Een telefoonhoorn als dildo

Andrea Dworkin ziet in haardrogers dildo’s en in scharen martelwerktuigen voor de clitoris. De feministische pornobestrijdster is inderdaad volkomen ‘besmet met porno’. Over de obsessies van een politiek correcte beweging.
IN ELK INTERVIEW wordt Jack Nicholson gevraagd wat hij van het feminisme vindt. Hij antwoordt altijd laconiek: ‘Ach, je moet die vrouwen geven wat ze willen, dan helpt hun beweging zichzelf wel om zeep.’ Zou de acteur aan Andrea Dworkin en Catherine MacKinnon hebben gedacht, twee radicaal-feministen uit de Verenigde Staten die een alliantie met de christelijke fundamentalisten hebben gesloten om pornografie te bestrijden?

IN ELK INTERVIEW wordt Jack Nicholson gevraagd wat hij van het feminisme vindt. Hij antwoordt altijd laconiek: ‘Ach, je moet die vrouwen geven wat ze willen, dan helpt hun beweging zichzelf wel om zeep.’ Zou de acteur aan Andrea Dworkin en Catherine MacKinnon hebben gedacht, twee radicaal-feministen uit de Verenigde Staten die een alliantie met de christelijke fundamentalisten hebben gesloten om pornografie te bestrijden?
'Pornografie heeft mij besmet. Eens was ik een kind en droomde ik van vrijheid. Nu ben ik volwassen en zie waar mijn dromen terecht zijn gekomen.’ Deze woorden werden niet geschreven door een schuldbewuste pornograaf die zich heeft bekeerd, maar door genoemde Andrea Dworkin, wier leven in het teken staat van de oorlog tegen pornografie, en die uiteindelijk zelf is geworden wat ze wilde bestrijden. Haar boek Pornography: Men Possessing Women kan inderdaad pornografisch worden genoemd: het vormt een lange litanie van plastisch beschreven seksuele gruwelen, vrouwen van alle culturen en alle tijden aangedaan. Een hoofdstuk uit dat boek is tevens opgenomen in de door Karin Spaink geredigeerde bundel Pornografie: bekijk ’t maar uit 1982. (Spaink is inmiddels overigens getransformeerd van puritein tot bad girl, zonder deze wonderbaarlijke overgang ooit te hebben toegelicht.)
Dworkins levenswerk werd begin dit jaar in beslag genomen aan de grens met Canada, met een beroep op het door het Canadese Hooggerechtshof uitgevaardigde verbod op pornografie. Niet omwille van de ouderwetse zedelijkheidswetgeving, maar op grond van de 'aantasting van de burgerrechten van vrouwen’. Andere ingenomen publikaties waren enkele subculturele lesbische en homoseksblaadjes. De ironie wil dat de auteur en haar compagnon, de hoogleraar in de rechten Catherine MacKinnon, zelf de motor waren achter dit verbod. Ze werkten daarbij eendrachtig samen met conservatieve religieuze groeperingen, die zoals bekend ook gekant zijn tegen seksuele voorlichting, medische abortus en homorechten. Maar voor het duo Dworkin-MacKinnon is dit morele dilemma een bijkomstigheid. Op de vraag wie eigenlijk wie gebruikt in dit bondgenootschap, reageerde Andrea Dworkin met een onverschillig schouderophalen.
DRIE JAAR LANG, tijdens het werken aan haar in 1981 verschenen en vaak herdrukte boek, leefde Dworkin in een volstrekt isolement, omringd door duizenden seksvideo’s en metershoge stapels bladen. In haar nawoord beschrijft ze hoe elke telefoonhoorn voor haar een vervaarlijke dildo was geworden en het telefoonsnoer een werktuig voor bondage. Haardrogers boezemden haar angst in vanwege de gelijkenis met het mannelijk lid en in scharen zag ze nog uitsluitend een martelwerktuig om de clitoris mee te verminken.
Haar via dolorosa noemde ze, tegenstrijdig genoeg, 'een triomf over de mannelijke suprematie,’ en over het schrijven van haar boek zei ze, bijna verlekkerd, dat het 'de meest meedogenloze keuze’ was die ze ooit had gemaakt. Een vriend van haar noemde haar verslaafd aan die eindeloze bondage- en verkrachtingsscenes, het was 'net heroine' voor haar. Dworkins reactie fascineert door de hardnekkigheid die het zelfgekozen martelaarschap met zich meebrengt: 'Porno is iets wat mannen doen om vrouwen te onderwerpen, dat doen vrouwen zichzelf niet aan.'
ER ZIJN MENSEN die al tijdens hun leven een historische figuur zijn, een metafoor voor het tijdperk waarin ze leven. Zo iemand is Andrea Dworkin: hellevaarder van de anti-pornostrijd, martelaar en charismatische prediker van het radicaal-feminisme. Met haar tweehonderd kilo en moeizame waggeltred, gehuld in het seks- en geslachtloze tuinbroekuniform van de jaren-zeventigfeminist, symboliseert ze de morele superioriteit van de sad girl, die een beroep op onschuld paart aan een dwangmatige neiging tot controle over de mannelijke seksuele fantasie. Ik zie Dworkin als he
t voorbeeld van een vrouw met een negentiende-eeuwse victoriaanse identiteit, in een twintigste-eeuwse contestantengedaante. De vrouwenbeweging zit er vol mee.
Die rol van lijdende mensenredder annex heerser, kortom, een echte messias, is haar op het lijf geschreven, als we haar geromantiseerde biografie met de veelzeggende titel Mercy moeten geloven. Daarin verhaalt ze in een repeterende, pornografische stijl van haar tienerjaren, toen ze, wonend in troosteloze kraakpanden, aan de harddrugs en in de prostitutie verzeild raakte en ongeveer drie maal per dag werd verkracht door dealers, pooiers, junken en zwervers, onder onwaarschijnlijk vreselijke omstandigheden.
Dworkin mag dan afgekickt zijn van door de strafwet verboden middelen, ze is nog altijd verslaafd aan ellende, die ze volledig toeschrijft aan de pornografie. Ze heeft ontdekt dat slachtofferschap in de hedendaagse maatschappij van mondige burgers geld waard is - het ideale ontsnappingsmiddel dat macht genereert zonder de plicht tot verantwoordelijkheid. Met de boodschap van de mannelijke slechtheid en de oproep aan vrouwen om zich er radicaal van af te wenden, trekt ze volle zalen. Haar redevoeringen gaan volgens het donderpreekrecept van Billy Graham en Pat Robertson, waarbij haar gehoor steevast muisstil, verteerd door schuldgevoelens over de nog onderhouden persoonlijke banden met mannen, aan haar voeten ligt. Dworkin mag dan een geniale agitator zijn, iemand die porno met Dachau vergelijkt, ze loopt wel met molentjes. Echter, met haar beschaafde, maatschappelijk geslaagde tegenhanger Catherine MacKinnon vormt ze het ideale koppel. De laatste, hoogleraar in de rechten aan de universiteit van Michigan, publiceert bij de Harvard University Press, terwijl Dworkin het moet doen met feministische uitgeverijen. MacKinnon levert het abstracte denkwerk voor de strijd tegen pornografie, die is verworden tot een strijd tegen de vrijheid van meningsuiting en van seksuele ontplooiing zelf.
In een vaak geciteerd, met wetenschappelijke voetnoten overladen artikel in het vrouwenstudietijdschrift Signs uit 1981, twee jaar later - met instemmend commentaar - overgenomen in het door Heikelien Verrijn Stuart en Dorien Pessers gemaakte blad Nemesis (over vrouwen en recht), schrijft Dworkin dat het man-vrouwonderscheid en de overheersings-onderworpenheidsdynamiek elkaar noodzakelijk bepalen. MacKinnon schrijft in hetzelfde artikel: 'Seksualiteit wordt tot gender gemaakt zoals gender wordt geseksualiseerd. Seksualiteit is intrinsiek gewelddadig, dus geweld is intrinsiek seksueel en geweld tegen vrouwen is dat dubbel. Seksualiteit is de hoeksteen en het bindmiddel van sekseongelijkheid.’
Nog steeds krijg ik het koud van dit hermetische, tautologische proza. Er is geen ontkomen aan: de door MacKinnon gebaarde, eeneiige wangedrochten mannelijk-gewelddadig en vrouwelijk-ondergeschikt, drukken de vrouwenemancipatie met de rug tegen de muur. We zijn verdoemd door onze eeuwigdurende afhankelijkheid van pooiers en pornografen, we wonen in een doodlopende straat in het getto en wee ons gebeente als we het willen ontvluchten. Er is maar een weg naar het licht: de manloze wereld die na de revolutie tegen 'het patriarchaat’ ons deel zal worden.
Feministen die het niet met haar eens zijn, noemt MacKinnon 'passing women’, vrouwen die 'op epistemologisch niveau voor een man doorgaan’, of 'liberals’. Dat laatste is in MacKinnons persoonlijke woordenboek ongeveer het ergste scheldwoord; het komt neer op pure collaboratie met de mannelijke orde. Het eerste amendement van de grondwet van de Verenigde Staten, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt, is een nagel aan haar doodskist omdat het volgens haar de pornografen beschermt in een samenleving waar vrouwen geen recht van spreken hebben. Dat ze zelf in het hol van de leeuw werkzaam is, ziet ze daarmee niet in tegenspraak. Haar weerwoord tegen critici die zeggen dat seks voor vrouwen ook een bron van plezier is, luidt: 'Een arbeider kan ook een goede dag hebben, maar dat houdt nog niet in dat hij niet structureel wordt uitgebuit.’
Dit laatste verraadt de herkomst van de ideeen van Dworkin en MacKinnon. Ze leunen zwaar op uit de links-activistische hoek afkomstige radicaal-feministen als de toenmalige mediaster Ti-Grace Atkinson, de vermoedelijke bedenker van het jaren-zeventigcliche dat heteroseksualiteit mannen 'op geruststellende manier herinnert’ aan hun 'klassesuprematie’ en omgekeerd voor vrouwen 'een gerieflijk geheugensteuntje’ is om hun 'inferioriteit’ niet uit het oog te verliezen.
IN HAAR LAATSTE boek, Only Words, drijft MacKinnon deze logica op de spits. Ze probeert de wetgeving tegen seksuele intimidatie, waarvan ze medeauteur is, uit te breiden van werk en school naar het hele leven. In deze wet staat dat pornografische afbeeldingen in bedrijven een voor vrouwen 'vijandige en ongelijke werkomgeving’ scheppen. Overal daarbuiten wordt porno, tot MacKinnons verdriet, nog steeds beschermd door de vrijheid van meningsuiting, waardoor er 'een vijandige en ongelijke leefomgeving’ ontstaat.
Ze vervolgt: 'Vroeg of laat willen consumenten van porno de fantasie driedimensionaal beleven.’ De centrale boodschap van porno - 'Pak haar!’ - is 'direct gericht aan de penis, overgebracht door een erectie, en wordt op vrouwen uitgeleefd in de werkelijkheid.’ Met andere woorden: pornografie staat gelijk aan verkrachting.
Met deze slimmigheid pareert MacKinnon zowel haar liberale critici die de grondwet verdedigen, als haar feministische opponenten die zich afvragen waarom ze blijft steken bij vieze plaatjes als er overal in de maatschappij nog zo veel discriminatie tegen vrouwen heerst, schrijft Alice Echols in de Village Voice, in een poging om met redelijke argumenten in te gaan tegen MacKinnon. Een recensent van Nation ging nog veel verder en gaf MacKinnon een koekje van eigen deeg door te schrijven dat hij, bij wijze van research, overwoog om Catherine MacKinnon te verkrachten, 'omdat ik er niet zeker van ben of ze het verschil begrijpt tussen verkracht worden en blootgesteld worden aan pornografie.’
DE RADICAAL-FEMINISTISCHE definitie van pornografie is in de loop van het afgelopen decennium verabsoluteerd. En seksueel geweld gaat niet langer over daadwerkelijk intimiderende aanrakingen, seksuele handelingen of quid pro quo-seksueel taalgebruik ('Als je niet met me naar bed gaat, krijg je deze baan niet’) dat vrouwen belemmert in hun maatschappelijk functioneren, maar over elke vrouwen onwelgevallige uitlating. Niet de geemancipeerde vrouw is de norm bij aangiften in het kader van deze wet, maar de supertrut die de staat nodig heeft om haar te beschermen tegen de mannelijke medeburger.De onderzoekscijfers - die ook in Nederland klakkeloos worden herhaald, bij voorbeeld door departementsmedewerkers die toezicht houden op de uitvoering van de Arbo-wet - zeggen dat maar liefst een op de vier of zelfs drie vrouwen in bedrijven en opleidingen ervaring heeft met seksuele pesterijen. Dit uitgaand van een steeds verder uitgedijde - en dus uitgeholde - ideologisch bepaalde definitie van het verschijnsel en triest genoeg niet op basis van feitelijk gepleegde misdrijven.
DE GEVOLGEN HIERVAN zijn zichtbaar aan universiteiten in de Verenigde Staten, waar sinds eind jaren tachtig tientallen hoogleraren onder verdenking zijn komen te staan van seksueel geweld, zonder dat ze zich aan genoemde vergrijpen schuldig hebben gemaakt. Neem J. Donald Silva (58), al dertig jaar hoogleraar aan de technische faculteit van de New Hampshire Universiteit. In een college over technisch schrijven probeerde hij de studenten te leren hoe ze accuraat en snel een rapport konden vervaardigen door het vasthouden van de spanningsboog. Hij maakte een vergelijking om over te brengen wat hij bedoelde: 'Scherp stellen is net als seks. Je zoekt een doelwit en je richt. Je sluit je onderwerp in. (…) Scherp stellen verbindt taal met ervaring. Je wordt een met je onderwerp.’
Diezelfde dag wendden zes van zijn studenten zich tot een vrouwelijke hoogleraar dierkunde. Ze meldden dat ze zich 'vernederd’ voelden door de uitspraak en het slachtoffer van 'seksueel getreiter’. Wat deed de collega? In plaats van de studenten aan te raden om, zoals het hoort op een universiteit, in debat te gaan met hun professor over de gewraakte metafoor - was die eigenlijk niet eerder militair dan erotisch geinspireerd? - legde ze het geval voor in haar eigen colleges, zodat de naam van J. Donald Silva al was aangetast voor er een zaak van was gemaakt.
De aanklacht van de studenten, ingediend bij de commissie ter Voorkoming van Seksueel Geweld op de Campus, was slecht geformuleerd en wemelde van de taalfouten (wat wellicht meer zegt over Silva’s onderwijskundige vermogens dan over zijn zedelijke inslag). Dat neemt niet weg dat Silva vervolgens zonder enige vorm van proces, of zelfs maar de gelegenheid om zijn standpunt toe te lichten, van zijn werkgever te horen kreeg dat hij voorlopig niet mocht lesgeven omdat hij 'het universitaire beleid dat seksuele pesterijen verbiedt’ had genegeerd. Wilde hij zijn aanstelling behouden, dan moest hij gedurende een jaar een feministische therapeut bezoeken en de universiteit tweeduizend dollar betalen voor een vervanger. Voorts moest hij in het openbaar zijn verontschuldigingen aanbieden en afzien van represailles op de studenten die hem hadden aangeklaagd.
Silva zegt dat hij onschuldig is en nog nooit een studente heeft aangerand, geintimideerd of zelfs maar gewoon versierd. Hij is nog steeds in een kostbaar proces tegen de universiteit verwikkeld om zijn academische vrijheid en die van anderen te verdedigen. Hij is niet de enige. Ook zwarte mannelijke en vrouwelijke docenten zijn inmiddels de dupe geworden van politieke correctheid - dus de bewering dat het gaat om 'het aanvechten van de macht van gevestigde academici’ tegenover 'verdrukte nieuwkomers’ is een drogreden. Waar is trouwens die macht, als de aangeklaagde zichzelf niet eens mag verdedigen?
Als klap op de vuurpijl werd vorig jaar de seksueel flamboyante, feministische hoogleraar literatuurwetenschappen Jane Gallop aan de universiteit van Milwaukee door twee lesbische (!) studentes beschuldigd van seksuele intimidatie, nadat Gallop hun scriptie een lager cijfer had gegeven dan de studentes meenden te verdienen. Geen wonder dat het boek van de jeugdige schrijfster Katie Roiphe over de zogenaamde epidemie van verkrachting-bij-afspraakjes onmiddellijk een bestseller werd in de Verenigde Staten. Welke zichzelf respecterende vrouw haalt niet opgelucht adem als iemand tegenwicht biedt bij zoveel grimmige en benauwende bevoogding? Roiphe keert zich tegen de 'kartonnen stereotypen’ die van vrouwen lammetjes maakt en van mannen oversekste wolven.
IN DE NEW YORK TIMES las ik onlangs over de - verplichte - cursussen 'Instemming Met Seks’ voor eerstejaars studenten, jongens en meisjes apart, die aan een universiteit in Ohio worden gegeven. De jongens moeten dertien velletjes do’s en don'ts uit het hoofd leren, waaronder de eis van het letterlijk en hardop, maar niet onder invloed van alcohol of drugs, vragen om toestemming aan het meisje bij elke handeling, beginnend bij het fiat om haar bloesje te mogen openknopen, en vervolgens, als dat hoorbaar mag, via het aanraken der borstpartij tot het laten dalen van de hand tot de onderbuik, net als in de jaren vijftig. Overtreding leidt tot verjaging van de universiteit. Bij de meisjes staat geen zelfverdediging op het programma, wat je zou verwachten, maar de vermaning om niets toe te staan zonder het politiek-correcte etiquetteboekje te raadplegen.
Jack Nicholson heeft heel erg gelijk.