Een zonnige nazomermiddag aan het strand van Kijkduin. Een schip lijkt te zweven op de lichtgevende streep van de horizon. Lang kijk ik echter niet naar de zee. Ik ben namelijk op zoek naar fossielen. Bram Langeveld, als paleontoloog verbonden aan het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, heeft mijn groepje vandaag ‘fossielgarantie’ gegeven en legt uit waar we op moeten letten om een fossiel bot te herkennen. ‘Hard en glad aan de buitenkant, zacht aan de binnenkant. Vaak zie je ook een sponsstructuur.’ Iemand vindt een neushoornkies, iemand anders een haaientand, weer een ander een stukje bot van een prehistorisch zoogdier. Mijn buit bestaat slechts uit een stukje lydiet: geen fossiel, maar een zwarte steen. Een riviergrindje uit de tijd van de mammoeten, dat wel. ‘Eigenlijk net zo bijzonder’, zegt Langeveld bemoedigend.

De fossielenzoektocht maakt deel uit van het programma Van Doggerland tot en met Zandmotor: Veldlessen over tijd, zee en klimaat, georganiseerd door de Stichting Satellietgroep, een internationaal kunstenaarscollectief dat ‘vanuit artistiek perspectief de noodzaak ziet om discipline overstijgende samenwerkingen aan te gaan met lokale ervaringsdeskundigen en wetenschappers om naast professioneel ook publiek klimaatbewustzijn te bevorderen’, aldus Jacqueline Heerema, een van de oprichters.

De veldlessen van vandaag dragen bij aan meer bewustzijn over kusttransities. Niet onbelangrijk in een land dat nu al grotendeels onder zeeniveau ligt: we zullen ons moeten aanpassen aan de zeespiegelstijging als gevolg van klimaatverandering. Klimaatadaptatie wordt cruciaal. Naast alle doemscenario’s klinkt de laatste tijd steeds vaker ook een optimistisch geluid. Hoezo zou de mens uitsterven? We zouden meer moeten vertrouwen op ons adaptief vermogen. De mens heeft immers ijstijden en tropische hitte overleefd. Klimaatverandering is een groot probleem, maar ook dit varkentje zullen we wel wassen. Het is een aantrekkelijke gedachte. Maar is ze ook gerechtvaardigd?

Het is niet voor niets dat de bijeenkomst vandaag plaatsvindt op de Zandmotor, een van de grootste klimaatadaptatie-projecten van Nederland. Deze Nederlandse innovatie gooit hoge ogen in het buitenland, omdat ze zorgt voor een continue aanvoer van extra zand naar de kustlijn om op die manier de kust te verstevigen. Engeland heeft al een vergelijkbare zandmotor aangelegd, naar het Nederlandse voorbeeld.

Nu is de aanvoer van extra zand op zich niets nieuws. Al jaren wordt de Hollandse kust versterkt met zogenaamde zandsuppleties, noodzakelijk nu het land aan deze kust zes meter onder nap ligt. Maar de manier waarop het hier gebeurt is anders. In 2011 werd 21 miljoen kuub zand van de bodem van de Noordzee geschraapt om dit vervolgens tegen de kust aan in het water te spuiten of via buizen te verspreiden tot op het bestaande strand. Zo vormde zich een nieuw, kunstmatig schiereiland van zand. De golven zorgen er vervolgens voor dat het zand zich over de kust uitspreidt.

Nederland is een voorloper op het gebied van kustversterking en het is dan ook niet vreemd dat in 2018, op initiatief van toenmalig minister Cora van Nieuwenhuizen, de Global Committee on Adaptation (gca) werd opgericht, een internationaal centrum waar landen van elkaar kunnen leren en mondiale plannen worden gesmeed op het gebied van klimaatadaptatie. Op 6 september van dit jaar werd het drijvende hoofdkantoor in Rotterdam door koning Willem-Alexander officieel geopend. De gca dringt erop aan dat tijdens de aanstaande klimaattop, de cop26 in Glasgow, klimaatadaptatie net zo prominent op de agenda staat als mitigatie (het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen).

Doordat het zand voor de Zandmotor afkomstig is van de Noordzeebodem, tot zes meter diep, loop ik op prehistorisch strand en daarom kun je hier fossielen vinden. Tot ongeveer 11.700 jaar geleden konden dieren, maar ook mensen, vanaf hier rechtstreeks naar Engeland lopen via het ‘Doggerland’, het land dat zich uitstrekte over het gebied waar nu de Noordzee is. De zeespiegel stond in die tijd 85 meter lager en zou binnen drieduizend jaar zestig meter stijgen: gemiddeld twee meter per eeuw. Toch pasten mensen zich aan. Ze stapten bijvoorbeeld over op een dieet van vis en leefden op eilandjes in natte gebieden. Zullen wij ons op vergelijkbare wijze aanpassen?

In een verre periode vóór Doggerland, het Eemien van honderdtwintigduizend jaar geleden, stond de zeespiegel juist zes meter hoger en was het een paar graden warmer dan nu. Amersfoort lag toen aan zee. Onlangs werden in een grot in Marokko resten van vroege mensen en hun gereedschap uit het Eemien gevonden. Het gereedschap wees op de vervaardiging van kleding. Dus ook toen leefden er mensen. En ook toen pasten ze zich aan. Deze verhalen hebben een prettig geruststellende en sussende werking op mij. De zeespiegel daalt en stijgt, ijstijden en warme tijden wisselen elkaar af, en de mens bedenkt telkens iets nieuws om te overleven.

Ik praat erover met Marjolijn Haasnoot, weten-schapper bij Deltares en de Universiteit Utrecht. Ze is medeauteur van het tweede deel van het zesde ipcc-rapport, het deel dat gaat over de impact van de mondiale opwarming en klimaatadaptatie en dat in februari 2022 wordt gepubliceerd.

Adaptatie is lange tijd een ondergeschoven kindje geweest in het klimaatdebat en dat is begrijpelijk. Onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ is de nadruk gelegd op het terugdringen van de CO2-uitstoot om op die manier verdere opwarming van de aarde te voorkomen. Zodra je begint over aanpassing aan een opwarmend klimaat ligt het gevaar op de loer dat men gaat denken dat het allemaal wel meevalt, waardoor mitigatie, het terugdringen van de CO2-emissies, wellicht minder urgent voelt. Terwijl mitigatie de allerbeste vorm van adaptatie blijft.

Jarenlang was Haasnoot iemand die probeerde mensen wakker te schudden om meer aandacht te besteden aan adaptatie. Nu moet ze bijna het omgekeerde doen: ‘De simpele boodschap is dat het allebei moet.’ We moeten oppassen met te veel optimisme over de adaptieve vermogens van de mens. ‘Ja, mensen zijn adaptief. En toekomstige innovaties zijn lastig in modellen en scenario’s mee te nemen. Maar zó veel dingen zijn nu totaal anders dan in het verleden. We hebben meer techniek en geld, maar ook veel meer mensen, veel minder ruimte, de opwarming gaat veel sneller dan ooit tevoren. En misschien wel het belangrijkste: wat in het verleden is gebeurd geeft geen garanties voor de toekomst.’

Haasnoot onderscheidt harde en zachte grenzen aan adaptatie. Bij een opwarming van 1,5 graden Celsius verliezen we bijvoorbeeld de koraalriffen met al het mariene leven dat daarbij hoort. ‘Dat is een harde grens; onomkeerbaar.’ Een groot deel van het koraal is nu al aan het verdwijnen. Er worden weliswaar pogingen gedaan om delen hiervan te redden met spectaculaire technologie, maar een heel ecosysteem is niet zo maar kunstmatig na te bouwen en terug te brengen. Een andere harde grens is te vinden in de Stille Oceaan, waar eilanden bij verdere zeespiegelstijging zullen worden verzwolgen door de zee.

Daarnaast zijn er grenzen aan hoeveel hitte het menselijk lichaam kan tolereren. Daarbij gaat het vooral om de combinatie van luchtvochtigheid en hitte. In een paper uit 2010 beschrijven de wetenschappers S.C. Sherwood en M. Huber een zogenaamde ‘wet bulb’-temperatuur van 35 graden Celsius als de drempel waarboven mensen niet langer dan zes uur kunnen overleven. Dat heeft te maken met ons vermogen tot zweten. De wet bulb-temperatuur wordt berekend door de top van een thermometer te wikkelen in een met water doorweekte doek. Bij honderd procent vochtigheid van de lucht is de wet bulb-temperatuur gelijk aan die van de omgeving. Bij lagere vochtigheid kan de omgevingstemperatuur hoger zijn voordat de grens wordt bereikt. Modelstudies hebben voorspeld dat deze grens onder scenario’s met hoge emissies in de tweede helft van deze eeuw kan worden bereikt in de Perzische Golf en Zuid-Azië. Voor grote groepen, zoals chronisch zieken of ouderen, zal de grens al veel eerder in zicht komen.

Zachte grenzen spelen echter een minstens net zo grote rol, legt Haasnoot uit. Dan gaat het over de vraag of je genoeg tijd, geld, ruimte en kennis hebt om aanpassingen te doen. ‘Ook de vraag of er voldoende draagvlak is voor maatregelen of wetgeving is een zachte grens. Tijd en ruimte kunnen echter uiteindelijk ook een harde grens worden’, waarschuwt Haasnoot. ‘Ik denk dat tijd weleens een beperking kan worden bij hoge opwarming.’ Met andere woorden: als je te lang wacht met aanpassingen kun je plotseling tegen harde grenzen aan lopen. Hoe overbrugbaar zachte grenzen zijn zal per land verschillen; omdat arme landen bijvoorbeeld minder geld hebben voor aanpassingen zullen ze in beginsel meer lijden onder de gevolgen van klimaatverandering.

‘Hoe gaat jouw omgeving eruitzien over tien jaar? Als mensen dat voor zich gaan zien, dan komen ze eerder in actie’

Een van de mogelijke aanpassingen kan uiteindelijk ook terugtrekking zijn uit een bepaald gebied. ‘Terugtrekking is ook adaptatie. Dat is in de prehistorie, ook in de tijd van Doggerland, natuurlijk ook dikwijls gebeurd’, aldus Haasnoot. ‘Bij het woord terugtrekking komen allerlei emoties los, maar als je op tijd begint en burgers echt betrekt bij het proces, dan is het goed mogelijk.’ Ook nu al is adaptatie in Nederland hard nodig. Kijk naar de Zandmotor. Maar ook hebben we bijvoorbeeld op de langere termijn nog meer ruimte nodig voor de rivieren, vertelt Haasnoot. De overstromingen van afgelopen zomer hebben dat belang nog eens onderstreept.

De Pastoruri-gletsjer in Huascaran National Park in Peru is met de helft gesmolten sinds 1995 © Lalao de Almeida / Folhapress / Panos / ANP

Nederland wil een belangrijke rol spelen in de coördinatie van wereldwijde klimaatadaptatie. De gca organiseerde er dan ook in januari van dit jaar een mondiale klimaattop over. Alle belangrijke wereldleiders deden mee, de Verenigde Staten waren eindelijk ook weer aan boord en toenmalig minister Van Nieuwenhuizen was trots: ‘We laten de wereld zien wat wij doen aan sterkere kustbescherming en klimaatbestendige infrastructuur. En we leren van andere landen. Zo worden wereldwijd levens gered, economieën versterkt en wordt onze leefomgeving beter beschermd.’

Nu begint er toch iets te knagen. Want on-danks al die prachtige, innovatieve oplossingen in Nederland is de huidige klimaatimpact in andere landen van de wereld, ook bij de huidige 1,1 graden opwarming, gerust dramatisch te noemen. Zo schreven Kasper Goethals en Olivia Kortas in De Groene op aangrijpende wijze over vrouwen in de Keniaanse provincie Turkana: ‘Ze wonen in een landschap dat je het best kunt vergelijken met de beelden die de Perseverance vanaf Mars doorstuurt. De hitte heeft alle kleur uit de natuur gezogen. Er is alleen nog grijs en bruin, stenen en zand. Enkele oude acacia’s die nog niet waren omgehakt zijn omgewaaid. Duizenden termietenheuvels priemen uit de aarde als de dikke vingers van begraven reuzen. Soms, als de kinderen echt honger hebben, klauwen ze de heuvels open op zoek naar zaden die de insecten hebben verzameld. Het is apocalyptisch.’

In 2009 heeft een aantal rijke, westerse landen beloofd om vanaf 2020 de armere landen die het meest lijden onder de gevolgen van klimaatverandering, grotendeels veroorzaakt door deze rijke landen, honderd miljard dollar te betalen. Nederland en ook andere landen hebben zich echter niet aan deze afspraak gehouden en inmiddels is bovendien gebleken dat ook de toegezegde honderd miljard volstrekt ontoereikend is om de opgelopen klimaatschade in deze landen te vergoeden. Als Nederland zich graag committeert aan ‘wereldwijd levens redden’, zoals Van Nieuwenhuizen begin dit jaar zei, dan zal het toch op z’n minst eerst deze afspraken moeten nakomen. Voor zover het tijdens de cop26 over klimaatadaptatie zal gaan, zou dit dan ook weleens het belangrijkste punt op die agenda kunnen worden.

Ook al zijn afspraken niet nagekomen, het agenderen van adaptatie blijft belangrijk, denkt Radley Horton, klimaatwetenschapper aan Columbia University in New York, met wie ik bel. ‘Vroeger was er de gedachte dat de focus op adaptatie zou leiden tot een rem op mitigatie. Nu zie ik dat als een minder grote zorg. Aan de ene kant omdat de gevaren zo groot aan het worden zijn, maar ook omdat het agenderen van adaptatie mensen tegelijkertijd kan mobiliseren voor mitigatie. Met het onderwerp adaptatie kun je vaak een bredere groep mensen in de discussie trekken. Hoe gaat jouw omgeving eruitzien over tien jaar? Over twintig jaar? Daar voelen mensen zich meer mee verbonden dan met een onzichtbaar gas in de lucht. Als ze dat voor zich gaan zien, dan komen ze eerder in actie.’

Natuurlijk kennen klimaatmodellen hun beperkingen, geeft Horton toe: ‘De modellen vertellen geen genuanceerd verhaal over hoe de samenleving eruit zal zien. Welke vormen krijgt nieuwe technologie? In hoeverre zullen we die technologie delen? De dynamiek tussen de ontwikkeling van technologie en de ontwikkeling van het klimaat zit niet in de modellen. Het zijn simpelweg te veel variabelen; waarschijnlijk zullen we dat nooit helemaal kunnen kwantificeren. Maar we hebben wel degelijk plausibele verhaallijnen. Een range van scenario’s die ons helpen. >De scenario’s van het ipcc zijn erg redelijk en zeker niet overdreven.’

De ipcc-rapporten zijn consensus-rapporten. Zo is het laatste rapport gebaseerd op meer dan veertienduizend wetenschappelijke artikelen. ‘Dat gegeven, de manier waarop wetenschappers, die niet alarmistisch willen zijn, werken, doet vermoeden dat de ipcc-rapporten eerder aan de voorzichtige kant zijn dan dat je ze kunt betichten van alarmisme’, aldus Horton. Het laatste ipcc-rapport wees er dan ook op dat de gevolgen van klimaatverandering tien jaar eerder komen dan voorspeld.

Het probleem zit ’m volgens Horton vooral in de onzekerheid over waar we ons precies aan moeten aanpassen. Hij doelt op kantelpunten, gebeurtenissen die leiden tot zelfversterkende processen waardoor opwarming exponentieel kan versnellen. Denk aan de smelt van West-Antarctica, het vrijkomen van methaan uit de Siberische permafrost of het stilvallen van de Golfstroom in de Atlantische Oceaan. We weten dat die punten bestaan, maar het is lastig te voorspellen wanneer ze zullen optreden. ‘Mensen neigen naar lineair denken. Er is een wetenschapper hier die zich alleen maar bezighoudt met zee-ijs en een ander daar die zich uitsluitend bezighoudt met bosbranden. We zouden moeten kijken hoe al die processen met elkaar samenhangen en elkaar beïnvloeden.’ Horton probeert, zo goed als mogelijk, het grotere geheel te zien. Maar dan loop je onvermijdelijk op tegen nog een grens: die van menselijke, cognitieve beperkingen.

De range van scenario’s die het ipcc schetst kan beleidsmakers helpen om in deze onzekerheid toch (adaptatie)strategieën te onderzoeken. Marjolijn Haasnoot introduceerde in dit verband de term ‘adaptatiepaden’, wegen die vergelijkbaar zijn met een metrosysteem, waarbij je telkens kunt overstappen op verschillende lijnen. Hoe sneller veranderingen doorzetten, hoe eerder je zult moeten overstappen op een andere lijn die meer toekomstbestendig is. Zo is bijvoorbeeld bij een zeespiegelstijging van 1,3 meter de Oosterscheldekering permanent dicht. Je weet niet precies wanneer je die 1,3 meter zult bereiken, maar je kunt wel van tevoren bedenken bij welk knikpunt je moet overstappen.

Haasnoot legt uit hoe tijd het probleem is bij het knikpunt van de smelt van Antarctica. ‘Het is nog onzeker, maar als we Antarctische kantelpunten passeren kan de zeespiegelstijging zó snel gaan dat je eigenlijk al veel eerder had moeten beslissen over drastische maatregelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Nederland. Bij een snelle stijging zijn maatregelen nodig die decennia duren om te implementeren. Kijk naar de Deltawerken; dat duurde ongeveer dertig jaar.’

Het is goed om te bedenken dat het hier niet gaat om een langzaam proces waar we ons rustig op kunnen voorbereiden

Er bestaat een kans dat nieuwe technologie, en dus adaptatie ons gaat redden, beaamt Horton. ‘Maar het is niet aannemelijk. Er zijn grote onzekerheden. En het is erg nonchalant om aan te nemen dat technologie ons wel gaat redden.’ Er staat immers nogal wat op het spel: niet alleen wijdverbreid lijden voor grote delen van de wereldbevolking, voor onze kinderen, maar ook hoge economische kosten. Waarom zou je dat risico willen lopen?

Horton denkt dat ook een rol speelt dat verschillende negatieve voorspellingen uit het verleden onjuist zijn gebleken op de korte termijn. ‘Denk aan de voedselvoorziening. Er zijn verschillende grenzen die we niet hebben overschreden, grotendeels dankzij technologie.’ Dit gegeven maakt ‘adaptatie-optimisme’ wellicht begrijpelijk. Toch is het onjuist. ‘Het feit dat we die grenzen nog niet hebben overschreden, betekent niet dat dit in de toekomst niet alsnog gaat gebeuren. In zekere zin hebben we de grenzen aan de voedselvoorziening in het verleden niet bereikt, omdat we een voorschot hebben genomen op die toekomst.’ Op dit moment gebeurt overigens wel degelijk waar wetenschappers al zo lang voor hebben gewaarschuwd: de gevolgen van klimaatverandering zetten de voedselvoorziening onder druk, nu oogsten wereldwijd mislukken door droogte, overstromingen en vorst. En stijgende voedselprijzen gaan vaak gepaard met conflicten en sociale onrust.

Aanplanting van mangrove door vrouwen in Madagaskar, met steun van het WWF © Justin Jin / Panos / ANP

Inmiddels is duidelijk dat het voorkomen van klimaatrampspoed niet meer gaat lukken. We zitten er al middenin. Wel kan de schade nog worden beperkt. Uit het laatste ipcc-rapport, dat in augustus uitkwam, blijkt dat we nu al op 1,1 graad boven de temperatuur van het pre-industriële tijdperk zitten. Er zijn nog maar weinig mensen die serieus geloven dat het in Parijs afgesproken doel van maximaal 1,5 graden opwarming in 2100 wordt gehaald. Sterker nog: 1,5 graden kan al in de komende tien jaar worden bereikt. Twee graden in 2100 wordt zelfs in het meest optimistische scenario onvermijdelijk. We zullen alle zeilen moeten bijzetten om de opwarming tot daar te beperken. Met de huidige toezeggingen en afspraken van landen ligt het gemiddelde van mogelijke uitkomsten nu op 2,4 graden in 2100. Maar vooralsnog is gebleken dat landen zich niet houden aan hun afspraken. Als dat niet verandert en het huidige beleid gaat op deze voet door, dan komen we ergens tussen de 2,1 en 3,9 graden opwarming in 2100 uit: gemiddeld 2,9 graden. Zullen we ons aan die wereld kunnen aanpassen?

Een wereld die drie graden is opgewarmd is niet dezelfde wereld als nu maar dan een paar graden warmer. Een klimaat dat drie graden boven pre-industrieel niveau ligt kwam op aarde de laatste keer voor in het Plioceen, drie miljoen jaar geleden. Een tijd vóór alle ijstijden, vóór het ontstaan van Homo als genus, een klimaat in een wereld waar Noord- en Zuid-Amerika nog niet verbonden waren en de straat van Gibraltar gesloten was. De ijsplaat van West-Antarctica was grotendeels gesmolten en de zeespiegel stond 22 meter hoger. Het Plioceen is een ‘onmenselijke’ wereld, in die zin dat er letterlijk geen mensen op aarde rondliepen. In het boek Six Degrees: Our Future on a Hotter Planet (2020) schetst Mark Lynas per graad opwarming een grof beeld van hoe de wereld eruit zou kunnen zien.

Wat maakte het Plioceen warmer? Wetenschappers zijn het erover eens dat dit dezelfde oorzaak had als de huidige opwarming: CO2. In het Plioceen lag het niveau CO2 rond de 400 ppm (parts per million); we zitten nu op ongeveer 418 ppm.

Met drie graden opwarming kunnen we ervan uitgaan dat een groot aantal van de ijsplaten rondom Antarctica zullen instorten, een van de beruchte kantelpunten. Overigens is dit ook al een reden tot zorg in een wereld van twee graden, omdat we niet kunnen uitsluiten dat dit dan ook al gebeurt. De opwarming zal trouwens ook in Groenland leiden tot het kleiner worden van de ijskap. De hieruit resulterende zeespiegelstijging zal eeuwen in beslag nemen, maar ook in deze eeuw zal de zeespiegel al flink rijzen, waardoor land zal overstromen waar miljoenen mensen wonen.

Bovendien is het goed om te bedenken dat het hier niet gaat om een langzaam proces waar we ons rustig op kunnen voorbereiden. Extreem hoogtij en extreme stormvloed kunnen combineren tot overstromingen in gebieden die voorheen veilig leken. Periodes van overstromingen en hevige stormen zullen worden afgewisseld met periodes van droogte. ‘Dit is niet meer het stabiele, relatief vriendelijke Holoceen waar onze voorouders van profiteerden en waarin de menselijke beschaving zich ontwikkelde en opbloeide. Die wereld is verdwenen’, schrijft Lynas.

Gelukkig maar dat we zoveel beter zijn geworden in waarschuwingssystemen waardoor er de laatste jaren minder doden vallen tijdens natuurrampen. Weer zo’n technologische vooruitgang waar we veel aan te danken hebben. Haasnoot beaamt dit, maar merkt op dat de economische kosten van dergelijke rampen niet minder zijn geworden, maar juist meer. Het kostenaspect is cruciaal. Lynas schrijft dat volgens een schatting alleen al in de Verenigde Staten in de komende twintig jaar vierhonderd miljard dollar moet worden uitgegeven aan zeespiegeladaptatie. En dan hebben we het nog niet over aanpassing aan extreme hitte en droogte. Mensen die een natuurramp overleven gaan misschien niet dood, maar verliezen wellicht wel hun huis en moeten migreren, allemaal gevolgen die meespelen in hoe een samenleving verder kan functioneren.

Het wordt me steeds meer duidelijk dat het niet alleen gaat om afzonderlijke, regionale gevolgen van klimaatverandering, zeespiegelstijging, hittestress, overstromingen en droogte – het gaat om al die gevolgen in samenhang met elkaar. Het is helemaal niet zo relevant of ‘de mens’ zal overleven of niet. Misschien dat er groepjes mensen uiteindelijk vier of vijf graden opwarming overleven. Het zou kunnen. Maar hoe ziet dat leven eruit in dergelijke helse omstandigheden? En hoeveel lijden gaat eraan vooraf? Een betere vraag is of samenlevingen zullen instorten, of er überhaupt nog een wereldorde zal zijn.

Overweldigd door de toekomst duik ik terug in de geschiedenis en luister naar de bbc-podcast The Fall of Civilizations van Paul Cooper. In de aflevering over het bronzen tijdperk, de periode tussen 3300 en 2100 voor Christus, bespreekt hij de verschillende beschavingen van die tijd. Het rijk van de Hittieten in het huidige Turkije, de Sumer in Mesopotamië, maar ook de koninkrijken in Egypte: allemaal vormden ze aparte samenlevingen. Ze stonden op zichzelf, maar dreven ook handel met elkaar en raakten van elkaar afhankelijk. Uiteindelijk stortten deze samenlevingen echter allemaal, min of meer tegelijkertijd, in en dit betekende het einde van het bronzen tijdperk. Cooper legt uit welke verschillende oorzaken hiervoor zijn aangewezen. Zo zouden de duistere ‘Zeevolkeren’, een soort piraten over wie verder weinig bekend is, deze rijken op de knieën hebben gekregen. De economie zou zijn opgeschud door de introductie van ijzer. De migratie van Dorische volkeren zou het einde hebben betekend van de florerende beschavingen in het bronzen tijdperk.

Uiteindelijk vonden archeologen en geologen echter in de aardlagen van al deze samenlevingen een laag as die afkomstig bleek van de vulkaan Hekla in IJsland. Aan het eind van het bronzen tijdperk barstte deze monstervulkaan uit en hulde grote delen van Europa jarenlang in aswolken. Cooper denkt hardop na: ‘Wat als de mythische Zeevolkeren uit het noorden kwamen, omdat ze hun oogsten hadden zien mislukken door de afkoeling als gevolg van de Hekla-uitbarsting? Wat als ze op zoek gingen naar een land waar de zon nog wel scheen, waar de zon niet werd verduisterd door aswolken? Waren de woeste Zeevolkeren misschien niets anders dan klimaatvluchtelingen?’

Zoals altijd in de geschiedenis zal waarschijnlijk een combinatie van oorzaken ten grondslag liggen aan de ineenstorting, maar, vraagt Cooper zich af: zou dit een boodschap voor ons kunnen zijn? Alle landen op aarde zijn nu met elkaar verbonden via handelsbetrekkingen, voedselketens en familierelaties. Als bijvoorbeeld in Noord-Europa de gevolgen van klimaatverandering nog beperkt kunnen worden gehouden, zullen we sowieso te maken krijgen met grote migratiestromen van klimaatvluchtelingen die te droge en te hete gebieden zullen willen ontvluchten. Van veel conflicten in het Midden-Oosten en Afrika wordt nu al gezegd dat klimaatverandering tenminste een rol speelt en veel vluchtelingen moeten, in ieder geval gedeeltelijk, nu al worden gezien als klimaatvluchtelingen.

Geen enkel gebied is veilig voor de gevolgen van klimaatverandering, ook al zullen mensen in sommige gebieden die gevolgen eerder ondervinden dan mensen in andere. Die verbondenheid betreft overigens niet alleen landen en mensen, maar ook dieren, planten, schimmels en bacteriën. Adaptatie-optimisme houdt onvoldoende rekening met het feit dat de mens deel uitmaakt van ecosystemen en leidt al te gemakkelijk tot vertrouwen in een zogenaamde ‘techno-fix’ voor de mens, waarbij de natuur fungeert als bron voor zijn energie en voor al zijn geweldige innovaties en technologie. Als in een videogame waar een menselijke avatar rondloopt, huizen bouwt, voedsel pakt en vijanden verslaat. De mens lost alles wel even op. Terwijl gebleken is dat menselijke ‘successen’ uit het verleden in ieder geval deels zijn geboekt door gedachteloze exploitatie van de natuurlijke omgeving waardoor een voorschot is genomen op de toekomst.

De zon gaat bijna onder, het ‘gouden uur’ is aangebroken. Kinderen spelen in de golven en honden rennen in dolle blijdschap over het eindeloze zand. Zullen hier over honderd jaar nog mensen lopen? Mijn voeten zakken weg in het warme zand van de strandopgang, het prehistorische stukje lydiet houd ik stevig in mijn hand geklemd.


Op weg naar Glasgow

Zes jaar na het klimaatakkoord van Parijs vindt begin november de volgende milieutop plaats in de Schotse industriestad Glasgow. De opwarming van de aarde gaat ondertussen onverminderd door en harde maatregelen zijn noodzakelijk om de in Parijs afgesproken doelen nog te kunnen halen. Wat moet er in Glasgow bereikt worden? Hoe denken de belangrijkste spelers erover? Wat zijn de obstakels? Het zijn vragen die in de serie Op weg naar Glasgow aan de orde komen.