Kunst uit Kiev in de Nieuwe Kerk

Een te klein gebaar

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam loopt de tentoonstelling Kiev, negentiende-eeuwse meesterwerken uit het Nationale Kunstmuseum van Oekraïne. De tentoonstelling is georganiseerd als dank voor het terug ontvangen van het Oekraïense deel van de Koenigs-collectie.

Ach, Kiev. Wie gelooft me als ik zeg dat dit een van Oost-Europa’s aantrekkelijkste steden is? Een warmbloedige, ontspannen, bijna mediterrane stad. De Oekraïner is wat luidruchtig en grof, maar vriendelijk en goeiig. Een softe, kazige variant van de Rus.
Waarom dit zo is, is een groot raadsel. Ik zal uw humeur niet vergallen met een kort uittreksel uit de recente Oekraïense geschiedenis, maar neem even aan dat er geen volk harder is geslagen door de Vooruitgang en de paar kinderziektes die haar opkomst begeleidden (fascisme, communisme) dan de arme Oekraïners. De wereldberoemde regels waarmee de in het huidige Oekraïne geboren dichter Paul Celan zijn Todesfuge begint, kunnen gerust gelden als nationale slogan:

Schwarze Milch der Frühe, wir trinken sie abends

Wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts

Maar wie in de zomer door de straten van Kiev loopt ziet geen enkel spoor van zijn gewelddadige en tragische recente verleden.

Inmiddels is Oekraïne (het lidwoord in «de Oekraïne» is ontmaskerd als een imperialistische toevoeging, en mag niet meer) alweer vijftien jaar onafhankelijk van Rusland. Die onafhankelijkheid wordt vooral gerechtvaardigd door het behoorlijk troebele gegeven van de etniciteit: officieel bestaat 77 procent van de bevolking uit etnische Oekraïners. Slechts zeventien procent is etnisch Russisch, waarmee de Russische minderheid in Oekraïne beduidend kleiner is dan die in EU-lid Letland. Hoe wankel dat begrip van «officieel Oekraïnerschap» ook is, het lijken overtuigende cijfers en ze zijn in de internationale politiek aanvaard. Maar de culturele onafhankelijkheid van Oekraïne ten opzichte van Rusland is na duizend jaar gedeelde geschiedenis veel moeilijker te definiëren, en lijkt zeker niet groter dan die tussen bijvoorbeeld Catalonië en Castilië.

Er is een stroom aan publicaties over de geschiedenis en cultuur van Oekraïne op gang gekomen waarvan vele een (al dan niet verborgen) agenda hebben om de culturele autonomie van het nieuwe land te benadrukken. De nieuwe Oekraïense kunstgeschiedenis is een belangrijk wapen in deze strijd tot culturele herdefiniëring. Er is daarin niets nieuws onder de zon – kunstgeschiedenis en kunstkritiek worden altijd en overal gebruikt om politieke slogans te ondersteunen –, de recente hausse aan «etnische» of «derdewereld»-kunst mag als voorbeeld dienen.

Heel gelukkig voor de promotors van deze politieke kunstgeschiedenis: Oekraïne heeft een zeer waardevolle en min of meer onafhankelijke kunststroming voortgebracht. Hun trofee, de Oekraïense avant-garde_,_ meestal gedateerd tussen 1915 en 1927, heeft de laatste tien jaren steeds meer erkenning gekregen (vooral in de Verenigde Staten) als een van de belangrijkste moderne kunststromingen in Europa.

Even ontstond er toen een soort nationale school, met eigen academies, stromingen, sponsors, tentoonstellingen en een eigen publiek. De kunstenaars waren geïnteresseerd in hun eigen folklore en hun eigen arts and crafts, en er ontstond een kunst die natuurlijk allesbehalve «autonoom» was, maar wel getuigde van een eigen sterke dynamiek, die eigen originele tendensen opleverde.

De merendeels Kievse kunstenaars zijn echter verspreid geraakt in de diaspora, of in de Sovjet-Unie onder Stalin tot zwijgen gebracht. Veel meer dan het geval is bij de Russische avant-garde is hun werk vernietigd, zijn hun archieven verdwenen en werd hun bestaan uit de encyclopedieën verwijderd. De leiders van de Oekraïense modernisten, Bohomazov en Ermilov, blijven namen uit een verre periferie, en een serieuze waardering en erkenning van hun werk zal wel altijd onmogelijk blijken. Daar komt bij: de poging van Kievse historici om kunstenaars als Malevitsj en Archipenko met allerlei kunstgrepen te identificeren als leden van een Oekraïense school heeft hun zaak niet altijd goed gedaan.

Het is daarom begrijpelijk dat de Nieuwe Kerk niet heeft gekozen voor een presentatie van Oekraïense avant-garde, toen er sprake was van een mogelijke tentoonstelling uit Kiev als compensatie voor het teruggekeerde Oekraïense deel van de Koenigs-collectie. In plaats daarvan kwam er een presentatie van kunst uit de negentiende eeuw. Er waren toen zeker belangrijke kunstenaars aan het werk in Oekraïne, maar hun nationale identiteit is nog problematischer dan die van de Avant-garde Kunstenaars. Vrijwel allemaal studeerden ze in Rusland en pasten ze volledig in de scholen die aan het eind van de negentiende eeuw daar opgang deden. De etnische Rus Ilja Repin, van wie een schilderij op de tentoonstelling hangt, is minder Oekraïens dan Willem de Kooning Nederlands is. Dit soort dingen geeft de tentoonstelling iets kunstmatigs en diffuus, en maakt haar slachtoffer van haar eigen goede bedoelingen.

Dat is jammer, want aan het eind van de negentiende eeuw gebeurden er wel degelijk heel interessante dingen, zij het niet in Kiev maar in Odessa. Deze zuidelijke havenstad, destijds de derde stad in het Russische keizerrijk – een stuk groter en rijker dan Kiev – bezat iets in overvloed wat andere Russische steden node misten: licht. In Sint-Petersburg is het de helft van het jaar donker, en zelfs hartje zomer is het klimaat zo onvoorspelbaar dat plein air schilderen buitengewoon lastig of zelfs onmogelijk is, maar in Odessa stonden de schilders met hun ezel in de wei en waanden zich in Zuid-Frankrijk.

Er is een goede reden waarom het impressionisme zo weinig aantrekkingskracht uitoefende op Russische kunstenaars aan het eind van de negentiende eeuw. Ze misten de natuurlijke omgeving waarin deze kunst was ontstaan en die leek daarom kunstmatig en geforceerd. Maar de kunstenaars die zich vanaf 1890 organiseerden in Odessa – en daarmee de eerste serieuze kunstenaarsbeweging op Oekraïens grondgebied begonnen – voelden dit probleem niet en begonnen hun eigen branche van de Zuid-Franse zonnekunst.

Een aantal kunstenaars van deze «Maatschap van Zuid-Russische kunstenaars» is vertegenwoordigd op de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Kiriak Kostandi en Petro Nilus beiden met één klein, niet erg representatief schilderij. Verreweg hun beste werk hangt in het kunstmuseum in Odessa, maar dat doet niet mee met de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Hoe weinig er ook bekend is over deze kunstenaars, onbelangrijk zijn ze niet. Vassili Kandinsky vond hun organisatie belangrijk genoeg om er van 1898 tot 1909 zijn werk te exposeren. Als jongeman had hij Kostandi’s werk opgesnoven en nu bracht hij zijn eigen werk uit München weer naar Odessa.

Misschien wel het beste werk uit de tentoonstelling, een landschap van Stepan Kolesnikov, is ook geschilderd door een kunstenaar uit Odessa. Met zijn vette lagen bruine verf en de onheilspellende ambivalentie van verval en vruchtbaarheid die dat opwekt, lijkt dit schilderij eerder vooruit te lopen op Anselm Kiefer dan te applaudisseren voor Monet. Helaas, ook Kolesnikovs beste werk hangt in Odessa en is niet te zien in de Nieuwe Kerk.

Als je eerlijk bent valt vooral op hoe weinig deze kunstenaars zich gelegen lieten aan westerse voorbeelden. Oleksander Murasjko, een kunstenaar uit Kiev die kort na Kandinsky in de Münchense studio van Anton Azbè studeerde, keek vooral goed naar de eigen Oekraïense volkskunst en ontwikkelde zo een kleurenpalet met veel hard vloekende tinten oranje, rood en geel. Zijn Wasvrouw uit 1914, met zijn brede lijnen paars en oranje, is niet zozeer ultramodern als wel eigenzinnig en het is niet onbegrijpelijk dat Malevitsj hem zo waardeerde.

Het werk dat de meeste aandacht trekt is een enorm doek van Murasjko’s leerling Fedir Krytsjevski. Dit eindexamenwerk ontstond nog onder de invloed van de Petersburgse peredvizjniki. Na terugkomst in Kiev, onder invloed van Murasjko, zou Krytsjevski zich ontwikkelen tot een van de belangrijkste kunstenaars van de Oekraïense avant-garde. Zijn verbijsterende, muurvullende triptiek Leven uit 1927 hangt nog in het Nationaal Kunstmuseum in Kiev, in erbarmelijke toestand. Het is eigenlijk een wonder dat het de jarenlange nalatigheid en desinteresse heeft overleefd. Had de Nederlandse staat niet een werkelijk groots gebaar kunnen maken en deze «Nachtwacht van de Oekraïense kunst» kunnen laten restaureren? Wat zou deze tentoonstelling dan een slotakkoord hebben gekend.

Nu denk je vooral dat de Oekraïense regering best wat harder had mogen onderhandelen en de zuinige Nederlanders beter had moeten uitknijpen. De tentoonstelling in de Nieuwe Kerk is belangrijk en een bezoek meer dan waard, al was het maar om de paar geweldige schilderijen van Murasjko, Krytsjevski en Kolesnikov te kunnen bewonderen. Tegelijkertijd verdient de Oekraïense kunst een tentoonstelling die niet gemaakt is vanuit diplomatieke welwillendheid, maar uit professionalisme en bevlogenheid. De Oekraïense kunst van 1890 tot 1930 is een missing link in de Europese kunstgeschiedenis die erkenning verdient.