De ideeënpolitiek van Frits Bolkestein

Een terugkeer naar rechts

Als reactie op het opkomende socialisme in het Westen zetten de oer-neoliberalen Friedrich Hayek en Milton Friedman na de oorlog een succesvolle conservatieve tegenbeweging in gang. Dit nieuwe rechts vond in Nederland in Frits Bolkestein een hartstochtelijk pleitbezorger.

‘De ideeën van economen en politiek filosofen, of ze nu gelijk hebben of niet, zijn machtiger dan doorgaans wordt ingezien. Sterker nog: de wereld wordt door weinig anders bestierd’, schreef Maynard Keynes in een beroemde passage in The General Theory of Employment, Interest and Money (1936). ‘Praktische lieden, die zichzelf immuun wanen voor intellectuele beïnvloeding, zijn veelal de slaven van deze of gene gewezen econoom. Ik ben er zeker van dat de macht van gevestigde belangen danig wordt overdreven vergeleken met de geleidelijke doorwerking van ideeën.’

De passage van Keynes vormde in de naoorlogse periode de inspiratie voor een nieuwe rechtse politiek, die eenzelfde nadruk legde op de doorslaggevende rol van ideeën. Het bepalen van het intellectuele klimaat werd gezien als een belangrijke voorwaarde voor het verwerven van politieke macht. De opkomst van nieuw rechts onder Ronald Reagan en Margaret Thatcher ging dan ook gepaard met een grootscheeps ideeënoffensief, gecoördineerd door politieke denktanks die waren opgericht met dat specifieke doel voor ogen. In de jaren tachtig en negentig zou deze traditie van rechtse ideeënpolitiek ook in Nederland prominente vertolkers vinden, in het bijzonder in de kring rond Frits Bolkestein. Zij leverden een belangrijk deel van de intellectuele ammunitie voor de Fortuyn-revolte en waren zo van vormende invloed op onze huidige politiek.

***

Het begint in de naoorlogse periode bij de Oostenrijkse econoom en filosoof Friedrich Hayek. Als een gevolg van de crisis van de jaren dertig en de opkomende inzichten van Keynes vond over de gehele westerse wereld een toename plaats van overheidsinterventie in de economie. In veel landen werd een begin gemaakt met de opbouw van de verzorgingsstaat. Hayek zag deze ontwikkeling met lede ogen aan. In zijn boek The Road to Serfdom (1944) beschreef hij de groeiende rol van de staat in de economie als een hellend vlak richting socialisme en totalitarisme. De geleidelijke doorwerking van de ideeën van Keynes en de socialistische intellectuelen in voorgaande decennia hadden de samenleving op dit pad gezet, zo was zijn stellige overtuiging. Er was nu behoefte aan een intellectuele tegenbeweging om het idee van de vrije markt weer leidend te maken.

Onder Hayeks leiding kwam in april 1947 een vooraanstaande groep economen en intellectuelen samen in het Zwitserse bergdorp Mont Pèlerin. In de dagen die volgden stichtten ze de Mont Pèlerin Society (mps), een vooraanstaand intellectueel netwerk dat kraamkamer en zenuwcentrum zou worden van wat Hayek ‘de neoliberale beweging’ noemde. ‘Voorbij zijn de dagen dat een handvol uit de mode geraakte liberalen eenzaam hun weg gingen, geridiculiseerd en zonder enige respons vanuit de jeugd’, zou Hayek na de eerste bijeenkomsten van de mps schrijven, ‘eindelijk is er persoonlijk contact gelegd tussen de voorstanders van het neoliberalisme.’

Milton Friedman, medeoprichter en later voorzitter van de mps, schreef in 1952 een essay met vergelijkbare lading, getiteld Neo-Liberalism and its Prospects. Hierin presenteerde hij ‘de doctrine die ook wel neoliberalisme wordt genoemd’ als ‘een nieuw geloof’, dat ‘op veel manieren perfect geschikt is om de leemte op te vullen die zich naar mijn mening lijkt te ontwikkelen in de overtuigingen van de intellectuele klassen, waar ook ter wereld’.

In de daaropvolgende decennia zouden duizenden academici, politici, zakenlui en journalisten de jaarlijkse bijeenkomsten bijwonen, tot op de dag van vandaag. Directeuren van denktanks als het American Enterprise Institute, de Heritage Foundation en het Institute of Economic Affairs namen deel, en speelden een cruciale rol bij het ontwikkelen van de beleidsagenda van Reagan en Thatcher.

Vanaf het vroegste begin lag de focus op ‘de ideeënpolitiek’, de overtuiging dat ideeënstrijd een cruciale rol speelt in het verwezenlijken van politieke verandering. Hayek sprak op de oprichtingsvergadering van de mps en verwees daar naar de befaamde passage uit Keynes’ General Theory. In de ogen van Hayek was de opkomst van het socialisme het resultaat van de inspanningen van socialistische intellectuelen in de voorgaande decennia. Zijzelf zouden over eenzelfde soort lange tijdspanne moeten denken om hun doelen te bereiken, zo hield Hayek de mps-leden voor. Een grootse intellectuele taak moest worden volbracht, voordat er praktische politieke actie ondernomen kon worden. Het ging om de vernieuwing van het liberalisme, dat versteend was tot een stramme en onpraktische ideologie.

***

Tijdens het tweede congres van de MPS in 1949 liet Hayek een inmiddels beroemd essay rondgaan, The Intellectuals and Socialism. In deze tekst stelde hij dat de invloed van intellectuelen op de politiek doorgaans sterk onderschat wordt. Het ging hem niet zozeer om de klassieke intellectueel, maar eerder om een sterk gegroeide beroepsgroep die een intellectuele functie had en zich bezighield met het verspreiden van ideeën: journalisten, leraren, academici, publicisten, beleidsmakers, advocaten, cultuurmakers.

Hij noemde hen ‘handelaren in tweedehands ideeën’, om te benadrukken dat het hier om bemiddelaars ging, eerder dan experts of denkers die hun eigen, oorspronkelijke ideeën ontwikkelen. Wat de gewone man leert over de wereld, zo stelde Hayek, is sterk afhankelijk van deze sociale klasse, die een groot deel van de moderne informatievoorziening organiseert. De intellectuelen waren een machtsfactor van belang geworden die een tegenwicht vormde tegen de oude economische elite. De stelling van Marx dat de heersende ideeën van een bepaalde tijd altijd de ideeën van de heersende klasse zijn, gold niet meer. Dat bleek wel uit het feit dat de intellectuelen hadden gekozen voor het socialisme.

‘Het was hun stout­moedigheid om utopisch te denken die de socialisten de steun van intellectuelen opleverde’

Volgens Hayek was het bovenal de aantrekkingskracht van een abstract ideaal dat het socialisme zo aantrekkelijk maakte. Het neoliberalisme moest eenzelfde invloed op de intellectuelen weten uit te oefenen. Wat politiek haalbaar is in het hier en nu moest niet de eerste zorg zijn. Van belang was vooral het verspreiden van ideeën die Hayek noodzakelijk achtte voor het realiseren van een vrije samenleving op de langere termijn. ‘Een programma dat noch louter een verdediging lijkt van de dingen zoals ze zijn, noch een verwaterd soort socialisme, maar een waarlijk liberaal radicalisme dat de gevoeligheden van de machtigen (inclusief de vakbonden) niet spaart, dat niet te eng praktisch is, en dat zich niet beperkt tot wat vandaag de dag politiek mogelijk lijkt.’

Voor dat doel hadden de neoliberalen, net als de socialisten, een utopisch ideaal nodig. ‘De belangrijkste les die de ware liberaal ter harte moet nemen van het succes van de socialisten is dat het hun stoutmoedigheid om utopisch te denken was die ze de steun van intellectuelen opleverde’, aldus Hayek. Het gaf hun een ‘invloed op de publieke opinie die dag in dag uit mogelijk maakt wat tot voor kort volkomen ver weg leek’.

Vanwege hun rol in het ontwikkelen van deze strategie van een lange-termijn-ideeënstrijd gelden Friedrich Hayek en Milton Friedman als spilfiguren voor zowel het Amerikaanse als het Britse nieuw rechts, bewegingen die in de jaren zestig en zeventig opkwamen als reactie op nieuw links. De conservatieve historicus George Nash opent zijn monumentale The Conservative Intellectual Movement in America met een bespreking van de formidabele impact van Hayeks The Road to Serfdom. In een tijd dat het Amerikaanse conservatisme sterk gemarginaliseerd was, bleek de verschijning van Hayeks boek een intellectuele gebeurtenis van jewelste. Een ingekorte versie werd verspreid door Reader’s Digest in een oplage van zeshonderdduizend exemplaren. Door conservatieven werd het binnengehaald als een fundamentele tekst voor de libertarische vrije-marktvleugel van het conservatisme.

In Groot-Brittannië was de voormalige raf-piloot Anthony Fisher een van de lezers van deze ingekorte versie. Hij overwoog de politiek in te gaan om het opkomende socialisme te bestrijden, en ging op bezoek bij Hayek, die toentertijd werkte bij de London School of Economics. Hayek adviseerde hem om in plaats daarvan zijn energie te richten op het overtuigen van de intellectuelen en het veranderen van het opinieklimaat. Met geld dat hij had verdiend door de eerste legbatterijen in Engeland te introduceren, richtte Fisher in 1955 het Institute of Economic Affairs (iea) op, een van de oudste en voornaamste neoliberale denktanks. Het instituut zou een belangrijke rol spelen in het populariseren van de ideeën van de mps en het formuleren van de beleidsagenda van Margaret Thatcher.

1 november in Perdu:
De opmars van nieuwrechts

Debat n.a.v. het nieuwe boek van Merijn Oudenampsen

Een vergelijkbare ideeënpolitiek werd ontwikkeld in de VS. Amerikaanse conservatieven waren er al langer van overtuigd dat de moderne progressieve cultuur allereerst met ideeën bestreden moest worden. In het boek Ideas Have Consequences (1948) stelde de filosoof Richard Weaver dat conservatieven de strijd met de moderne, progressieve cultuur moesten aangaan door een ‘metafysische gemeenschap’ te creëren, georganiseerd rond ideeën. Het vormt het startpunt van de analyse van de journalist Sidney Blumenthal in de klassieker The Rise of the Counter-Establishment (1986). Hij laat daarin zien hoe de ideeën van Hayek en Friedman, en denktanks als het American Enterprise Institute en de Heritage Foundation, de spil zouden gaan vormen van de conservatieve tegenbeweging die Ronald Reagan aan de macht bracht.

***

Deze Anglo-Amerikaanse politieke traditie vormde een belangrijke inspiratie voor rechtse politici en intellectuelen in Nederland. Bovenal de toenmalige vvd-leider Frits Bolkestein zou zich in de jaren tachtig en negentig gaan affiliëren met de ideeënpolitiek van Friedrich Hayek, al zou zijn doelwit niet zozeer het socialisme zijn, als wel de progressieve geest van de jaren zestig en zeventig.

Bolkestein had zich bij de vvd aangesloten in de aanloop naar de verkiezingen van 1977. Hij werkte van 1960 tot 1976 voor Shell in Oost-Afrika, Honduras, El Salvador, Londen, Indonesië en Parijs. Tijdens deze periode was hij naar eigen zeggen politiek gevormd, in het brandpunt van de Koude Oorlog en de dekolonisatie. Bij zijn terugkeer naar Nederland omschreef hij zichzelf als the man who came in from the cold, naar de Koude-Oorlogsroman van John le Carré. Onaangenaam verrast door het progressieve opinieklimaat in Nederland positioneerde hij zich op de rechterflank van de vvd.

Bolkestein: ‘Ik vind: een brug is geen standpunt. Een brug is om onder te slapen of om overheen te lopen’

Vanwege zijn welbekende afkeer van consensus en compromis wordt Bolkestein vaak beschreven als een on-Nederlands politicus, een nogal polariserende figuur. In de Nederlandse politieke cultuur is het voor zowel politici als journalisten en intellectuelen belangrijk de gulden middenweg te eren, het eigen gelijk te relativeren, bruggen te bouwen en compromissen te sluiten. Bolkesteins aanpak was radicaal anders: ‘Ik vind: een brug is geen standpunt. Een brug is om onder te slapen of om overheen te lopen.’

Bolkestein deelde met Thatcher niet enkel een afkeer van consensus en compromis, hij had ook een fascinatie voor het werk van Friedrich Hayek. Deze denker was volgens Bolkestein ‘misschien wel de belangrijkste liberale politiek filosoof van de twintigste eeuw’ en komt in bijna al zijn boeken terug. Het hoeft dus niet te verrassen dat Bolkestein het geloof in de macht van ideeën onderschreef. ‘De grondstof van de politiek wordt gevormd door de openbare mening, dat wil zeggen de opvatting die op een bepaald tijdstip als dominant kan worden beschouwd’, schreef Bolkestein. ‘Voor het tot stand brengen van een nieuwe consensus heb je eerst een botsing van meningen, een choc des opinions nodig. Het gaat er in de politiek om hoe een nieuw gedachtegoed de overhand krijgt boven het oude.’ Refererend aan Hayek verweet hij de progressieve intellectuelen in Nederland dat ze ‘handelaren in tweedehands ideeën’ waren.

Zijn eerste boek, De engel en het beest, een verzameling van zijn vele lezingen en opiniestukken uit de jaren tachtig, leest als een felle aanval op de progressieve intelligentsia in Nederland. De linkse babyboomers, een ‘gepassioneerde minderheid’ verblind door ideologie, ‘beheersten het opinieklimaat’ en hadden zo ‘een hele generatie beleidsmakers’ politiek gevormd. De babyboomers waren in zijn ogen een lompenintelligentsia, hun intellectuele knip-en-plakwerk het product van het trauma van ontkerkelijking. Ze hadden de leemte die was achtergelaten door de christelijke verlossing opgevuld met een seculier messianisme, met een gevulgariseerd marxisme en een uit de klauwen gelopen verzorgingsstaat als resultaat. Deze overtuiging dat de ideeën van een gepassioneerde minderheid het land naar links hadden doen bewegen, had als logische consequentie dat een andere gepassioneerde minderheid het tegenovergestelde kon presteren en het land weer terug naar rechts kon trekken.

De notie van een lange-termijn-ideeënstrijd tegen de progressieve geest van de jaren zestig en zeventig is een kernmotief van zijn politieke carrière, zoals de auteurs van zijn biografie, Max van Weezel en Leonard Ornstein, terecht stellen. ‘Vanaf het begin van zijn politieke carrière’ had Bolkestein ‘een strategie op lange termijn in zijn hoofd’. De progressieve consensus in het denken moest ongedaan worden gemaakt. Friedrich Hayek is echter nauwelijks bekend in Nederland, en vele commentatoren hebben hun verbazing uitgesproken over ‘het raadsel Bolkestein’. Van Weezel en Ornstein laten Hayeks naam niet één keer vallen in hun verder zorgvuldig geschreven biografie. Ze weten echter iets van de essentie te vangen als ze Bolkestein in de inleiding portretteren als ‘de eerste gramsciaanse denker in de Nederlandse politieke geschiedenis’, meer geïnteresseerd in het bevechten van de intellectuele hegemonie van links dan in het positiespel in Den Haag.

Bolkestein was het meest expliciet over deze inspiraties als hij in het buitenland verkeerde. Hij gaf in zijn tijd als eurocommissaris een verhelderende lezing aan het Institute of Economic Affairs, de eerder genoemde Britse neoliberale denktank. Bolkestein opende die lezing als volgt: ‘Ideeën hebben consequenties. Ik ben altijd overtuigd geweest van de waarheid van deze bewering en dus was het niet meer dan logisch dat ik, als onstuimige jonge parlementariër (alhoewel, ik was een montere vijfenveertigjarige), besloot om een abonnement te nemen op de publicaties van een onderzoeksinstituut naar de vrije markt dat toentertijd aan het front van de ideeënstrijd stond. Dat onderzoeksinstituut was het iea en ik ben het diep erkentelijk. Het instituut en zijn auteurs, velen Nobelprijswinnaars, hebben mensen zoals ik van de intellectuele middelen voorzien om de grote politieke debatten van de jaren tachtig en negentig aan te gaan en te winnen.’ Het was in deze periode dat Bolkestein eveneens toetrad tot het curatorium van de prestigieuze Friedrich-August-von-Hayek-Stiftung en lid werd van de Mont Pèlerin Society.

***

Zoals gezegd verschafte het IEA de ideologische basis voor het thatcherisme door het werk van vooraanstaande leden van de Mont Pèlerin Society te populariseren. Maar het iea had ook een aandeel in Thatchers beruchte interne twisten met de centristen in de Conservative Party, de zogenaamde wets. Het is aanlokkelijk om Bolkesteins strijd met de centristische stroming binnen de vvd te zien als een minder dramatische tegenhanger van de inspanningen van Thatcher en het iea in de jaren zeventig, zelfs al verschillen de achtergronden en tijdspanne van elkaar.

Samen met een groep intellectuelen bij de denktank van de vvd, de Teldersstichting, trachtte Bolkestein een nieuw ideologisch fundament te leggen voor het liberalisme in Nederland. Dat fundament nam de denkbeelden van Hayek als uitgangspunt en kreeg vorm in een reeks publicaties. De historische ontwikkeling van het neoliberalisme werd geboekstaafd in Liberalisme en politieke economie (1985), een diepgravende en filosofisch onderlegde studie van Andreas Kinneging en Klaas Groenveld. Kinneging werkte ook mee aan een vervolgpublicatie, de studie Liberalisme: Een speurtocht naar de filosofische grondslagen, gepubliceerd in 1988. Hij werd daarin bijgestaan door een commissie van politieke zwaargewichten, onder wie de latere minister Uri Rosenthal, aankomend partijleider Frits Bolkestein en de socioloog Jacques van Doorn. Zoals bevestigd door Gerry van der List, een collega bij de Teldersstichting, ‘werden de theorieën van Hayek als richtsnoer genomen’ voor het rapport.

Het rapport kan goed beschreven worden als een concrete uitwerking van Hayeks liberale utopische ideaal, een radicale langetermijnvisie die zich niet beperkt tot wat politiek haalbaar is in het hier en nu. Het rapport stelde dit ideaal gelijk aan de minimale staat of waarborgstaat, filosofisch gebaseerd op Hayeks conceptie van de rule of law. Het idee is dat de minimale staat zich niet bezighoudt met economische herverdeling. De enige uitzondering die het rapport meldt, is een bescheiden toelage voor degenen die onder een absoluut bestaansminimum vallen. De reacties op het rapport logen er niet om. De politiek filosofen Hans Charmant en Percy Lehning stelden in een uitgebreide reactie dat het liberalisme door de Teldersstichting ‘van alle sociale gewaden [werd ontdaan] waarin deze ideologie zich sinds het midden van de vorige eeuw heeft gehuld’.

Bolkestein kwam uitvoerig terug op het rapport in een essay met de titel Modern liberalisme. Hij schreef dat de radicale sanering van de Nederlandse verzorgingsstaat in de richting van een waarborgstaat een ‘terugkeer naar de toekomst’ inhield, terug naar een moment in de Nederlandse geschiedenis van voor de uitbreiding van de verzorgingsstaat. Bolkestein schetste een ambitieus programma van deregulering, privatisering, decentralisering en belastingverlaging.

Wilders leerde van Bolkestein dat ‘je een dikke huid moet hebben, en dat vandaag geen gelijk niet betekent dat je morgen ook ongelijk hebt’

Daarbij zette Bolkestein een harde aanval in op ‘de vermolmde structuren van het corporatisme’: de sociale zekerheid moest terug naar zestig procent van het minimumloon, de cao zou niet meer algemeen verbindend verklaard moeten worden door de staat, de arbeidsmarkt moest worden geflexibiliseerd en de ser (Sociaal Economische Raad, het overleg tussen vakbonden en werkgevers) kon worden afgeschaft. Tegelijkertijd stelde Bolkestein (en het Teldersstichting-rapport) dat door de uitbreiding van de sociale voorzieningen de klassieke staatstaken waren verwaarloosd: er moest meer geïnvesteerd worden in veiligheid, politie, justitie en infrastructuur. Bolkestein presenteerde deze maatregelen als een transformatie van een Rijnlands model naar een ‘mid-Atlantisch model’.

Een extra bron van controverse was dat de begeleidende commissie van politiek zwaargewichten expliciet de neoliberale visie op de waarborgstaat aanbeval ‘als grondslag voor politiek handelen’. Het rapport van de Teldersstichting diende als uitgangspunt voor het discussiestuk Liberaal bestek ’90. Hierin werd een scherpe draai naar rechts voorgesteld, die zich toespitste op de transformatie van de verzorgingsstaat naar een waarborgstaat, de beperking van immigratie en de aanscherping van law and order-beleid. Er volgden felle reacties. Wim Kok waarschuwde de vvd zichzelf op rechts niet te marginaliseren. De Volkskrant beschreef het discussiestuk als ‘een terugkeer naar Dickens’, en ‘ongefilterd burgerlijk conservatisme’. De implicatie was duidelijk: de vvd dreigde zichzelf te isoleren op de rechterflank.

De progressieve en centristische krachten binnen de vvd verzetten zich tegen de voorgestelde wijzigingen. Een recordaantal van tweeduizend amendementen werd door partijleden ingediend tijdens het partijcongres, wat effectief de doodsteek betekende voor het rapport. Weliswaar werd Bolkestein in 1990 partijleider en zou hij dat tot 1998 blijven, maar de nieuwrechtse flank van de partij bleef feitelijk een minderheid. Uri Rosenthal keek later terug op de controverse van 1988 en stelde goedkeurend vast dat het onderdeel was van Bolkesteins langetermijnstrategie van een choc des opinions. Een strategie die zich in de jaren negentig duidelijk uitbetaalde, zo concludeerde Rosenthal.

***

Toen Bolkestein in 1998 het VVD-partijleiderschap moest overdragen aan Hans Dijkstal en de Nederlandse politiek verliet om eurocommissaris te worden in Brussel werd zijn strategie van ideeënpolitiek voortgezet door anderen op de rechtervleugel.

Zo zag Pim Fortuyn de ‘botsing van ideeën’ als onontbeerlijk voor de politiek. Hij betreurde het dat politieke debatten in Nederland gekenmerkt werden door pragmatisme en consensus. Hij stelde een alternatieve vorm van conflictbeheer voor, door middel van levendig publiek debat, waarin tegengestelde partijen met respect hun ideologische verschillen uitten en verkenden, in plaats van overeenstemming te zoeken. Fortuyn formuleerde zijn conflict met de islam expliciet als een ideeënstrijd die met ‘het woord als wapen’ moest worden gevoerd.

Teleurgestelde vvd-intellectuelen als Andreas Kinneging, Paul Cliteur en Joshua Livestro richtten in 2000 samen met Bart Jan Spruyt en Michiel Visser de Edmund Burke Stichting op, een invloedrijke conservatieve denktank. De leden van de Edmund Burke Stichting zagen ideeën als de belangrijkste aanjagers van verandering: ‘Wie daarom wil dat de politieke besluitvorming verandert, moet niet in de eerste plaats streven naar macht, belangenbehartiging en partijvorming, maar naar het omzetten van ideeën in invloed in het maatschappelijk-culturele debat – bijvoorbeeld via een heuse denktank – omdat een culturele omslag aan politieke verandering voorafgaat.’ Deze strategie van de Edmund Burke Stichting, zo vertelden Livestro en Spruyt aan de NRC, was afgekeken van Amerikaanse denktanks als het American Enterprise Institute. ‘Die maakten de geesten langzaam rijp voor conservatief gedachtegoed binnen de partijen.’ Een vergelijkbare aanpak was nodig in Nederland.

Geert Wilders verwees naar Bolkestein en de Teldersstichting als vormende inspiraties toen hij zich in 2003 begon te keren tegen de middenkoers van het vvd-partijleiderschap, wat uitmondde in zijn breuk met de partij in het daaropvolgende jaar. In een interview met de Volkskrant suggereerde Wilders dat ‘het de moeite waard [zou] zijn een oud vvd-geschrift uit de archieven op te diepen’. Het ging om Liberalisme: Een speurtocht naar de filosofische grondslagen. Sindsdien is Wilders bekend komen te staan als de ‘tovenaarsleerling’ van Frits Bolkestein.

Wat Wilders naar eigen zeggen van Bolkestein leerde, was diens langetermijnstrategie, namelijk dat ‘je tegen grote tegenstand moet kunnen, de agenda moet willen bepalen, een dikke huid moet hebben, en dat vandaag geen gelijk niet betekent dat je morgen ook ongelijk hebt’. Ayaan Hirsi Ali, ten slotte, refereerde aan Bolkestein als haar ‘intellectuele mentor’ en zag zichzelf als verwikkeld in een ideeënstrijd met islamitisch fundamentalisme, om de harten en hoofden van gematigde moslims te winnen. In 2006 werd ze fellow bij het American Enterprise Institute.

Wat de nieuwrechtse filosofie soms aan diepgang miste, maakte ze ruimschoots goed door haar trouw aan het gramsciaanse ideaal van de socialisatie van het politieke denken: ‘Het creëren van een nieuwe cultuur betekent niet alleen je eigen individuele, “oorspronkelijke” ontdekkingen. Het betekent eveneens en bovenal, de verspreiding in kritische vorm van waarheden die al ontdekt zijn, hun “socialisatie” als het ware. (…) Om een massa mensen ertoe aan te zetten om coherent en op dezelfde consistente wijze over de huidige wereld na te denken, is een “filosofische” gebeurtenis die veel belangrijker en “origineler” is dan de ontdekking door een filosofisch “genie” van een waarheid die het eigendom blijft van een kleine groep intellectuelen.’

Deze bonte verzameling nieuwrechtse politici en intellectuelen heeft de toon gezet in het Nederlandse debat sinds de jaren negentig. Dit met het doel om de Nederlandse politiek fundamenteel te veranderen aan de hand van een lang lopende ideeënstrijd.


Dit is een licht bewerkte voorpublicatie uit het boek De conservatieve revolte van Merijn Oudenampsen, waarin het verhaal van de rechtse ideeënstrijd wordt verteld. Het verschijnt deze week bij uitgeverij Vantilt. Op donderdagavond 1 november is er een debat over het boek bij Literair Podium Perdu in Amsterdam. Zie perdu.nl