Een tentoonstelling voor het reukorgaan

Large sk a 5003
Gezicht op de Gouden Bocht in de Herengracht, Gerrit Adriaensz. Berckheyde, 1671 - 1672 © Rijksstudio

Hoe rook Amsterdam vroeger? ‘Dode paarden, koeien, kalveren, varkens, schapen, honden en katten dreven rond in de grachten.’

Het kost geen moeite je voor te stellen dat de grachten vroeger stonken. De inhoud van de beerputten en de secreten kwam erin terecht, het gewone afval, het slachtafval, het visafval en het vuil van de suikerraffinaderij, de katoendrukkerij, de distilleerderij, de leerlooierij, de bierbrouwerij. In De grote uitleg van Amsterdam van Jaap Evert Abrahamse lees ik: ‘Dode paarden, koeien, kalveren, varkens, schapen, honden en katten dreven rond in de grachten.’

De grachtenhuizen waren vochtig en muf. Om dat te bestrijden brandden de bewoners harsen en zoete specerijen in hun open haarden en zetten ze mengschalen neer met krachtige parfums. Maar de geuren van buiten drongen daar doorheen. Niet alleen de stank van het open riool maar ook de lucht van de paarden en de frisse geur van de lindebomen.

Dit alles kon ik me voorstellen. Maar nu heb ik de geuren van het oude grachtenhuis echt geroken: in een kleine, bijzondere tentoonstelling in de VU. Ik heb er ook de Slag bij Waterloo geroken. Een medewerker van International Flavors & Fragrances Inc heeft gereconstrueerd wat je daar rook, aan de hand van het gigantische schilderij van Jan Willem Pieneman in het Rijksmuseum. Het is een mengsel van kruitdamp, dus salpeter, zwavel en houtskool, en paarden, angst en tot mijn verrassing: eau de cologne. Het schijnt dat Napoleon dat in grote hoeveelheden gebruikte. Op het schilderij is de slag aan de gang, dus er hangt nog geen lijkengeur.

Historische stank. Maar de tentoonstelling bracht me ook in een toekomst die ik niet zal meemaken. Er ligt een stuk zogenaamde maansteen (‘authentic fake moonrock’) van Hagen Betzwieser en Sue Corke waaruit de geur van de maan opstijgt. Het is precies wat de maanreiziger Charlie Duke in 1972 rook toen hij na een maanwandeling weer in de Apollo 16 was gestapt en zijn helm afzette. Op grond van zijn beschrijving en andere gegevens uit de Nasa-archieven konden Betzwieser en Corke de geur van de maan laten namaken. Ik vond het nogal een sensatie deze lucht in mijn neusgaten te hebben. De maan ruikt naar Islay-whisky.

Er is aardig wat kunst voor de neus gemaakt. Je wordt in de VU herinnerd aan de pindakaasvloer uit 1962 van Wim T. Schippers (sinds 2011 in de collectie van het Museum Boijmans Van Beuningen), een geurgedicht uit 1933 van Marinetti, een parfumflesje uit 1921 van Marcel Duchamp voor zijn alter ego Rrose Sélavy. Natuurlijk de Beanery uit 1965 van Edward Kienholz. En boven een sokkel waar niets op staat en waarop je alleen als je goed kijkt een plasje van een doorzichtige vloeistof ziet liggen, ruik je de polder Mastenbroek (tussen Kampen, Zwolle en Genemuiden): een werk van Birthe Leemeijer uit 2005.

Toen ik de hele tentoonstelling had geroken, belandde ik bij een grote witte rechthoekige doos met drie gaten, ieder met een eigen kleur. Een grijze vierkante opening, een blauwe gleuf en een geel rond gat. Voor die gaten las ik de woorden ‘waste’, ‘paper’ en ‘plastic’. Ik boog voorover en rook. Ja! Zo ruikt afval. En precies: zo ruikt papier. En zo plastic! Het bleek een hedendaagse afvalbak van de VU te zijn. Er staan er tientallen in het grote betonnen gebouw, en ze hebben niets te maken met de tentoonstelling.

Ik moest denken aan een film die ik in de jaren zestig had gezien in Cinetol. Iemand (Andy Warhol?) had ergens op straat een camera neergezet en had die een paar uur laten draaien. Ik zal nooit vergeten hoe ik na afloop de Tolstraat in liep. Ik had het gevoel zelf in een film terecht te komen: ik liep in een straat, ik zag voorbijgangers, ik hoorde een startende auto en bellende fietsers. Gesprekken. Stoeptegels, vuilnisbakken. Het ene moment ging vloeiend over in het andere, en het was of ik voor het eerst op straat liep.

Tomas Tranströmer schreef Het open raam, een gedicht waarin hij zich ’s ochtends staat te scheren. Het scheerapparaat begint steeds harder te zoemen. Het geluid groeit aan tot geraas, tot een helikopter, en een stem – van de piloot – dringt door het geraas heen en schreeuwt: ‘Houd je ogen open! Je ziet dit voor de laatste keer!’

Dat was wat de geurententoonstelling in de VU teweegbracht toen ik voor de afvalbak stond. Je moet goed kijken als je ergens bent. En goed luisteren. Maar zet ook je neus wijd open. Alles wat je neusgaten binnenkomt, vervliegt. De hele potpourri is vluchtig als parfum.


De tentoonstelling Aromatic Art (Re-)reconstructed: In Search of Lost Scents van Caro Verbeek en Wende Wallert is tot en met 23 mei te zien in het hoofdgebouw van de VU aan de Boelelaan in Buitenveldert.