Karl Marx - De familieman

Een tedere communist

De nieuwe Marx is aaibaarder, ook als mens. In een pas verschenen ‘gezinsbiografie’ blinkt de aartsvader van het socialisme zelfs uit als kindervriend.

Zo schreef de schrik van de bourgeoisie zijn beroemde pamflet De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte: gezeten aan de enige tafel die de armoedige Londense woning rijk was, omringd door hels kabaal en vastgebonden aan een rij stoelen. Karl Marx wilde een bijdrage leveren aan de revolutie. Zijn kinderen wilden postkoets spelen. ‘De zittende Marx was het paard en moest doen alsof hij zijn onstuimige passagiers voorttrok – of hij kreeg met de zweep.’

De scène wordt geschilderd door voormalig Reuters-journaliste Mary Gabriel in haar onlangs in het Nederlands verschenen biografie Liefde en kapitaal: Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie. De titel, in combinatie met het Paulien Cornelisse-achtige omslag, maakt duidelijk dat het niet de zoveelste verhandeling over het denken van Marx betreft. In plaats daarvan richt Gabriel zich op het privé-leven van Marx, zijn vrouw Jenny en hun drie dochters. Het resultaat, zo heet het enigszins pathetisch in de inleiding, is ‘een verhaal over een diepe liefde tussen man en vrouw, een liefde die diep en hartstochtelijk bleef ondanks het overlijden van vier kinderen, armoede, ziekte, sociale uitsluiting en het uiteindelijke verraad, toen Marx een kind verwekte bij een andere vrouw’.

Het begint zo mooi. De 25-jarige Karl Marx trouwt de vier jaar oudere Jenny von West­phalen, ‘de begeerlijkste vrouw van Trier’. Geen verstandshuwelijk, maar een verbond tussen twee mensen die elkaar vinden in hun ideeën over de wereld en de wens om deze te veranderen. Op huwelijksreis zeult Marx 45 boeken mee in zijn koffers, van Machiavelli tot Hegel.

De romantiek blijft, ook als het jonge stel door de autoritaire Pruisische regering gedwongen wordt uit te wijken naar Parijs. Parijs! Alles wat oproer kraait verzamelt zich daar. Jenny kan haar geluk niet op. Dit is het leven waar ze van droomde: ‘Waar zouden we ons meer op ons gemak voelen dan onder de rijzende zon van de revolutie? We moesten er wel heen, dat moest gewoon!’

Natuurlijk houdt de idylle geen stand. De overtuigingen van Karl en Jenny – Gabriel laat zien dat zij niet enkel ‘de vrouw van’ was, maar zijn intellectuele en politieke rechterhand – veroordelen hen tot een leven in armoede en ballingschap. Overal opgejaagd belanden ze uiteindelijk in Londen, de hoofdstad van een economisch systeem dat pas in de daarop volgende jaren bekend zal komen te staan als ‘kapitalisme’. Fabrieks­arbeiders maken er dagen van twaalf tot achttien uur. Werkende moeders geven hun jongste kinderen opium om ze tijdens hun afwezigheid rustig te houden.

De familie Marx is ietsje beter af, maar daarmee is dan ook alles gezegd. ‘Als ik mijn leven kon overdoen, zou ik zo weer hetzelfde doen’, zal Marx vele jaren later aan zijn kandidaat schoonzoon Paul Lafargue schrijven. ‘Ik zou echter niet trouwen. Voorzover het binnen mijn mogelijkheden ligt wil ik mijn dochter behoeden voor de riffen waar haar moeders leven schipbreuk op heeft geleden.’

Want met het gezin komen de zorgen. Vanaf de geboorte van zijn oudste dochter staat het leven van Marx niet langer in het teken van één, maar vier s’en. Boven op het socialisme komen de schulden, steenpuisten en (buitenechtelijke) seks. Zijn slippertje met dienstmeid Helene Demuth in 1850 heeft verstrekkende gevolgen. Een buitenechtelijk kind doet het aanvankelijk zo warme huwelijk met Jenny wankelen.

Dat het zo ver niet komt, dat Marx te midden van alle private besognes overeind blijft en uiteindelijk in staat is de wereld te veranderen met zijn grensverleggende ideeën, dat is allemaal te danken aan de derde hoofdpersoon van het verhaal: Marx’ boezemvriend Friedrich Engels. De zoon van een Duitse textielfabrikant blijkt niet alleen een scherp denker, hij is ook een handige jongen. Iemand die, anders dan Marx, wél zijn zaakjes op orde heeft. Het is de ongetrouwde Engels die grootmoedig de schuld van Demuths zwangerschap op zich neemt. Het is ook Engels die Marx behoedt voor het faillissement door voor zijn vader te gaan werken en kapitalist te worden. En het is Engels die, telkens wanneer Marx vastloopt bij het schrijven van Das Kapital, zijn vriend op de been helpt door hem vol te stoppen met tientallen flessen goede wijn, overvloedige maaltijden en dure sigaren.

Toch kan ook deze beschermengel de familie Marx niet voor alle ellende behoeden. Maar liefst vier kinderen raken ze kwijt – de twee dochters die op latere leeftijd zelfmoord plegen niet meegeteld. Wanneer de kleine Franzisca in 1852 na een zware longontsteking sterft, is er zelfs geen geld voor een doodskistje. De wetenschap dat hun armoede een keuze is, moet het zo mogelijk nog ellendiger hebben gemaakt. Had Marx zich zoals zoveel anderen neergelegd bij het heersende onrecht, dan was hij ongetwijfeld professor geworden aan de een of andere universiteit. ‘Alles wat we doen voor anderen, nemen we af van onze kinderen’, bekent Jenny tegenover haar broer.

Het zwaarst valt Marx het verlies van zijn achtjarige Musch, een straatschoffie dat in ruil voor zakgeld scheldwoorden leert van de Ierse buurjongetjes. Niet lang voor zijn dood schrijft hij zijn vader nog brieven, geadresseerd aan ‘mijn lieve duivel’. Ondertekend: ‘ik ben je vriend Musch la Colonel’. Vanaf het moment dat hij ziek wordt, wijkt Marx niet van het bed van zijn lievelingszoon. Uiteindelijk sterft het jongetje in zijn armen. ‘Ik voel me gebroken’, meldt Marx Engels. Zijn vrouw wordt zo mogelijk nog zwaarder getroffen door al het leed. ‘Een man kan putten uit zijn strijd met de buitenwereld, hij leeft op door de aanblik van de vijand, hoe talrijk ook’, schrijft ze aan een vriendin. ‘Wij zitten thuis sokken te stoppen.’

Pas in de jaren zeventig begint het leven hun weer toe te lachen. Na de Parijse Commune ­stijgt Marx’ faam en groeit eindelijk de interesse in zijn geschriften. De geldzorgen raken naar de achtergrond. Zelfs de liefde tussen Karl en Jenny bloeit aan het eind van hun leven weer op. ‘Ze vonden een nieuwe tederheid, een frisse vreugde in elkaars gezelschap’, schrijft Gabriel. Volgens hun jongste dochter Eleanor lijkt het alsof ze opnieuw verliefd zijn.

De Marx ‘van vlees en bloed’ is een vat vol tegenstrijdigheden. Francis Wheen somde het eind jaren negentig in zijn Marx-biografie als volgt op: ‘Een Pruisische emigrant die een middle-class Engelse gentleman werd; een boze agitator die een groot deel van zijn volwassen leven doorbracht in de academische stilte van de leeszaal van het Brits museum; een gezelschapsdier dat het met vrijwel al zijn vrienden aan de stok kreeg; een toegewijde familieman die zijn dienstmeid bezwangerde; en een door en door ernstige filosoof die dol was op drank, sigaren en grappen.’

Wie van deze mannen is de echte Marx? Het antwoord ligt voor de hand: zij allemaal. Zo zijn mensen. Maar dat simpele feit blijkt moeilijk te accepteren. Tegenstanders hebben Marx’ paradoxale persoonlijkheid opgevoerd als bewijs van hypocrisie. Hoe kun je anders oordelen over een arbeidersvriend met het bestedingspatroon van een bourgeois? Vanuit de communistische beweging is juist geprobeerd alle plooien recht te strijken. Zo voerde Theun de Vries in de openingsscène van zijn romancyclus 1848 Marx weliswaar op als een levensgenieter, maar bovenal als een deugdzaam echtgenoot. Aan Jenny viel de rol toe van toegewijd partner: ‘Dit zwarte en geweldige hoofd, levend van ongebreidelde gedachten en invallen, het ontroert haar iedere keer als het zo weerloos bij haar ligt.’

Terecht constateert Gabriel dat tijdens de Koude Oorlog de biografie van Marx ‘een ideologisch slagveld tussen oost en west’ is geworden. ‘De details van zijn leven en dat van zijn gezinsleden werden gewijzigd en in de mal gegoten van een communistische heilige of een dolende zondaar.’ Zelf geeft ze blijk van sympathie voor Marx, maar zonder hem te sparen.

Op het resultaat is het nodige aan te merken. Kan het leven van Marx wel los van zijn werk worden besproken, zodanig dat op een pil van ruim negenhonderd pagina’s er slechts vijf gewijd zijn aan het Communistisch Manifest en negen aan de inhoud van Das Kapital? Een ander punt van kritiek is de veel te gemakkelijke constatering van Gabriel in haar inleiding dat Marx geen racist of antisemiet was. De talrijke passages in zijn brieven die anders suggereren, verklaart ze vanuit de tijdgeest – wat reden is voor haar om ze volledig te negeren.

Toch is haar biografie verfrissend. Jawel, de grondlegger van het socialisme kon een hork en een lapzwans zijn. Maar diezelfde man die zijn vrouw bedroog, trok er op zondag op uit met zijn kinderen, klom dan ook graag zelf op de rug van een ezeltje, en vermaakte op de terugweg het gezelschap door voor te dragen uit Goethe’s Faust.

Zelfs zijn spilzucht is bij nader inzien al te menselijk. Alle geldzorgen ten spijt zette Marx bij afwezigheid van zijn vrouw graag de bloemetjes buiten. Wilhelm Liebknecht, een van de oprichters van wat later de Duitse spd is geworden, heeft een smakelijk verslag opgetekend van zo’n kroegentocht, waarbij elk café over een afstand van ruim twee kilometer moest worden aangedaan (‘We togen onverschrokken aan het werk’). De avond eindigde met een ruzie met een troep Engelsen. Vervolgens gooiden de dronken vrienden met straatstenen wat lantaarns aan diggelen, waarop ze moesten rennen voor de politie. Wat je daarvan ook vindt, proletarisch is het wel. Mens, durf te leven – want morgen kan het allemaal voorbij zijn.

De nieuwe, eerlijke blik op het leven van Marx maakt hem vreemd genoeg juist aaibaarder. Je zou bijna, in een variatie op Louis Paul Boon, spreken van een tedere communist. Maar het is bovenal Gabriels verdienste dat zij niet toegeeft aan de verleiding om die nieuwe Marx té acceptabel te maken. Volgens de laatste mode is Marx geen politieke radicaal meer, maar een interessante denker die het kapitalisme wist te doorgronden. Das Kapital als een soort Crisis voor dummies, ook geschikt voor beurshandelaren en zakenbankiers.

Gabriel laat in haar biografie juist zien dat Marx zijn leven lang de daad bij het woord bleef voegen. In het revolutiejaar 1848 is hij nog een tamelijk romantische activist, die in opspraak raakt wegens wapenhandel en oproept tot een belastingstaking. Naar het einde toe wordt Marx sadder but wiser, maar niet minder radicaal. Acht jaar lang is Marx de spil van de Eerste Internationale. Helaas dus voor zijn nieuwe aanhangers: Marx had hoogstwaarschijnlijk geen genoegen genomen met het begrijpen van de krediet- en eurocrisis. Hij was rond deze tijd ongetwijfeld druk bezig geweest er iets aan te dóen.


Mary Gabriel _,_ Liefde en kapitaal: Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie_, vertaling Roland Fagel__ , Bert Bakker , 908 blz., € _49,95