Een tankwagenpiano

Women Composers door Tomoko Mukaiyama (piano), BVHaast 9406.
Je moet de piano laten zingen, luidde het stokpaardje van de romanticus Horowitz. De piano is een percussie-instrument, meende Bartok en hij veranderde de rol van het instrument voorgoed.

Waar de piano in harmonisch en melodisch opzicht zulke grote mogelijkheden biedt dat hele orkestpartijen erop tot klinken kunnen worden gebracht, is de klank veel problematischer. Alfred Brendel formuleerde het ooit als volgt: ‘Op zichzelf is het geluid van de piano niet vreselijk interessant of persoonlijk - bijvoorbeeld vergeleken met de menselijke stem of een strijkinstrument. Die directheid en zinnelijkheid ontbreekt. De piano wacht er altijd op in iets anders veranderd te worden. Hij mag naar alles klinken - een orkest, een stem - maar niet naar een piano.’
Met dit gegeven in het achterhoofd beluisterde ik de cd die de in Nederland wonende Japanse pianiste Tomoko Mukaiyama net heeft uitgebracht. Zij speelt vijf stukken van totaal verschillende componisten, maar een opmerkelijke overeenkomst is de sterk conceptuele benadering van de piano. In bijna alle gevallen is er sprake van de metamorfose waar Brendel op doelt in plaats van een puur pianogeluid.
Adriana Holszky gaat in Horfenster fur Franz Liszt, voltooid in 1987, wellicht het meest ver. In het eerste deel is de piano 'geprepareerd’ en daarmee veranderd in een blikkerige rammelkast. Afhankelijk van de noten klinkt er of een treurig getingel of een verbeten gezwoeg. In het tweede deel, dat veel vrolijker en uitbundiger van aard is, heeft Holszky het klavier aan beide kanten zelfs uitgebreid met trommels. Hier wordt de percussieve benadering haast letterlijk genomen, hoewel door de doffe klappen op de trommeltjes de piano opeens opvallend sprankelend uit de hoek komt.
Ook voor de Amerikaanse componiste Meredith Monk is de piano zelf ontoereikend. Haar Double Fiesta uit 1988 is in feite een liedje met pianobegeleiding. Tomoko Mukaiyama zingt een even vrolijk als breekbaar melodietje dat als basis voor stemimprovisaties dient. De piano legt een harmonische bodem in de vorm van repeterende gebroken akkoorden en imiteert nu en dan kleine uithalen in de stem.
Galina Oestvolskaja bewijst in haar Piano Sonata VI (1988) zonder hulpmiddelen toe te kunnen. Maar het geluid dat zij aan de piano ontlokt kan moeilijk traditioneel worden genoemd. De zware clusters die ze voorschrijft halen de diepste oerkrachten die in het instrument verborgen zitten boven. In de vorm van verpletterende akkoorden wordt de piano afgeranseld en moegebeukt; als een tankwagen die te zwaar is om tot stilstand te komen dendert de muziek voort. In dit monstrueuze geweld neemt een handjevol kleurrijke samenklanken opeens de gedaante van een bloem op een vuilnisbelt aan, maar in een mum van tijd wordt deze tedere gedachte ook weer de nek omgedraaid.
Ritme voert de boventoon in Vanessa Lanns Inner Piece. Vanuit een laag borrelende triller ontwikkelt zich op geraffineerde wijze een jazzy stuk, waarbij de grote vaart en energie de noten in een dwingende ritmische beweging stuwen. Verschillen in toonhoogte en kleur dienen hier louter om ritmische patronen te accentueren. Het piepkleine melodietje waarin het stuk tot rust komt, werkt dan ook als een volslagen verrassing.
Het minst uitgesproken - althans in de behandeling van de piano - is Sofia Goebaidoelina. In haar Piano Sonata uit 1965 komt een mengelmoes van pianistische effecten voor: een paar geprepareerde toetsen, ritmische patronen, felgekleurde melodische motieven, snel gerepeteerde noten en zwaar passagewerk dat (met behulp van het pedaal) in rommelende donderwolken verandert. Goebaidoelina trekt met andere woorden alle registers tegelijk open, wat resulteert in een afwisselend en kleurrijk stuk.
Tomoko Mukaiyama speelt deze veeleisende werken niet alleen op zeer hoog niveau maar ook met een aanstekelijke flair. Overigens heeft ze de cd Vrouwelijke componisten genoemd, maar over de muziek zegt dat net zo weinig als een cd die Mannelijke componisten had geheten.