Popmuziek

Een synthetisch klankschap

Popmuziek: Easy Aloha’s

«Als er op televisie een brief of website wordt getoond met Arabische letters, dan weet je dat het over al-Qaeda gaat. Misschien staat er wel een verhaaltje over een verdrietige vlinder die weer rups wil zijn.»

In de vriendelijke, lievige wereld van de Easy Aloha’s bestaat de boze buitenwereld wel, maar op afstand. De schrijvende deejays Bas Albers (1968) en Gerard Janssen (1967) werden halverwege de jaren negentig beroemd met hun «Easy Tune»-avonden. «Soul, latin, easy listening, doowop en blues waar je op kunt jiven. Romantische zwarte muziek met een zwoele latin feel» – dat is de muziek die de Easy Aloha’s willen redden uit de wurggreep van de goede-smaak-gestapo. Met platenkoffers vol amusementsmuziek («zo ‹fout› als fout in de oorlog») vloog het duo de hele wereld over.

Vorige week verscheen hun nieuwe cd en een verzameling columns die men voor Vrij Nederland schreef. De onderwerpen variëren van Patty Brard en Madonna tot al-Qaeda en de wiskundige G.H. Hardy. Niet alle gekozen columns ontstijgen de actualiteit waarin ze werden geschreven, maar geestig zijn ze vrijwel zonder uitzondering. De meerwaarde van het boek: de kleine galerij van «foute» musici, een voor deze gelegenheid geschreven essay en een mini-cd met vier nummers. Hiervoor vragen Albers en Janssen zich af hoe je muziek maakt die als sashimi klinkt.

De bondige, biografische stukjes bevatten de belangrijkste kwaliteit van muziekschrijverij: ze maken nieuwsgierig naar de muziek. Synthesizerpioniers Gershon Kingsley en Robert Moog, maar ook James Last, Herb Alpert, Bert Kaempfert en Heino worden zo liefdevol beschreven dat je direct naar een rommelmarkt wilt lopen om voor een euro per stuk wat achterstallige klassiekers op elpee te bemachtigen.

In het levensverhaal van Cat Stevens, de weeë jaren-zeventig-singer-songwriter die moslim werd, klinkt zelfs even wat actuele wereldproblematiek door. Een pareltje is het portret van de geniale Mexicaanse bandleider Juan Garcia Esquivel (1918-2002), die door Albers en Jansen op zijn oude dag werd opgezocht in Jiutepec, Mexico. Esquivel is onder liefhebbers wereldberoemd vanwege zijn razend knappe, totaal gestoorde composities, afkomstig uit de schemerzone tussen jazz, latin en Zuid-Amerikaanse folklore.

De twee deejays behalen een ruime voorsprong op het hermetische jargon van de gemiddelde popjournalist. Vooral met het essay, een beginselverklaring tegen iedere vorm van snobisme, een swingend pleidooi voor het welgemikte cliché, voor effectbejag, voor gebruiksmuziek, zelfs voor muzak, de meest beschimpte vorm van georganiseerd geluid. Consequent verhangen Albers en Janssen de bordjes: James Last is een genie en een virtuoze solo door een jazzdrummer is eng. Daarmee hebben ze niet automatisch gelijk (zo moet het voor ieder mens een psychose veroorzakende marteling zijn om verplicht veertig uur per week in een omgeving van professioneel gefabriceerde muzak te moeten werken) – maar verfrissend is het wel. Men komt op de proppen met idiote weetjes, zoals Polyphonic HMI, een bedrijf in Barcelona dat wiskundige analyses maakt van hitsongs. Er zijn enige hilarische _«on the road»-_avonturen, plus een kleine geschiedenis van de Easy Tune-beweging, die door Albers en Janssen met veel zelfspot wordt teruggebracht tot een kortstondige mediahype. In de toenmalige Roxy liepen meer journalisten lyrisch het nieuwe fenomeen te beschrijven dan dat er mensen stonden te dansen.

Na het boek ligt de vraag voor de hand: hoe klinkt hun eigen muziek? Albers en Janssen zijn allebei officieel ongeschoold, dus nam men een computer gevuld met Cubase SX software, plus een telefoonboekje met wat goeie instrumentalisten. Het resultaat Cashmere Cat klinkt als slenteren door het eindeloos uitdijende, hyperrealistische decor dat Schiphol heet. De ontluisterende sensatie die je daar kan overvallen als ineens alles om je heen verandert in een surrealistische droom. Het is ongrijpbaar ijl en lichtzinnig, maar ook wel grappig en zeker niet onaangenaam. Het is omgevingsmuziek (oftewel: muzak) die geen gewichtige recensentenhouding veronderstelt – wat dat overigens ook moge zijn. De _Oor-_recensent kwam er serieus niet uit en vroeg zich vertwijfeld af of alle vrijblijvende balorigheid nu juist de kracht van het duo is.

Het kabbelt meer dan het beklijft, maar er zijn mooie momenten: de zwoele baslijn van Mmm aha of de steeds over zichzelf struikelende drumroffel in Matthew oochi. Het eenvoudige effect van Easy (twee gitaarakkoorden met een volvette toef exotica in Beatles-stijl) klinkt als lesmateriaal voor de rockacademie, college songwriting in vintage sixties-stijl. Pas als New Cool Collective-leden Benjamin Herman (altsax, dwarsfluit) en David Kweksilber (klarinet) een partijtje meeblazen wordt dit synthetische klankschap ineens opengebroken. Vooral de diepe, arabeske toon van Kweksilber geeft de muziek de zo dringend gewenste menselijkheid. Cashmere Cat klinkt even comfortabel als het boek leest. Toch blijft de indruk hangen dat Albers en Janssen er goed aan doen vooral door te gaan met schrijven.

Easy Aloha’s_Cashmere Cat_(Dox Records/Coast to Coast)Zeepaardje met een hoed op: De Easy Aloha’s over mooi en lelijk en zoNieuw Amsterdam, € 14,95