef als de rokende asbak van een oorlog die voor alle partijen verderf brengt.

Het was buiten hun poort dat een zichtbaar aangeslagen president Volodimir Zelenski tijdens zijn eerste bezoek aan Boetsja het woord ‘genocide’ in de mond nam. ‘Het is moeilijk om met de Russen te blijven praten, heel moeilijk, als je ziet wat ze hier hebben uitgespookt’, zei hij tegen journalisten.

Van alle straten in Boetsja spreekt het zuidelijke deel van de Stationsstraat nog misschien wel het meest de taal van de oorlog. Een tank wegtakelen is één ding, een geruïneerd huis herbouwen iets anders. In Boetsja zijn zo’n vijfhonderd huizen en flats met de grond gelijk gemaakt.

Maar wat Anna en haar man betreft is het een ‘paradijs’ vergeleken met een maand geleden. Het stel behoort tot de circa vierduizend inwoners die de hele bezetting in Boetsja uitzaten, zonder water, elektra of mobiele verbinding.

Het was al bijna donker toen drie Russische soldaten het huis binnendrongen. ‘Ik was alleen thuis en ik was ziek’, vertelt Grigory. Zijn vrouw onderbreekt hem, zoals wel vaker, haar ogen groot en haar stem geagiteerd alsof ze een eng sprookje vertelt. ‘Stel je het plaatje even voor: de ramen waren kapotgeschoten, en buiten was het min tien. Daar lag hij op bed, bevroren, volledig gekleed in een muts en een schapenvacht. Een enge oude man. Waarschijnlijk waren die soldaten te bang om hem dood te schieten!’ Ze grinniken trots.

Wat er had kunnen gebeuren wisten ze maar al te goed. Tijdens een wandeling langs de Appelboomstraat om de hoek had Grigory twaalf lijken geteld (de eerste journalisten die de stad in april bezochten telden er twintig.) ‘Weet u, ik was vijf toen de Duitsers bij ons waren, dus dit is niet geheel onbekend terrein voor me. Als zij een huis binnenvielen, dan was dat met de vraag: ‘Koerka, jaiki, mleko e?’ Hebben jullie kip, eieren en melk? Voor de rest lieten ze je met rust. Dat was tenminste simpel. Dit is hele andere koek.’

‘Wat er ook gebeurt’, herpakt zijn vrouw de draad, ‘wij blijven hier. En hij, die man, krijgt geen centimeter van ons land.’

Sinds twee weken hebben ze weer ramen, een cadeau van Zelenski. Ze zijn hem dankbaar, maar ze voelen zich ook ongemakkelijk om als enige huis in het rijtje nog ramen te hebben. Vanaf de straat is de uitbundige vlinderstruik die in hun tuin groeit nog boven de poort te zien. Een ode aan de overlevingskracht in een levenloze straat.

Iets verderop, op de hoek van de Appelboomstraat waar Grigory wandelde, ligt op de grond een in vieren gevouwen sjaal met daarop een boeket vers geplukte bloemen. Het markeert de plek waar Oleh Abramov, een veertigjarige lasser, zijn huis uit werd gesleurd, op zijn knieën werd gedwongen en vervolgens werd doodgeschoten.

Een al net zo cryptisch gedenkteken is te vinden bij de lokale St. Andrieskerk met zijn gouden koepels. Een groot kruis met een afbeelding van de maagd Maria herinnert aan de greppel waar na de bezetting zo’n driehonderd lichamen werden aangetroffen en die nu bedekt is met lichtbruine aarde.

Volgens gemeenteraadslid Taras Sjapravskij wordt er voorzichtig nagedacht over een herdenkingscomplex zodat ‘de lessen uit het verleden’ niet verloren zullen gaan. Een rijke Oekraïense zakenman zou zich al hebben opgeworpen om het te financieren. Maar het liefst heeft hij dat men binnen een paar jaar de naam ‘Boetsja’ niet meer zal associëren met oorlogsmisdaden, maar met prestaties in de sport en cultuur. ‘Natuurlijk moeten de slachtoffers en de bloedige gebeurtenissen worden herdacht. Maar we hebben het recht niet om alleen in het verleden te blijven leven.’

Het buitenaards wezen zou kunnen concluderen dat Boetsja te snel de pagina probeert om te slaan en dat die herculische taak misschien ook nog wel gedoemd is te falen. Welke nieuwe verschrikkingen er ook naar buiten zullen komen, het is Boetsja dat waarschijnlijk de geschiedenis in zal gaan als symbool van ongebreidelde wreedheid. En de alledaagse scènes onderstrepen misschien alleen maar hoe abnormaal en onnodig het is wat zich er heeft afgespeeld.

Maar het verlangen te vergeten om te kunnen blijven leven – er is geen mens die dat niet kan begrijpen.