Een tattoo van Jimi Hendrix

In de autobiografieën van de rocksterren Debbie Harry, Flea en Elton John draait het om een levenslange compensatie voor gemiste veiligheid. En om drugs.

Flea met zijn oma Muriel tijdens een optreden in 1993 © Privécollectie Flea

Zowel Elton John als Debbie Harry heeft genoeg avonturen beleefd om meerdere autobiografieën mee te vullen, maar wat nogal helpt in de selectie ervan, zijn de gebreken van het geheugen. ‘Geheugen, waar heb je de momenten gelaten? Echt, de eerste zeven jaren van Blondie leken krankzinnig. Totale waanzin. Maar ik denk steeds dat er ook goede tijden moeten zijn geweest. Het is of ik me altijd alleen de moeilijke periodes herinner. Ik kan me met geen mogelijkheid ook maar één grappige ervaring herinneren.’

Levendig en haast jaloersmakend zijn dan wel weer Harry’s beschrijvingen van de Lower East Side van New York in de jaren zestig: huurprijzen van een paar tientjes, en overal kunstenaars en dus kunst. ‘Het was de tijd waarin iedereen op zoek was naar de gouden kans en halverwege de jaren zestig speelden platenmaatschappijen hun eigen spel: ze hadden zoveel geld dat ze bands zomaar een huis gaven om in te wonen en muziek op te nemen, en geld om van te leven. Een soort beurzensysteem. En verkocht de muziek niet, nou ja, ook goed, dan hadden ze een excuus om een verliespost af te schrijven.’

Met dezelfde bijna achteloze nuchterheid vertelt ze ook over gebeurtenissen die veel indruk moeten hebben gemaakt, zoals wat bijna de vanzelfsprekendheid van seksueel geweld lijkt in de muziekwereld van die tijd. Huiveringwekkend is haar ervaring wanneer ze tevergeefs op een taxi wacht en uiteindelijk toch maar instapt bij een man in een wit autootje die haar een lift aanbiedt. Het is heel warm in de auto en de man heeft een doordringende lichaamsgeur, dus ze wil het raampje opendraaien. Dan komt ze erachter dat er geen raamhendel meer is, en ook geen portierhendel, noch een dashboard. Het is een volledig gestripte horrorauto. Ze weet uit de rijdende auto te springen door het portier van búiten te openen. Vijftien jaar later leest ze in het vliegtuig in een tijdschrift een verhaal over seriemoordenaar Ted Bundy, die net is geëxecuteerd. En ze weet: hij was het.

Haar rol als frontvrouw beschrijft ze trefzeker: ‘In die tijd was het een daad van transgressie om een artistieke, assertieve vrouw in meisjestenue te zijn. Ik speelde de rol van een heel vrouwelijke vrouw, terwijl ik voor een mannelijke rockband stond in een zeer macho wereld. Ik zei in de liedjes dingen die vrouwelijke zangers in die tijd nooit zeiden. Ik was niet onderdanig, ik gaf hem een schop onder zijn kont, schopte hem eruit, gaf mezelf ook een schop onder mijn kont. Mijn Blondie-personage was een opblaaspop met een donkere uitdagende, agressieve kant.’

Elton John met zijn oma Ivy © Privécollectie Elton John

Net als Elton John heeft Debbie Harry een ghostwriter ingeschakeld om haar verhaal te vertellen. Dat van Harry blijft lezen als de uitgewerkte banden van een aantal interviewsessies, inclusief talloze zinnen die beginnen met ‘nou’ en ‘zoals ik eerder vertelde’-achtige spreektaal. De ghostwriter van Elton John heeft oneindig veel beter werk geleverd. En wat meespeelt: Elton John heeft geen enkele moeite om zich een grappige ervaring te herinneren. Hij is de gedroomde verteller over een van zijn favoriete onderwerpen: zichzelf. Met een onweerstaanbare zelfspot en tegelijk een trefzekere zelfanalyse lijkt hij over alles te vertellen, ook zijn af en toe hilarisch overdadige spilzucht (‘als ik iets wil hebben, kan ik onmogelijk mijn geld in mijn zak houden’) en driftbuiten (over zijn ouders: ‘Ze waren allebei koppig en hadden een kort lontje, twee heerlijke karaktereigenschappen die ik tot mijn grote vreugde heb geërfd’).

Elton John vertelt in heerlijk onderkoelde, Brits ironische zinnen over zijn seksualiteit (‘Mijn libido besloot nogal onverwacht zich voor de eerste keer te manifesteren, als een nerveuze laatkomer op een feestje dat al tien jaar eerder had moeten beginnen’), maar kan ook feilloos uitleggen wat de aantrekkingskracht van rock-’n-roll was: ‘Wij tieners hadden het gevoel dat er eindelijk iets was wat helemaal voor ons was, wat exclusief tegen ons sprak, ons het gevoel gaf dat we anders waren dan onze ouders en dat we iets konden bereiken. Het is nauwelijks meer uit te leggen hoe vreselijk de oudere generatie het vond.’

Elton John plaatst zijn afscheidsbrief aan cocaïne integraal in zijn autobiografie

De manier waarop Flea, de bassist van de Red Hot Chili Peppers, een van zijn vele noodgedwongen baantjes op weg naar de roem (in dit geval in een dierenkliniek) beschrijft, had zo uit de koker van Elton John kunnen komen: ‘Een van mijn taken was het aftrekken van een hond terwijl een andere gast een doek met de geur van een tevenkut onder de neus van de reu hield. De hond kwam klaar in een buisje.’

Debbie Harry © Privécollectie Debbie Harry

In de rest van zijn levensverhaal formuleert Flea aanmerkelijk zwieriger. Soms wat overdadig, maar meestal meeslepend, net als zijn gretige nieuwsgierigheid in muzikale ontwikkelingen, die hij veel belangrijker vindt dan de codes van subculturen. Zijn bewondering voor kunstenaars is aanstekelijk, soms bijna aandoenlijk geromantiseerd, met de onvermijdelijke decepties tot gevolg, bijvoorbeeld wanneer hij een van zijn meest dierbare schrijvers ontmoet: Charles Bukowki. ‘Eén bepaald gedicht dat hij had geschreven, deed mijn hart smelten, een ode aan zijn kat, “The History of One Tough Motherfucker”. Ik moest huilen van dat gedicht, ik vertelde hem dat en hij ontving mijn lof genadig Waarop hij zei: “Dus je houdt van katten, waar hou je nog meer van?” Ik vertelde hem dat ik ook van basketbal hield, waarop hij sardonisch antwoordde: “Aaa, een stelletje zwarte kerels in stinkende schoenen die heen en weer rennen, heen en weer rennen, BLAAAAA”, en draaide zich toen om om met iemand anders te praten. Hij was van een andere wereld.’

Dat de energie van punk hem aanspreekt, is vanuit Flea’s karakter volledig te begrijpen, maar zijn lidmaatschap van de roemruchte punkband FEAR eindigt wanneer zijn tattoo van Jimi Hendrix racistisch commentaar ontlokt aan zijn medebandleden, ‘goeie mannen die er een jaag-de-bekrompen-mens-op-de-kast soort humor op nahielden. En ik was helemaal voor het op de kast jagen van kleinburgerlijke types. Maar als punkrock betekent dat je nooit sorry hoeft te zeggen, dan ben ik op de lange duur geen punkrocker.’

Flea jaagt vooral de vrijheid na die hij associeert met het artiestenleven, en de universele taal van muziek, die ‘spreekt voor mensen die anders geen stem zouden hebben’. Hij is acteur, maar vooral beroemd als lid van de Red Hot Chili Peppers. Zijn autobiografie telt 428 pagina’s, maar pas op 401 valt de term ‘Chili Pepper-tijd’. Iets later blijkt waarom, wanneer hij met een lijstje cliffhangers naar Hollywoord-recept (‘Zal Flea leren vertrouwen te stellen in de liefde?’, ‘Bestaat God?’) alvast ‘Flea deel twee’ aankondigt.

Hoe anders ook hun muziek, hun (sub)cultuur en hun referenties, twee opvallende overeenkomsten bestaan er wel tussen Elton John, Flea en Debbie Harry. Allereerst: de afwezigheid van een stabiel, veilig gezin in hun jeugd en de vele keren dat ze daar op cruciale momenten in hun leven naar refereren om hun eigen gedrag te verklaren. Elton John: ‘Ik denk tot op de dag van vandaag weleens dat ik dingen doe om aan mijn vader te laten zien wat ik waard ben. En hij is al sinds 1991 dood.’

Flea’s vader verdween heel jong uit zijn leven toen hij zijn moeder verliet en terugkeerde naar Australië en de rest van het gezin in de Verenigde Staten bleef wonen. Zijn moeder, over wie hij praat in zinnen als ‘het ontbreken van iets dat op een band leek’ krijgt een nieuwe vriend: een antiautoritaire, maar ook agressieve, depressieve en onberekenbare jazzmuzikant. Debbie Harry werd ‘na drie maanden van mijn biologische moeder gescheiden en in een andere huiselijke omgeving neergeplant’. Vandaar ook haar liefde voor Marilyn Monroe, analyseert ze zelf: ‘Zij leek me iemand die heel veel liefde nodig had. Dat was lang voordat ik ontdekte dat Marilyn pleegkind was geweest.’ Elton John verklaart ook zijn materialisme uit de gezinssituatie. ‘Een psycholoog zou waarschijnlijk zeggen dat ik als kind probeerde orde te scheppen in een leven dat chaotisch was omdat mijn vader kwam en ik voortdurend had te maken met ruzies en conflicten. Daarover, en over de stemmingen van mijn moeder, had ik geen controle. Maar ik had wel regie over de spullen in mijn kamer. Spullen konden me geen pijn doen.’

De andere enorme overeenkomst: drugs. Want allemachtig, wat worden er veel gebruikt in deze autobiografieën. De balans is negatief, elke keer. Flea is nog het meest mild over alles behalve cocaïne en heroïne, maar wanneer hij die laatste toevoegt aan zijn lange lijst, gaat het alsnog totaal mis: ‘Ik was te ambitieus en hield te veel van de dingen waar ik van hield om een junkie te worden. (…) Nooit ben ik eraan kapot gegaan. Ik hield te veel van basketballen, boeken lezen en rocken om me over te geven aan het leven van een junk. (…) Ik was een weekendgebruiker, en toch werd het een nagel aan mijn doodskist. Er wachtte een bodemloze put van verdriet.’

Elton John plaatst de afscheidsbrief die hij in 1990 aan cocaïne schreef integraal in zijn autobiografie. ‘Zestien jaar lang hebben jij en ik samengeleefd. En man, wat hebben we een lol gehad. (…) Je was mijn hoer. Je hebt me alle vormen van spiritualiteit ontzegd. Je hebt me ervan weerhouden om te ontdekken wie ik ben. Ik wil niet dat jij en ik straks in hetzelfde graf liggen.’