Een tatoeage op het water

_schuim _

Een legioen van lippen maar geen tong

En achter duizend wimpers geen pupil.

‘Als ik niet hoef te leven blijf ik jong.’

_De tijd staat voor een spookverschijning stil. _

Nog één moment en dan verdwijnen ook

Mijn voorgeschiedenis en mijn archief.

De liefde en de vetes worden rook,

De snik en glimlach gaan op non-actief.

Gerrit Komrij, Boemerang en andere gedichten. € 19,90

Toen Gerrit Komrij in juli overleed, maakte dat een stroom aan lofzangen los. Literatoren vielen over elkaar heen om de nationale clown te prijzen om zijn moed en dwarsheid, zijn vermogen tot enthousiasmeren en zijn eigenzinnige stijl, maar bovenal om zijn warme persoonlijkheid. Hoe scherp en genadeloos hij op papier ook kon zijn, zelden was een kunstpaus zo genereus tegenover met name jonge talenten. Zijn grote bloemlezingen, maar ook zijn stukjes over gedichten in NRC Handelsblad hebben een enorme invloed gehad op de aanwezigheid van poëzie in de openbare ruimte. En niemand kon zo lang doordrinken als hij, en dan ook nog zonder vervelend te worden.

Maar Komrij was vóór alles dichter. Vanaf zijn debuut in 1968 legde hij zich, tegen alle trends in, toe op vormvaste gedichten die zich ondanks hun volstrekt toegankelijke idioom en zinsbouw niet eenvoudig gewonnen gaven. Komrij schrijft over liefde, verval en dood, over de onmogelijkheid de ander te leren kennen en bovenal over de innerlijke leegte van het ik, maar veel gedichten doen zich voor als koude taalconstructies. De dichter geeft zich zelden bloot, en waar dat heel even toch het geval lijkt te zijn, volgt er doorgaans een cynische grap. Het is, ook door de starre toepassing van rijm en jambisch ritme, de monomane poëzie van een in zichzelf opgesloten neuroot die alles in het werk stelt om het oncontroleerbare te controleren. Dat is een fascinerend gegeven, zeker gezien het feit dat Komrij in de omgang zo hartelijk was.

Boemerang en andere gedichten was nog niet helemaal afgerond toen de dichter stierf, en inderdaad vertoont het boek losse eindjes. Bij enkele gedichten worden varianten afgedrukt en een deel van de gedichten is nog niet in samenhangende reeksen ondergebracht. Dit neemt niet weg dat de bundel een passende afsluiting van een gedenkwaardig dichterschap behelst. Dat Komrij in zijn verbluffende productiviteit ook een heleboel slechte gedichten heeft geschreven, moeten we maar vergeten. Ook in deze bundel is niet alles even indrukwekkend, maar de reeksen ‘Binnenstebuiten’, ‘Morseseinen uit Il Vittoriale’ (over Gabriele d’Annunzio) en ‘Luchtdicht verpakt’ behoren tot het beste van wat Komrij de wereld heeft nagelaten.

Het centrale thema is, opnieuw, de fragmentatie van het ik, waarbij de onmogelijkheid tot authenticiteit tot diepe eenzaamheid leidt. Niet voor het eerst zien we op menig pagina afsplitsingen van Narcissus optreden, en een van de gedichten refereert expliciet aan de Portugese dichter Pessoa, die zijn persoonlijkheid in diverse ‘heteroniemen’ had opgedeeld. Hier wordt de spreker geconfronteerd met een oneindige vermenigvuldiging van spiegelbeelden, waarbij de ontzetting tot uitdrukking komt in de obsessieve herhaling van het woord ‘spiegel’:

Nu hij zijn spiegelbeeld gevonden heeft

Poseert hij voor de spiegel met z’n tweeën.

Gewoon uit plagerij. De spiegel beeft

En daar begint het al, de barensweeën.

De spiegel spuugt de spiegelbeelden uit,

Wel vier, wel vijf, wel zes, wel zeven, acht,

Een druiventros, een waterval die spuit –

Daar was hij met zijn vriend niet op bedacht.

Bij zoveel spiegelbeelden verdwijnt de gespiegelde spoorloos. ‘Waar is mijn ziel’, roept de dichter uit, ‘Waar is de mond die langzaam openging/ En waaruit bellen lucht en braaksel dreven?’ In de slotreeks moet de dichter, de man van duizend maskers maar zonder eigen gezicht, de kameleon, zichzelf uitwissen voordat hij onder de mensen kan komen:

De man van duizend kleuren zoekt contact

Met mensen en maatschappelijk rumoer

Nadat hij eerst zichzelf heeft uitgevlakt

Tot niks en niemendal. ‘Een heksentoer’.

In een van de meest navrante gedichten uit dezelfde afdeling zoekt de spreker naar gereedschap om iets voor de wereld te kunnen betekenen. Het roer moet om, ik moet stoppen met schrijven, ik ‘gooi mijn pen en inktpot in het vuur’. Maar het blijkt een onmogelijk besluit te zijn:

Ik heb geen pen. Geen roer. En tijd en later

Bestaan niet voor een hersenschim als ik.

Ik ben een tatoeage op het water

Die zelfs niets prijsgeeft aan de kennersblik.

Werd Narcissus tenminste nog verliefd op zijn spiegelbeeld, deze man slaagt er niet eens in contact met zichzelf te maken. Ik heb geen pen: het gedicht ontkent zijn eigen aanwezigheid.

Opmerkelijk is de frequentie waarmee in de bundel engelen opduiken. De eerste keer betreft het de Muze, die de dichter verlaten heeft en hem als ‘halve man’ achterlaat. Achtereenvolgens wordt ze een moeder, een Marokkaanse verpleegkundige, de verleidelijke doodsengel en de verpersoonlijking van eigenwaan en doodsdrift. In Ecce homo komt ook Christus voorbij, die hier misschien staat voor de geslaagde dichter:

Hij had zijn vrienden zwaar geamuseerd,

Ze allerlei bijzonders voorgetoverd,

Hij had ze bovenaardse trucs geleerd

En met ze het beloofde land heroverd –

Het mag niet baten, want straks ‘wandelen zijn vrienden vastberaden/ Het smalle pad naar Golgotha omhoog/ Met een pan olie om hem in te braden’.

De titel Boemerang roept het idee van de eeuwige terugkeer op, van de spiegel, de echo en de herhaling. De dichter is een Sisyphus. Mijn route, zegt hij, ‘is de jakobsladder’, maar de hemel zal hij er niet mee bereiken. ‘Ik ben er echt. En toch ben ik er niet’. Wie troost zoekt, kan deze bundel beter ongelezen laten.

Gerrit Komrij
Boemerang en andere gedichten
De Bezige Bij,
112 blz., € 19,90