Media

Een taart voor een lijk

Vorige week vrijdag vertelde een politieman op Radio 1 dat het bij de politie de gewoonte is op taart te trakteren als je met een lijk wordt geconfronteerd. Het is een opmerkelijk verhaal waarover ik diezelfde dag meer probeerde te achterhalen. Het meeste wat ik vond bestond uit berichten van anderen die net zoals ik naar meer informatie zochten. Alleen al hierdoor was het bericht een feit geworden, dat wil zeggen lijk en taart werden zo vaak in één adem genoemd dat het verband op z'n minst een feit leek. Het is een verschijnsel zo oud als de wereld - geruchten of fabels die alleen al door de veelvuldige vermelding feiten worden. Dankzij internet is slechts verandering gekomen in snelheid en duur van dit verschijnsel. Wat voorheen minstens enkele dagen duurde, kan nu in enkele minuten gebeuren. En wat tot op heden verdween als de fantasten en goedgelovigen verdwenen, blijft op internet tot in de eeuwigheid bewaard.
Maar dit is nog niet het meest interessante aan de anekdote van de taart en het lijk. Dat is dat het naar een maatschappelijk mechanisme verwijst waarin media een sleutelrol spelen. Aanleiding voor de vermelding van ‘het feit’ was een congres over de opvang van politie, brandweer en ambulancepersoneel. Volgens de geïnterviewde politieman heerste bij genoemde korpsen een machocultuur. De taart getuigt daarvan. In plaats van een ingrijpende ervaring te koesteren en te verwerken, hadden politie- en andere mannen de neiging zo'n ervaring weg te schuiven. Lachen. Stoer doen. Taart. Ik waag het een dergelijke uitleg, waar of niet, te betwijfelen. Zo'n taart hoeft namelijk in het geheel niet op machismo te wijzen. Hij kan ook een ritueel zijn, simpelweg een manier om een belangrijk moment een plaats te geven. Tegelijk durf ik het te betwijfelen of zo'n manier zoveel slechter is dan de bepleite van rouw en therapie. Is die niet net zo goed een ritueel? Maakt therapie een pijnlijke ervaring werkelijk minder pijnlijk? Ja zeggen wij tegenwoordig. Maar waarom zeggen we dat? Omdat het zo is of omdat 'iedereen’ het zegt? En wie is dan die iedereen?
Tot ruim in de jaren zestig bestond veelal de gewoonte bij ingrijpende ervaringen de rug te rechten. Dat had vele nadelen. Wat dat betreft zijn we goed op de hoogte als het om degenen gaat die deze dagen uitvoerig in de schijnwerper staan: oorlogsslachtoffers. Het gebrek aan aandacht voor hun leed leidde in de eerste 25 jaar na de oorlog tot tal van drama’s - zwijgen, verbergen, slapeloze nachten, fysieke klachten. Vanaf ongeveer 1970 veranderde dat, werd het leed bespreekbaar en kwamen er voorzieningen. Aanvankelijk leek deze omslag louter voordelen te hebben. Maar halverwege de jaren tachtig rezen de twijfels. Een slachtofferrol bleek gunstig te zijn. Je kreeg aandacht, hulp, waardering. Gevolg hiervan was niet alleen dat slachtoffers niet snel de neiging hadden uit hun rol te kruipen, maar ook dat minder of nauwelijks getroffenen eveneens de neiging konden hebben zich als slachtoffer te presenteren. De eersten die in Nederland op dit kwalijk mechanisme wezen, waren psycholoog-filosoof Jaap van Heerden en jurist-journalist Arend Jan Heerma van Voss. Slachtofferschap, zo beweerden zij, werd net zo bezien als voorheen heldendom: een verdienste. Maar hoe kon een 'min’ (gebrek, beschadiging) nu als een 'plus’ gewaardeerd worden? Deed je dat, dan raakten alle sporen zoek. En inderdaad, zo gebeurde. Het voordeel bleek onverwachte nadelen te hebben, de slachtoffercultuur had net zo goed zijn keerzijde als de machocultuur. In de loop van de jaren negentig en later werd hierop door steeds meer critici gewezen. De cultuur veranderde echter niet of nauwelijks. Lijk en taart zijn anno 2010 nog steeds een anachronisme.
De redenen van de voortduring van de slachtoffercultuur hebben vooral met de opmars, groei en toenemende alomtegenwoordigheid van de media van doen. Zij bepalen in toenemende mate de feiten en de samenhang daartussen, de cultuur dus. Degenen die dat tot het laatste kwart van de twintigste eeuw hadden gedaan - intellectuelen, politici, maatschappelijke voortrekkers - werden steeds meer volgend. Die terreinwinst van de media uitte zich in groeiende aandacht voor dat wat hun core business is: drama, nieuws, opwinding, vertoon; de extremen van het bestaan, met beroemderiken aan de ene en slachtoffers aan de andere kant.
Elk beroep heeft minder plezierige kanten. Sommige beroepen, die van doodgraver of arts bijvoorbeeld, hebben daarvan een onevenredig groot deel. De ervaring leert echter dat er bij professionals gewoonlijk zoiets als dissociatie optreedt. Niet elke dode is voor een doodgraver een mens, niet elke dood voor een arts een persoonlijke ervaring. Dat is voor een gewone burger en voor de media bij monde van hen wellicht moeilijk te begrijpen, maar zo is het wel - en dat is maar goed ook. Ook politiemannen, militairen en andere hulpverleners hebben vaker met doden te maken dan de gemiddelde burger. Een taart is dan nog niet zo'n slecht symbool - en beter wellicht dan een psychiater.